Raskolnikov in Harlingen

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: Meneer Visser's hellevaart (1936)

Een dag uit het leven van een pestkop. Wim Visser heeft een hoop geld geërfd en gaat daarmee, en met zijn slaafse vrouw, in een klein Fries stadje wonen om zich daar geheel toe te leggen op wat hij het liefste doet: mensen pesten. Natuurlijk is Wim in zijn jeugd zelf ook gepest.

Zijn makkelijkste slachtoffer is zijn vrouw. Hij pest haar niet alleen voortdurend, hij schept over die pesterijen ook op tegen het herenclubje, waarmee hij in de deftigste kroeg van de stad borrelt. Maar hij heeft nog andere slachtoffers op het oog. De vader en de moeder van Anton Wachter bijvoorbeeld, die in acht andere romans van Vestdijk de autobiografische hoofdpersoon is, maar die hier als tienjarige aan de hand van zijn moeder even komt kijken en die een grote bewondering heeft voor meneer Visser, omdat die zulke gekke gezichten kan trekken.

De vader van Anton heeft op koninginnedag een optocht georganiseerd en meneer Visser heeft twee asocialen omgekocht om die optocht in de war te sturen. Een van de twee heeft zijn opdrachtgever verraden. De roman opent met het bezoek van een agent die meneer Visser vraagt om in de namiddag bij de commissaris van politie langs te komen. Wij krijgen uitvoerig verteld wat meneer Visser die dag doet en vooral wat hij allemaal denkt.

Voor de avond van de dag heeft meneer Visser een uitgelezen pesterij bedacht voor de moeder van Anton die op bezoek komt, en die hij zó wil beledigen dat mevrouw Visser ook haar laatste vriendin kwijtraakt.

Door middel van een mysterieuze dienstbode, de enige persoon op wie Visser geen vat krijgt, komt Visser in het bezit van een troef tegen de commissaris van politie, die hij bekwaam uitspeelt zodat zijn koninginnedagpesterij geen gevolgen voor hem heeft.

Het klinkt als een boertige klucht en dat is het ook.

Meneer Visser's Hellevaart is het komischte boek van Simon Vestdijk. Wij genieten van de pesterige gedachten en daden van de hoofdpersoon. Die houdt zo van pesten dat hij ook met genot blijft kijken als schoolkinderen een oud vrouwtje sarren. Als de lezer dit leest, begrijpt hij dat hij, met zijn leesgenot over de daden en gedachten van meneer Visser, geen haartje beter is. Dat is de moraal voor de lezer. Krijgt meneer Visser ook nog zijn gerechte straf? Of is hij geëxcuseerd door zijn zure jeugd? Dat zijn de verkeerde vragen.

Meneer Visser's Hellevaart verscheen in een tijd dat in Nederland niets kon. Het boek werd vies gevonden en het droeg zeker bij aan het ontslag dat Vestdijk kreeg als letterkundig redacteur van de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Menno ter Braak schreef dat uit het boek bleek dat Vestdijk anaal gefixeerd was. Het tegendeel is natuurlijk het geval: Vestdijk was zo weinig gespecialiseerd in gekkigheden dat hij met gemak ook een hoofdpersoon kon beschrijven die anaal gefixeerd was. Heel Nederland vond schrijven over aambeien, poepen, wc's erg vies.

Er wordt over dit wondergrappige boek altijd op de verkeerde manier geschreven. Altijd wordt Joyce erbij gehaald en gedaan of het boek een navolging van Joyce is. Inderdaad had Vestdijk net uitgebreid over Joyce geschreven. Inderdaad gebruikt Joyce de interieure monoloog, speelt zijn roman zich ook in één dag af, en komt er een wc in voor. Maar dat zijn toch geen dingen die Joyce voor het eerst in de romanschrijverij heeft gebracht?

Als je toch aan beïnvloeding door buitenlandse schrijvers wil denken, dan komen twee andere boeken, hoe verschillend ze onderling ook zijn, eerder in aanmerking: Misdaad en Straf (1866) van Fjodor Dostojevski en Alice in Wonderland (1865) van Lewis Carroll.

De koortsachtige hersenschimmen van Raskolnikov, die zichzelf al straft voor zijn moord voordat hij zich bij de politie aangeeft, lijken op de nachtmerrie die meneer Visser aan het eind van het boek heeft. In die droom komen alle thema's van het boek tezamen en krijgt meneer Visser, die een bewonderaar is van Robespierre, als hij al niet Lodewijk de Veertiende is die op zijn kakstoel audiëntie houdt, de wrekende doodstraf toegediend.

Is dus Meneer Visser net als Raskolnikov door zijn eigen geweten gestraft? Helemaal niet. Want als meneer Visser wakker wordt, herinnert hij zich van die hele droom alleen nog maar dat er een wit konijn in voorkwam. Dat witte konijn doet de lezer natuurlijk aan Alice denken, die in haar droom ook allerlei onzinnige aanklagers en rechters ziet optreden.

Alice is door haar droom allerminst gestraft. En ook van meneer Visser denken we niet dat één zo'n nachtmerrie hem zijn leven als pestkop zal doen opgeven.

Het is grandioos wat Vestdijk hier met de lezer uithaalt. Niet alleen krijgen we de intiemste gedachten van meneer Visser te lezen, we krijgen ook nog een precies verslag van een lange droom, een droom die de hoofdpersoon notabene totaal vergeten is als hij wakker wordt! Zou Vestdijk hier inderdaad Dostojsevski belachelijk hebben willen maken en alle droombeschrijvers voor en na hem? Het lijkt me niet uitgesloten. Joyce is dan een vals spoor van de pestkop, die Vestdijk ongetwijfeld zelf ook was, zoals hij van al zijn hoofdpersonen wel iets heeft.