Nut langere verjaringstermijn van zedendelicten betwist

Per 1 september is de verjaringstermijn van zedendelicten verruimd. De sociale hulpverlening verwacht er weinig heil van.

ROTTERDAM, 17 SEPT. De verruiming van de verjaringstermijnen van zedendelicten doet slachtoffers meer kwaad dan goed. Dat vindt de psycholoog en onderzoeker van Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek, prof.dr. J. Frenken.

“Vanuit het rechtsvaardigheidsbeginsel is het goed dat de wet gewijzigd is maar in de praktijk ben ik bang dat het voor de meeste slachtoffers op een teleurstelling zal uitlopen,” aldus Frenken. Volgens hem weegt het moeizame proces van aangifte doen en verklaringen moeten afleggen nauwelijks op tegen de verlaagde kans op een veroordeling van de dader. “Dan is het slachtoffer nog verder van huis en zal er slechts plaats zijn voor woede en verbittering.”

Het Openbaar Ministerie (OM) hecht daarentegen veel waarde aan de verruiming van verjaringstermijnen. “Het was een lang gekoesterde wens van het OM”, zegt de Arnhemse advocaat-generaal mr. J.A. Hulsenbek, “omdat het onrechtvaardig was slachtoffers niet meer tijd te geven om aangifte te kunnen doen van seksueel misbruik.” Hulsenbek maakte het in de praktijk meerdere malen mee dat een slachtoffer naar huis moest worden gestuurd omdat de gebeurtenissen verjaard waren. Hulsenbek: “Of het tien of vijftien jaar geleden gebeurd is, maakt niet uit. Het gaat om verklaringen van het slachtoffer en die kunnen na verloop van tijd genuanceerder zijn.”

Tot voor kort was de verjaringstermijn, de tijd die verstrijken moet voordat een strafbaar feit verjaart, afgestemd op de dag waarop het delict gepleegd zou zijn. In zedenzaken varieerde de termijn van zes tot vijftien jaar. In de nieuwe wet is die termijn opgeschoven, dat wil zeggen de verjaringstermijn vangt nu aan op het moment dat het slachtoffer achttien jaar is geworden. Slachtoffers kunnen dan tot de leeftijd van 24, 30 of 33 jaar een klacht indienen of aangifte doen van seksueel geweld.

Uit het onderzoek van psycholoog N. Draijer, Seksueel misbruik van meisjes door verwanten (1990), is gebleken dat het verwerkingsproces van slachtoffers moeizaam en lang is. De herinneringen bleken vaak pas na jaren 'terug' te komen. Tegen de tijd dat zij een afgewogen beslissing konden nemen om (juridische) stappen tegen de daders te ondernemen bleek het delict verjaard. Nu zijn er meer mogelijkheden om aangifte te kunnen doen.

Vrouwen die staan te popelen om alsnog aangifte te doen, zijn terecht in de mogelijkheid gesteld dit te doen, aldus Frenken. Zelf zegt hij meer een voorstander te zijn van een sociale benadering van slachtoffer èn dader. “Gezamenlijk om de tafel gaan zitten met een hulpverlener en de zaak tot op de bodem uitpraten waarbij de vader de volle verantwoordelijkheid op zich neemt om zijn dochter te ontschuldigen.” Pas in uiterste nood, als ultimum remedium, raadt hij aan het strafrechtelijke pad te bewandelen. Hij meent dat bij de sociale hulpverlening meer genoegdoening voor het slachtoffer ligt dan na een proces waarbij de kans bestaat dat “het gigantisch veel overhoopt haalt maar uiteindelijk niets oplevert”.

Hulsenbek houdt vast aan de mogelijkheden die er wèl zijn om met succes een dader te vervolgen. “Je moet van de mogelijkheid die nu geschapen is niet een wonder verwachten maar het is een onderschatting te menen dat slachtoffers hier niets mee zouden opschieten.” Volgens Hulsenbek zijn er voldoende bewijsmiddelen te halen uit een goed politieonderzoek. Ook na vijftien jaar. “Dat de tijd de wonden heelt, gaat niet op bij incest. Het slachtoffer moet niet thuis blijven zitten en op voorhand zeggen dat het wel een verloren zaak zal zijn. Als er niet gezocht wordt, vindt men ook niets.”

Frenken is van mening dat er bij seksueel misbruik dat zich zo lang geleden zou hebben afgespeeld, bewijstechnisch nu juist zo weinig te bereiken is. “Daders zijn nog meer gehard om te ontkennen. Eventuele getuigen zijn de gebeurtenissen al lang vergeten en kunnen niet meer als steunbewijs worden gebruikt. En menig advocaat zal het slachtoffer betichten van een falend geheugen na twintig jaar.”

Het bewijsmiddel moet altijd van het slachtoffer zelf komen. “Het slachtoffer is zijn eigen kroongetuige,” zegt Hulsenbek, “Zij moet ervoor zorgen dat anderen weten wat er met haar gebeurd is. Dat kan een leraar zijn of een zusje, die toendertijd een zwijgplicht kregen opgelegd, maar later een belangrijke getuigen kunnen zijn. Dat is de enige raad die ik vanuit mijn positie kan geven.”