Verloren voor de bewoners

Vandaag, 17 september, speelt het carillon in de toren van de Grote of Eusebiuskerk in Arnhem weer. Precies vijftig jaar geleden was het voor het laatst te horen. Het repertoire bestond toen uit het even montere als vrome Valeriuslied 'Gelukkig Is Het Land'. Tot die 17de september 1944 aan toe strooide het carillon ieder kwartier een strofe en op het hele uur het lied in zijn geheel uit over de stad en haar bewoners.

Gelukkig is het land

dat God beschermt

Dat was niet alleen mooi, dat was ook bemoedigend.

Die zondag van 17 september 1944 kwamen de zweefvliegtuigen aandrijven ten westen van de stad en sproeiden kleine donkere dingetjes, die een tel later gestrekte figuurtjes werden, hangend onderaan de zoetjes deinende paddestoelhoed van een parachute, een ongelooflijk gezicht waarbij het moeilijk viel te begrijpen dat het een leger was, dat het soldaten waren die daar wiegelend in de hemel hingen. Maar telkens wanneer de Duitse afweer er een raakte, dan begreep je het wel. Van strekken was dan geen sprake meer, er hing een propje, te vergelijken met wat gebeurt wanneer je een spin doodtrapt. Eerst duidelijk lijf en poten, dan een vormloos donker klontje. Wie in de oude binnenstad woonde hoorde behalve het afweergeschut ook het staccato van mitrailleurvuur van bevrijders en bezetters. Het oude verhaal, de een wil er in, de ander wil er niet uit en dan krijg je dat; een slag. De Slag om Arnhem.

Wij stonden op het platte dak want we waren jong en we wilden wel wat en met name wilden we zo nauwkeurig mogelijk volgen hoe nou zo'n bevrijding in z'n werk ging. Maar regelmatig moesten we toch de kelder in van de kruidenier waarin al een twintigtal buurtbewoners dekking had gezocht. Vrouwen gingen daar aanstonds, en alsof ze wisten dat dat is wat vrouwen te doen staat in een stad die onder vuur ligt, als razenden aan het bidden. Heilige Maria en Onze Vader en Erbarm U en wat al niet. Murmelend, jammerend, verongelijkt-klagerig. Ook kinderen onder de tien voelden feilloos aan wat er van ze verwacht werd, een gehuil van jewelste. Het meisje van de winkel in schrijfbehoeften lakte er zwijgend haar nagels, nu eens die van de tenen, dan van de vingers. Zestien was ze en met fris gelakte nagels lag ze op een avond op het plaveisel van de straat, geraakt door een kogel toen ze de oversteek maakte naar haar huis. Op weg naar een ander flesje nagellak? Als ik dat al wist, dan ben ik het nu vergeten.

Op dinsdag de 19de september en ook op 20 september staat er in een zakagendaatje dat ik nog altijd heb en koester, enkel in panische potloodletters en uitroeptekens De Stad Brandt!!! We waagden ons toch steeds op het dak, gehurkt achter een muurtje hoorden we het kanongebulder in de verte, het diepe dreunen van ontploffende tijdbommen op het op afstand liggende vliegveld, van dichtbij het geblaf en geratel van mitrailleurs, geweervuur, handgranaten. We zagen de vlammen uit de in brand geschoten woningen en we zagen de toren van de Grote kerk.

als daar met moord en brand

de vijand rondom zwermt

Wie zoiets ooit heeft gezien die vergeet dat niet een-twee-drie. Van binnenuit brandend boog de toren, uitgeput, dodelijk vermoeid, heel letterlijk het hoofd, zeeg zuchtend als het ware ineen en viel neer, in rook en vuur.

Wat later reden er vrachtwagens door de straat met soldaten erop in bruine uniformen en met rode baretten. Dat waren ze nou, deze als bevrijders bedoelde maar nu krijgsgevangen geallieerden. En weer later verschenen de Tijgertanks van de Panzerdivision en vulden de straat van stoep tot stoep en de lucht daarboven met het vreesaanjagende geratel van stalen rupsplaten over straatstenen en ja, toen was eigenlijk de Slag om Arnhem zo'n beetje beslist. Arnhem was behouden door de bezetter en verloren voor haar bewoners. We werden uit de kelders gehaald en trokken weg van waar we thuishoorden, weg ook van datgene dat ons toebehoorde. In onze rug het symbool van vernieling en vernedering: de resten van de kerktoren, als een geamputeerde, geblakerde vinger, wijzend naar de hemel.

en dat men meent hij zal

schier overwinnen het al

Ik denk dat wie nooit een kerktoren als de oude van de Eusebius ten onder heeft zien gaan in rook en vlammen, dat die nooit zo optimaal zal kunnen genieten van een toren die rank, slank, zelfbewust zich verheft boven mensen die rustig wandelen aan zijn voet, waar marktkramen staan en even goed geklede als gevoede kinderen elkaar joelend achterna zitten. Pas in de zomer van 1945, oorlog voorbij, Duitsers verslagen, zagen we elkaar weer.

dat dan oh Heer dat dan

hijzelf komt tot den val.