Niet coffeeshop maar overlast moet worden aangepakt

Worden de coffeeshops nu tot nul gereduceerd of wordt het gedoogbeleid gehandhaafd? Het tweesporenbeleid van Justitie heeft bij lokale overheden tot verwarring geleid. Volgens Frank Kuitenbrouwer kunnen de coffeeshops worden beteugeld zonder ze de nek om te draaien.

Menige plaatselijke overheid heeft zich de afgelopen zomer gestort op de coffeeshops waar softdrugs worden verhandeld. Het gevolg is voornamelijk verwarring over de doeleinden van het beleid: beperking van de overlast of het laten uitsterven van coffeeshops, het gericht weren van drugstoerisme of de beeldvorming in het buitenland?

Het gebrek aan richting strekt zich uit tot de instrumenten van beleid. Menige bestuurder klaagt over onvoldoende bestuurlijk-juridische middelen te beschikken. Maar de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) hield het er eerder dit jaar in een uitvoerig rapport op “dat er voldoende instrumenten zijn om eventuele problemen aan te pakken”.

Eind vorige maand betuigde het college van procureurs-generaal steun aan het streven de overlast te beteugelen, maar het hield de harde kern van het strafrechtelijk gedoogbeleid nadrukkelijk overeind. Dit is de inmiddels befaamde AHOJ+G formule (niet Afficheren, geen Hard drugs, beperking van Overlast, geen verkoop aan Jeugdigen + geen Grote hoeveelheden). Inmiddels is het beleidscollege publicitair ingehaald door een advies uit het eigen openbaar ministerie aan de minister van justitie om het aantal coffeeshops “tot nul te reduceren”.

De nieuwe minister van justitie Sorgdrager (tot haar benoeming één van de procureurs-generaal) is afkomstig uit D66, de partij die juist kiest voor het andere uiterste: “gooi alstublieft die hele softdrugsproblematiek eens overboord door legalisatie”, zoals de huidige fractievoorzitter Wolffensperger twee jaar geleden uitriep bij de behandeling van de justitiebegroting.

Het regeerakkoord wekt niet de indruk dat het kabinet-Kok een dergelijke vlucht naar voren zelfs wenst te overwegen. Internationaal gezien kost het Nederland al moeite genoeg de status quo overeind te houden. Deze gaat inmiddels ook al weer twintig jaar terug. In het midden van de jaren zeventig werd in de strafwet een onderscheid aangebracht tussen hard en soft drugs, het zogeheten tweesporenbeleid. De bedoeling was - en is nog steeds - de markten van soft- en harddrugs te scheiden en mede daardoor de risico's van het drugsgebruik zoveel mogelijk te beperken. Eigenlijk is het een dubbel tweesporenbeleid, want er wordt ook nog eens verschil gemaakt tussen handel en eigen gebruik.

Zelfs het voorhanden hebben van een kleine hoeveelheid softdrugs (tot maximaal dertig gram) bleef op grond van de internationale bepalingen een strafrechtelijke overtreding, maar dit wordt in beginsel niet opgespoord en vervolgd. Dat geldt ook voor een coffeeshop, bleek vorige maand in Amsterdam. Een coffeeshophouder die het liet aankomen op een strafzaak omdat dertig gram een onrealistische werkvoorraad is, werd ondanks alle evidente bezwaren door de politierechter veroordeeld.

De procureurs-generaal hebben in hun recente stellingname dit punt met opzet in het midden gelaten. Ze zeggen niet dat dertig gram ook voor de coffeeshophouder altijd de grens is, maar het stellen van een maximumgrens zou volgens hen neerkomen op “pseudowetgeving” en zoiets zou hen als rechthandhavers niet passen. Dit is een verlegenheidsargument. Hun bezwaar geldt evenzeer voor de reeds bestaande AHOJ+G-criteria maar is geen beletsel deze nu zelfs te formaliseren door ze neer te leggen in een richtlijn. De onwil om de geoorloofde werkvoorraad te specificeren is een teken van een onbestemd onbehagen dat het gedoogbeleid is uitgedraaid op “semi-legalisering”, zoals een beleidsmedewerker van het departement van justitie het met nauwverholen afkeer uitdrukte.

De klok laat zich echter niet terugdraaien. Het uitdrijven van de coffeeshops zou grote sociale risico's meebrengen voor jongeren die gewend zijn geraakt aan de - overigens nog altijd beperkte - “normaliteit” van cannabis. In zijn rapport stelde de VNG bovendien vast “dat de meerderheid van de coffeeshops geen significante problemen veroorzaakt”. Het waarschuwde voor ongewenste verplaatsingseffecten bij een te ongedifferentieerde aanpak. En het belangrijkste is dat de scheiding van markten nog steeds aardig stand houdt. Vergeet de zegeningen van het beleid niet, vermaande de huidige minister van binnenlandse zaken Dijkstal vorig jaar als kamerlid tijdens een groot drugsdebat.

Dat het Nederlandse drugsbeleid “relatief succesvol” is (aldus het regeerakkoord) vormt geen reden te ogen te sluiten voor de keerzijde. De coffeeshops zijn de 'huisdealers' uit de jeugdcentra van weleer voorbijgestreefd en terechtgekomen in de sfeer van het grote (zwarte) geld, de sfeer van de georganiseerde criminaliteit. Dat is echter geen reden de hele coffeeshopjeugd dan maar de straat op te jagen, maar veeleer te streven naar een beter grijpbare kleinschaligheid. Bijvoorbeeld door wel degelijk toegelaten voorraden voor bonafide coffeeshops vast te stellen, gecombineerd met gerichte actie tegen de grote aanvoerders en producenten. Dat maakt een gedoogbeleid nu juist mogelijk.

Het meest directe knelpunt blijft de aanpak van overlast - ontegenzeggelijk een probleem. Hier wreekt zich dat het lokale veiligheidsbeleid van oudsher ongemakkelijk ligt. Justitie en lokaal bestuur kijken elkaar op dit punt niet altijd recht in de ogen. En binnen het lokaal bestuur is de portefeuille openbare orde en veiligheid nog weer wettelijk apart gezet als primaire verantwoordelijkheid van de burgemeester - niet direct een hoofdpunt van de college-onderhandelingen na gemeenteraadsverkiezingen wanneer de beleidsprioriteiten worden vastgesteld.

Toch zijn er, zoals het VNG-rapport opmerkte, wel degelijk mogelijkheden voor beteugeling van de coffeeshops zonder ze allemaal de nek om te draaien. Hoofdzaak is dat plaatselijk duidelijke en realistische voorwaarden worden geformuleerd en vooral een consequent toezicht. Dat laatste is iets anders dan de spectaculaire doch incidentele politie-acties waarin het moderne politiemanagement het graag zoekt.

Gedogen blijft iets onbevredigends houden. In het geval van het drugsbeleid is daarvoor echter een goede reden. Nederland zit gevangen tussen internationale verplichtingen en nationale belangen. Wij moeten een dergelijke spagaat niet dramatiseren. Deze term werd ook gebruikt voor de spanning tussen de Atlantische en Europese oriëntatie in ons buitenlands beleid. En toch heeft Nederland die jarenlang gerekend tot een hoofdpunt van de nationale politiek.