Franse zanger met de dood op de hielen; Mano Solo's stem krast, schuurt en is vluchtig

Het tiende festival van de Franse muziek in La Rochelle, Francofolies 94, wordt vanavond door TV5 uitgezonden. Tussen alle glitter en variété vormt de zanger Mano Solo een uitzondering: bitterheid, angst en vooral oprechtheid kenmerken zijn werk.

Vanavond, TV-5, 'Francofolies 94', 21.40-22.55u; cd Mano Solo: La Marmaille Nue, (Carerre Music, 4509-94122-2)

Francofolies 94 geeft een aardig overzicht van wat het Franse chanson te bieden heeft. Achttien zangers passeren de revue, waarvan de meesten, in Frankrijk althans, tot 'de groten' behoren: Patricia Kaas, Julien Clerq, Alain Souchon, Véronique Sanson. De selectie is wat conservatief, in die zin dat alleen zangers aan bod komen die optraden op het grote rockpodium. De jongere talenten, zoals Soon EMC of Les têtes raides, moesten genoegen nemen met kleine zalen, en zijn helaas buiten beeld gebleven.

Toch is er te midden van alle glitter en variété een zanger te vinden die uit de toon valt, in gunstige zin. Mano Solo heet hij, en in het programma is hij de vierde die aan bod komt. Het nummer dat hij zingt, La vie, c'est pas du gateau, maakt direct duidelijk dat het hem allerminst om de gein te doen is. Solo's muziek is doortrokken van bitterheid, van woede, van angst voor de dood. De instrumenten die hij gebruikt zijn eenvoudig, klassiek haast: piano, viool, accordeon, klarinet, trombone, gitaar. Zijn teksten zijn rauw, recht voor zijn raap, vol argot, maar bovenal oprecht.

Mano Solo windt er geen doekjes om. Hij is seropositief, en daar zingt hij over, met een hese, nerveuze en trillende stem. Een stem die gehoord wil worden. Acht jaar geleden kreeg Mano Solo het fatale nieuws te horen. Drieëntwintig was hij toen, een junkie met veel tekentalent. Een jongen die van plan was het helemaal te gaan maken in de wereld van de schilderkunst. Hij had net een expositie achter de rug in New York, en was illustrator voor diverse Franse bladen.

Het bericht veranderde alles. “Om goed te kunnen schilderen heb je tijd nodig”, vertelde Mano Solo in een gesprek dat ik onlangs met hem had in Montréal, waar een Canadese versie van de Francofolies plaats had. “Het kost tijd. Pas op je veertigste, vijftigste kun je een behoorlijk niveau bereiken. Ik besefte dat ik nooit zo oud kon worden, dus ik besloot van koers te veranderen. Ik ben gaan zingen. Ik zing slecht, ik kan geen noot lezen. Maar op de een of andere manier past het beter bij mijn leven. Het krast, het schuurt, het is vluchtig.”

Twee jaar lang stroopte Mano Solo met zijn gitaar de barretjes af, in en rond Parijs. Hij speelde voor drank, voor voedsel, voor geld, en bouwde in snel tempo een eigen repertoire op. Veertig liederen heeft hij inmiddels bij elkaar geschreven, en vijftien koos hij er uit voor een eerste cd, La Marmaille Nue. De teksten die staan afgedrukt in het cd-boekje, werden door hemzelf geïllustreerd. Het zijn Tardi-achtige schetsen van verloren individuen, kelen die opengescheurd worden, een maag waar ratten uitkruipen, lachende schedels.

“De angst is het ergste”, aldus Solo. “De angst om aids te krijgen, om het over te brengen, de angst voor de dood, de angst voor de angst die anderen voor je hebben. Het zijn vier verschillende vormen van angst, die je zicht op de liefde en de vriendschap compleet veranderen. De ziekte maakt dat je niet meer dezelfde bent. De mensen reageren anders op je. Stel je voor dat iedereen angst voor je heeft! Dat iedereen doet of hij je bloed kan ruiken. Stel je voor dat je een meisje ontmoet, dat alles goed gaat, dat je haar mooi vindt, dat je verliefd raakt, en dat als je teder wordt en je over je seropositiviteit begint, alles uiteenklapt. Het is me honderd maal gebeurd.”

Volgens Solo is zijn muziek een protest tegen de onverschilligheid. “Als men over aids praat, praat men alleen over condooms. Het echte probleem blijft verborgen. Het is altijd de aids van iemand anders, van iemand die men niet kent. Alsof de aids nog steeds een fantasme is, alsof het nog niet echt bestaat. Dat noem ik onverschilligheid.”

Het zingen geeft hem geen verlichting, zegt hij. Het verandert immers niets aan de situatie. “Als ik van het podium stap ben ik nog altijd even seropositief. Het lied voegt wel iets toe. Nu ben ik gelukkiger dan drie jaar geleden. Ik heb de aids in iets artistieks omgezet. Zingen is een goede reden om nog hier te zijn. Aan de dood kun je niets veranderen. Maar wat je nog rest om te leven, dat kun je veranderen, daar kun je je voor inzetten.

“Ik ben niet wanhopig, ik ben lucide. De kracht, de energie die me voortdrijft heb ik altijd, de hele dag. Ik ben een modern mens. Modern zoals Filippides dat was, de eerste marathonloper. Hij was de eerste die stierf omdat hij snel, moordend snel moest gaan. Hij liep omdat hij moest lopen, met de dood op de hielen. Zo ben ik ook. Een zanger die zingt omdat de dood hem op de hielen zit.”