'Mijn moeilijkste partij vocht ik in Suriname toen ik één jaar oud was'

Volgende week zaterdag is het zo ver. Dan komt de 27-jarige bokser REGILIO TUUR tegen Eugene Speed in de ring om de wereldtitel in het supervedergewicht. Bij winst gaat de deur naar miljoenen dollars voor de Nederlander open, zegt zijn Amerikaanse manager Stan Hoffman.

Een enkele keer verslikt hij zich bijna, zo snel praat hij. Soms komt er een Engelse term uit zijn mond, waarvan hij de Nederlandse betekenis even kwijt is. Dan zoekt hij, grote ogen opzettend, steun bij zijn pr-man Peter Blommaert. Regilio Tuur bekent dat hij enigszins ver-Amerikaanst is. “Kan ook niet anders, want ik woon eigenlijk al vijf jaar in de States weet je wel”, lacht de bokser vief. Gezeten aan een tafeltje in een hoek van zijn tijdelijke trainingshonk, een hotel in Rotterdam, ziet hij er allerminst uit als een genadeloze killer. Hij is klein, vriendelijk, bijna lief zelfs. Met zijn stoere vuisten veegt hij zijn gesprekspartner nu en dan over de arm, wanneer hij zijn gelijk wil onderstrepen.

De rillingen gaan door je heen als je bedenkt dat deze zelfde knuisten vandaag over een week een hoofd zullen bewerken. Dat van Eugene Speed, de 31-jarige Amerikaan die dan tegenover Tuur in de ring staat om de wereldtitel van de World Boxing Organisation, een van de vier grote internationale bonden. Tuur omschrijft zijn opponent als “bepaald geen kleine jongen”. “Op dit niveau kom je sowieso geen kneuzen meer tegen”, legt hij uit. “Speed bokst op de manier waarom de goeie Amerikanen vroeger al bekend stonden”, legt hij uit. “Hij beweegt heel veel en stoot vanuit een dansende tred steeds precies op het juiste moment. Hij is bovendien akelig snel en ervaren. In die elf jaar als prof heeft hij niet voor niets nog maar één partij verloren. Van Bernard Taylor, die er op een vreselijke manier de beuk in gooide, weet je wel.”

Bloed, zweet en tranen, ze zullen volgende week uitgebreid te zien zijn in het sportpaleis Ahoy'. En erger nog misschien: ook gescheurde wenkbrauwen en wie weet blauw geslagen ogen. “That's life, het hoort er allemaal bij”, beaamt Tuur, die herhaalt “groot respect” te hebben voor Speed. Nee, hij heeft geen poster van de Amerikaan in zijn hotelkamer hangen die hij voortdurend venijnig met pijltjes bestookt. “Ik zie een tegenstander als een man die je op een higher level brengt”, verduidelijkt hij. “Hij haalt het beste uit je wat in je zit weet je wel. Hij is het obstakel tussen mij en de overwinning. Natuurlijk, als de gong heeft geslagen moet hij twaalf ronden je grootste vijand zijn, anders wordt het niks, kun je beter naar huis gaan.”

Even vóór hij Speed te lijf gaat, zal zijn moeder zich bij hem melden. “Ze komt voor elke wedstrijd naar de kleedkamer, als ik met de voorbereiding bezig ben”, vertelt Tuur. “Ze wil me gedag zeggen en gerust stellen. Ze aait me dan over mijn bol. Dat doet me goed. Die vrouw betekent bijzonder veel voor me. Ze heeft vroeger in ons toch al zo grote gezin heel wat met me te stellen gehad. Kort na mijn geboorte had ik ernstige hartproblemen. Voor ik één jaar oud was had de dokter me zelfs al opgegeven. Toen ik het toch nog haalde en ik een breekbare kleuter was, vertelden de artsen mijn ouders dat ik later nóóit fysiek zwaar werk zou kunnen doen. Het was uitgesloten, maar ik heb me daar niet bij neergelegd, me daar fel tegen te weer gesteld. Het is op natuurlijke wijze genezen. Geen operatie dus.” Hij wijst grijnzend op zijn linkerslaap als hij vervolgt: “Ik denk dat de operatie hier is verricht.”

Tegen die achtergrond mag het volgens Tuur “een wonder heten” dat hij nog bokser is geworden. “En het is een nog groter mirakel dat ik nu zelfs om een wereldtitel mag strijden”, voegt hij daar aan toe. “Doorzettingsvermogen meneer, dat was de basis.” Tuur herinnert eraan dat hij in boksland heel lang niet erg serieus is genomen. Toen hij als jongetje de ring in wilde, weet hij nog, riepen allerlei critici iets in de trant van: “Dat wordt niets met die Tuur.” Woorden van gelijke strekking kreeg de pugilist uit Hoogvliet te horen toen hij in 1988 naar de Olympische Spelen van Seoul toog, waar hij de beroemde Kelcie Banks in de eerste ronde met een enorme dreun knock-out sloeg. Die opzienbarende actie in Zuid-Korea had naar zijn zeggen vreemd genoeg evenmin een grote opwaardering tot gevolg.

“In 1989 ging ik naar Amerika om het vak te leren weet je wel”, zucht Tuur. “Weer klonken er veel van die negatieve geluiden. Ik trok er me niks van aan. Je moet niet luisteren naar mensen die zeggen dat je iets niet kunt. Want dan krijg je de neiging te denken dat je het ook niet kunt. Roept iemand dat je iets niet terugvindt - en je neemt hem serieus - dan vind je het ook niet terug. Het valt me op dat vooral Nederlanders elkaar van die prietpraat voorhouden. Wat zou het toch zijn? Misschien menen ze hier dat je niet afwijkend, bijzonder, apart mag zijn. Zo van: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg, dat is echt Hollands. Als je je hoofd boven de brug uitsteekt, dan wordt het er gelijk afgehakt.”

Hij zegt “de mentale kracht” te hebben gehad zich daaraan te ontworstelen, waarbij hij is geïnspireerd door geschriften van Freud. “Freud heeft altijd beweerd dat het leven, alles wat er is, uit fases bestaat”, legt hij uit. “De eerste fase is de absolute ontkenning. Dat klopt, luister maar. Vele jaren geleden was er een man die zei: 'Ik ga daar een knopje maken, en als ik dat omzet krijg je licht'. Weet je wat ze met hem hebben gedaan? Ze hebben hem naar een sanatorium gebracht omdat ze dachten dat hij gek was. Een ander ging ooit tienduizend keer met een vlieger in de bliksem staan. 'Die is gestoord', riep iedereen in koor. Hij vond wel de electriciteit uit. Weer een ander zette een motor op een stuk blik en ging rijden. 'Geschift, die gozer', smaalden ze. Hij bedacht de auto. Toen Columbus eeuwen terug wegging voor een lange reis, wilde ze hem eveneens opbergen. Hij ontdekte Amerika.”

Tuur haast zich te melden dat hij niet met “deze beroemdheden” wil worden vergeleken. “Ik heb van hen alleen geleerd, zij gingen ook hun eigen gang. Ik ben en blijf een normale eenvoudige Rotterdamse jongen - voor zover die normaal zijn, ha-ha. Als iemand tegen me knikt, lach ik. Doet iemand lelijk tegen me dan word ik kwaad en als ze aan mijn familie komen ga ik huilen. Nee, slaan doe ik buiten de ring nooit. Of er zou iets héél, héél ergs moeten gebeuren.” Inmiddels is de supportersschare gegroeid. Er zijn desondanks nog volop toegangskaarten te koop voor het titelgevecht. Tuur hoopt dat Ahoy' vol zit, “want thuispubliek is verschrikkelijk belangrijk. Als je drie keer slaat en je mist, maar de toeschouwers gaan driemaal juichen, dan zie je die juryleden toch even aarzelend opkijken. Zo van: hebben we misschien iets niet gezien?”

Tuur is “vol vertrouwen” over de afloop van de confrontatie met Speed. Want hij is ervan overtuigd dat alles tot in de puntjes is geregeld. Zijn Amerikaanse manager Stan Hoffman, een vriendelijke grijze miljonair met een paardestaart, heeft de financiële zaken goed voor elkaar - de gages zijn overigens bekend gemaakt - en zijn trainer Hector Rocha, een Panamese ex-wielrenner en profgolfer, heeft zijn lichaam “in optima forma” gebracht. “Rocha is heel heel streng”, weet Tuur, “hij gaat ook op de training tot het uiterste. Zo hoort het ook. Buiten de partij moet je meer dan eens tot het uiterste zijn gegaan, anders ga je in de ring geheid op je bek. Letterlijk.”

Het laatste is Tuur tamelijk zelden overkomen. “Zou ik zeven keer achter elkaar zwaar verliezen”, vertelt hij, “dan stop ik ermee. Want ik ben zuinig op mijn lichaam. Boksen is een gevaarlijke sport als je er niet reëel mee bezig bent. Daarom laat ik me ten minste twee keer per seizoen uitgebreid medisch nakijken. In Nederland doen ze dat jaarlijks één keer (volgens de zogenoemde Matser-methode, red.), maar ik betwijfel sterk of die keuring wel zo goed is onderbouwd. Dat onderzoek lijkt meer op een IQ-test dan op een gezondheidstest. Wie tekort schiet moet afhaken. Waar zijn ze mee bezig? Op die manier mag je toch niet zomaar aan iemands kostwinning komen?”

Anno 1994 is geld “best belangrijk” voor Tuur. “Als een professional zegt dat hij het niet voor het poen doet, dan is hij een leugenaar. En akkoord, er gaan grote bedragen in deze wereld om.” Manager Hoffman roept zelfs dat “deze snelle, intelligente knokker Tuur aan het begin staat van een rijk leven”. “Wint hij van Speed, dan gaat de deur open naar vele, vele miljoenen. En dan praat ik in dollars, man. Reclamemensen en wedstrijdmanagers zullen in de rij staan, in Amerika en in Europa.”

De bokser: “Ik hoop natuurlijk dat Hoffman gelijk heeft. Ik ben zo vrij te zeggen dat ik het ook verdien, want ik heb er alles aan gedaan. Mijn hele leven lang. Altijd heb ik naar het hoogste doel gestreefd, en die heette de wereldtitel bij de profs. Als amateur was ik daarom al een heel ander type dan bijvoorbeeld Arnold Vanderlijde, ook een bekende jongen die nu is gestopt. Ik was een fighter, hij moest het hebben van zijn lengte, van zijn lange armen. Arnold was dolgelukkig er bij te zijn bij de Olympische Spelen, hij had geen ambities om prof te worden. Ik wel. De Spelen waren voor mij óók iets unieks, maar in wezen toch ook niet meer dan een springplank naar een carrière als beroepsbokser. Ik was een killer, nee, ik was niet echt gelukkig bij de amteurs. Het waren bijna altijd gevechten van maar drie ronden, gevechten van kat-tegen-muis.”

Volgende week zaterdag is de hele bokswereld op Tuur gericht. Het zal vast en zeker zijn meest besproken confrontatie worden. “Maar niet mijn lastigste”, laat de Nederlander daar op volgen, voordat Rocha hem voor de massage wegroept. “Want de moeilijkste vocht ik toch in Suriname, toen ik één jaar oud was.”