Svetlanovs hommage aan Oistrach blijkt muzikale kamikaze

Concert: Hommage aan David Oistrach. Residentie Orkest o.l.v. Jevgeni Svetlanov, m.m.v. Eduard Gratsj, viool. Programma: Wagner: Tristan und Isolde: Vorspiel und Liebestod. Svetlanov: Poème in memoriam David Oistrach. Tsjaikofski: Symfonie nr. 6 'Pathétique'. Gehoord: 16/9 Dr Anton Philipszaal Den Haag. Herhaling 17/9 aldaar.

Het Residentie Orkest viert dit seizoen zijn 90ste verjaardag. Daarom tracteerde het orkest gisteravond alle bezoekers van het eerste abonnementsconcert op een glas champagne in de pauze. De drank kwam tevens goed van pas om de droevige nasmaak weg te spoelen die het 'Poème'in memoriam David Oistrach voor viool en orkest uit 1975 had nagelaten. Svetlanov componeerde dit stuk als een hommage aan zijn vriend David Oistrach, de legendarische Russische violist die in 1974 op 66-jarige leeftijd in een Amsterdamse hotelkamer overleed.

Maar hoe erg het ook is dat Oistrach, nu twintig jaar geleden, te vroeg deze wereld verliet, Svetlanovs Poème stemde treurig om andere redenen. Hoe is het mogelijk dat een dirigent van het formaat van Svetlanov, die met zoveel inlevingsvermogen en muzikaal raffinement doordringt tot de essentie van de mooiste werken uit de muziekliteratuur, zich als componist profileert in zulke dodelijk saaie en banale nietszeggendheid?

“Mijn Poéme is een werk voor viool én orkest, let wel: niet mét orkest, het is een dialoog tussen viool en orkest,” aldus Svetlanov: “Ik heb me tijdens het schrijven laten inspireren door Oistrach zelf, in gedachten hoorde ik hem spelen. Ik probeerde me voor te stellen hoe hij dit werk zou vertolken. Ik hoorde zijn vioolklank, de ongeëvenaarde Oistrach-klank, zijn weergaloze nuance en zijn interpretatie.”

Misschien zou Oistrach inderdaad nog iets van Svetlanovs Poème hebben kunnen maken, maar voor mindere goden als Eduard Gratsj komt het vertolken ervan neer op een muzikale kamikaze-actie. Het Poème is een troosteloze opeenvolging van toonladderachtige fragmenten die maar geen melodieën willen worden, en kleurloze harmonieën die iedere spanning ontberen. Gratsj deed op bijna aandoenlijke wijze zijn best om er toch nog iets van te maken, maar zijn viooltoon bleek te eenzijdig en zijn intonatie te wankel om te kunnen imponeren.

Als dirigent bewees Svetlanov echter opnieuw een meester in het herscheppen van andermans werken te zijn. Fenomenaal was de spanningsopbouw van zijn sensitieve en genuanceerde aanpak van Vorspiel und Liebestod uit Wagners Tristan und Isolde. En tijdens de enerverende uitvoering van Tsjaikofski's Pathétique inspireerde Svetlanov het Residentie Orkest tot een gloeiende sonoriteit, een intense muzikale betrokkenheid en een maximum aan instrumentale verfijning.