Frank Govers over geld, liefde en de koningin: Ik ben de enige in Nederland die de kar van de haute couture trekt

De Nederlandse couturier Frank Govers is weer helemaal terug. Deze week presenteerde hij zijn nieuwe collectie. Het Haags Gemeentemuseum bekroont binnenkort Govers' 35-jarige carrière met een overzichtstentoonstelling. 'Het was een eenzaam avontuur. Maar in Parijs zou ik de kneuterigheid van Amsterdam hebben gemist.'

“Een half jaar geleden dacht ik: ik hou ermee op, ik kan mijn leven nuttiger besteden. Ik was bezig met de afsluiting van een rouwproces. Bovendien zei mijn internist: Ik moet u op het ergste voorbereiden, u heeft de ziekte van Hodgkin. Toen dacht ik dat ik de pijp uitging. Dan gaat de deur dicht, besloot ik. Ik verkoop die tent en ga lekker nog een beetje rondscharrelen. Een opvolger was niet voorhanden. Godzijdank bleek het een onschuldige Pfeiffer te zijn, die is weggeëbd door langdurig niks te doen.”

Frank Govers (62) is nu terug, met een nieuwe collectie die vorige week in zijn geboorteplaats Tiel voor het eerst werd getoond. Ondertussen bereidt het Haags Gemeentemuseum een overzichtstentoonstelling van zijn gehele oeuvre voor, die 1 oktober wordt geopend. Hij beschouwt het als de kroon op zijn 35-jarige loopbaan als mode-ontwerper. “Ik vind het fantastisch dat mij die eer te beurt valt. Het was een eenzaam avontuur, maar ik heb altijd geambieerd hier èchte haute couture te maken. Net als bij het werk van Dior en Chanel kan iemand met een geoefend oog ook bij al mijn kleding voelen en ruiken dat ik die heb ontworpen.

“Ik heb nooit op alle modieuze fronten willen meedoen. Ik heb met mijn kleding al die 35 jaar getuigd van een eigen visie, een sterke stabiliteit in smaak. Mannen appreciëren een bepaalde continuïteit in het uiterlijk van hun vrouw of vriendin. Bovendien: niets maakt een vrouw ouder dan als ze almaar meedraait met alle trends en grilligheden in de mode. Omdat ik iets begonnen ben dat nog niet bestond in Nederland, moet ik een sterke boodschap achterlaten. Straks, bij de opening van de tentoonstelling, op het uur der waarheid, zal iedereen zien wat ik heb bedoeld.

“Mijn werk is nooit krenterig of karig, je herkent het aan volume en koloriet, de manier waarop het geknipt is en trouvailles zoals de stof van de replica's van de Versailles-gordijnen. Je moet vindingrijk zijn om het boeiend te houden, zeker in dit kleine land waar iedereen erop gefocust is je de strot af te bijten. En waar het snob appeal ontbreekt. Franse vrouwen slaan elkaar bij de presentatie van de nieuwe Diorcollectie met de kroko-tas op de kop om op de eerste rij te zitten.”

Hij heeft zich bij het kleden van zichzelf evenmin iets van conventies aangetrokken, stelt hij in zijn weelderige appartement in Amsterdam tevreden vast. “Zelfs in mijn diensttijd liep ik met te strakke broeken, schoudervullingen in mijn battledress en handgenaaide handschoenen van de Bonneterie. Ze wisten niet wat ze met 't kreng aanmoesten en stuurden me naar een opleiding voor contraspionage in Harderwijk. Kritiek hoorde ik niet; het interesseerde me geen reet wat een ander ervan vond.”

Begin jaren zestig werd Frank Govers door Max Heymans, Benno Premsela en Jan Bolkestein (de broer van Frits) opgehaald uit Den Bosch, waar hij in een modehuis werkte. “Ze kwamen met een groene deux-chevaux. Ik was daar een soort dorpsgek geworden. Men roddelde en ouwehoerde over me en stootte elkaar aan als ik in een onbewaakt moment van zwakzinnigheid de Sint Jan binnen stiefelde om met een fluwelen jasje aan de hoogmis bij te wonen.

“Amsterdam bruiste en ik kreeg meteen een fantastische baan bij modehuis Kraus en Vogelzang. Ik heb met handen en voeten genoten van die tijd. Ik heb me nooit bezondigd aan rotzooi als heroïne. Wel had ik jarenlang LSD in huis, maar van gebruiken kwam het nooit. 's Zomers gingen we altijd naar Ibiza, waar ik nog met de kapper Mario in de bak heb gezeten. Zijn moeder vond mij de aangewezen persoon om hem in het gareel te houden. Hij was een van de eersten die zwaar aan de rotzooi was. Zijn hart heeft het begeven. Er zijn al veel jongens van mijn leeftijd de pijp uit.

“Je zou het burgertruttigheid kunnen noemen, dat ik niet overal aan mee wilde doen. Maar ik wilde scoren, was bezeten van succes. Dan kan je niet elke nacht om zes uur 's ochtends laveloos een nichtentent uitwandelen. Ik wil niet als een prima donna om elf uur in mijn atelier boven water komen. Als iedereen zich de pestpokken naait is niks zo frustrerend als te horen dat de boel weer uit elkaar moet.”

De homoseksualiteit speelde zich nogal in het verborgene af.

“Ja, je had besloten clubs. Alleen op de Zeedijk, bij Bet van Beeren, kon en mocht alles. Zij had schijt aan alles. Nu zien we de keerzijde van de medaille. Als je nou niet op je kop staat of in het leer gekleed gaat, tel je niet mee. We zijn erg doorgedraaid met z'n allen. Iedereen ruikt goud, de homofiele medemens wordt vaak op een belachelijke wijze te gelde gemaakt. Er worden nu speciale homobeurzen georganiseerd, waarin ze verkeerde roze bankstellen aan de man brengen, georganiseerd omdat homo's een betere smaak zouden hebben. Dat slaat als kut op Dirk. In iedere groep zijn evenveel zeikers en smakelozen.

“Ik had de poen in mijn zak en hoefde niet hoerig in een spelonk te wachten tot iemand mij een borrel aanbood. Benno richtte zich met het COC op mensen die niet zo'n geluk hadden en acceptatie nodig hadden.” Financieel is het Govers niet altijd voor de wind gegaan. “Een boutique in de Van Baerlestraat heeft mij bijna de kop gekost. Om een faillissement te voorkomen heb ik een schitterend huis aan de Weteringschans verkocht. Heb ik nog altijd spijt van. Zeven jaar woonde ik daar. Gaf grote feesten, met tweehonderd man en op iedere etage een orkest. Dolle tijd.”

U bent niet echt een zakenman?

“Nee, dat interesseert mij niet, dat is een zwakte. Nu heb ik daar verrukkelijke mensen voor. Dan komt er godzijdank nog eens een centje van de reclame binnen. Zo krijg ik de boel steeds weer voor elkaar. Ik vind het vanzelfsprekend als je uit Lalique-glazen drinkt en gesigneerd zilver hebt om mee te eten. Maar van een buiten hier en een huis daar zou ik doodongelukkig worden. Ik wil ooit nog verkassen naar een époque-huis aan de gracht, dat nog niet is aangetast door schrootjes en verlaagde plafonds. Maar de meeste van die huizen zijn totaal verklatscht, met ijzeren wenteltrappen, een boerderijsfeer en nagemaakte balken en tegels. Om misselijk van te worden.

“Ik heb nu geen financiële zorgen. Max Heymans leeft in grote schulden en de grootst denkbare armoede. Moet afwachten of hij in café Hoppe een biertje krijgt aangeboden. Nu maakt hij weer een collectietje, krijgt alles aangereikt door vriendjes. Zo zou ik het geloof in mijzelf geheel kwijtraken. Zelfs in mijn armoedigste tijd was ik nog te ijdel om een voorschot te vragen.

“Nu verblik of verbloos ik niet om voor een collectie drie, vier ton uit te geven. Twee keer per jaar draait het atelier wekenlang overuren. Dan komt er geen stuiver binnen. Mijn klanten weten dat ze dan even uit mijn buurt moeten blijven. Soms ga ik door de knieën voor een goede klant, vereerd dat zij mij verkiest boven Wathelet, een Belg die de koningin-weduwe en Paola kleedt, nogal aan de tut-hola-kant. Ik heb een keer samen met hem een collectie getoond. Toen verbaasde mij die ophef. Ik vond er geen bal aan, zeer middelmatig zelfs; Burda-achtig en ontdaan van die Belgisch, bourgondische frivoliteit.”

U zou graag het Nederlandse koningshuis willen kleden?

“Ik zou het een geweldige eer vinden. Het helpt je enorm vooruit. De Engelse koningin heeft haar hele leven Hartnell gedragen, die man is wereldberoemd geworden. De hele wereld weet dat Jacqueline Kennedy is getrouwd in een jurk van Valentino. Ik vind dat de koningin onderhand mij zou moeten vragen. De jurk die Juliana bij de kroning van Beatrix droeg vond ik een trouvaille, veel beter dan dat sinterklazenhabijt van Beatrix met die schepmouwen en die te ielige hermelijnjas. Op een beladen dag als de D-day-herdenking moet je niet verschijnen in een uitbundig zijden bloemenjurkje, een grote flaphoed, een verkeerde gele roos en een poncho-achtige affaire die in de wind aan alle kanten om het hoofd wappert.”

Nederlandse mode-ontwerpers hebben aan het hof geen goede indruk gemaakt, weet Govers. “Arnold Diepenveen was jarenlang de favoriete ontwerper van Juliana. Hij werd door prins Bernhard 'de klerenboer' genoemd. Diepenveen introduceerde zijn vriend, een taxichauffeur, als baron De Rothschild. Juliana bridgte met hem en vond het buitengewoon interessant, een èchte Rothschild.”

Wat stelt de Nederlandse couturemarkt op dit moment voor?

“Heel weinig. Ik ben nu de enige die de kar van de haute couture trekt. Rob Kröner is weggevallen evenals die arme Max Heymans. De kleren van Max hebben met al hun primitiviteit en beperkingen een enorme stijl, hij heeft ontegenzeggelijk smaak. Ik heb toch op zijn minst een miljoen aan kunst. En een eigen huis aan de gracht. Max heeft nog geen nagel om aan zijn toges te krabben. Dan hebben we Dick Holthaus: die is er ook mee opgehouden.

“Frans Molenaar hoort meer in de designersgroep. Hij mist dat sjeuïge, frivole dat haute couture moet hebben. Het is nogal zwaarmoedig gekreun, calvinistisch. Ik heb mijn wortels meer in het Katholische. En Edgar Vos heeft met zijn veertig boutiques zoveel sores aan zijn hoofd, dat de rest er zo'n beetje bij hangt. Ach, ze zijn van een totaal ander kaliber.”

Waarom dan nooit de stap naar Parijs of New York gewaagd?

“Het ontbrak mij lang aan voldoende zelfvertrouwen. De stap van Den Bosch naar Amsterdam was al een hele grote. Vanuit Amsterdam groeide ik naar een bepaald succes. Ik had de juiste mensen om me heen. En ik heb het juist hier willen maken, omdat destijds niemand wist waar couture over gaat. Wie zegt dat het me ook in Parijs gelukt was? Als er één volk wordt verziekt door chauvinisme dan is dat wel het Franse. Ik had samen met Guy Laroche een show aan de Champs Elysées. Dat was een ramp, een grote chaos. Mijn kleren lagen allemaal op de grond, schoenen werden over de rekken gegooid en de mannequins waren stomlazerus. Toen dacht ik: vanuit hier wil ik het niet.

“Ik heb een voedingsbodem gecreëerd waarin ik gedij. Ik heb de honderd trouwe klanten die ik nodig heb. Ik hoef geen allemansvriend te zijn, hoef niet het voetbalcircuit of de eendagsvliegenwereld in. Mijn klanten complimenteren mij als ik ze gekleed heb voor een huwelijk of een jubileum. Dat gemoedelijke, die typisch Amsterdamse kneuterigheid zou ik missen in Parijs. Ik zou daar verpieteren. Bovendien, Frans was bij ons thuis niet meer dan oui en non, dat was ook een barrière. Aan buitenlandse belangstelling geen gebrek. Volgende maand ga ik weer naar Dubai. Valentino vinden ze daar te duur, Lagerfeld niks aan. De ambassadeur zegt: 'De enige over wie ze nog steeds praten ben jij'.

“Mijn kleding is relatief goedkoop. Want vrouwen die er veel aan uitgeven, dragen het tot het praktisch uit elkaar valt. Liesbeth den Uyl zei tegen een klant, de burgemeestersvrouw van Leiden: 'Jij verpest de carrière van je man met die dure Frank Govers-kleren.' Toen zei Marjan: 'Al die prullaria die jij altijd draagt kosten samen meer dan dat ene haute couture-jurkje waar ik jaren mee doe en mijn dochter ook nog wat aan heeft'.”

Voor de ramen van zijn zaak aan de Amsterdamse Keizersgracht heeft hij onlangs ijzeren rolluiken laten aanbrengen. “Dat eiste de verzekering, omdat ze negen keer waren ingegooid. Nu is het of je een bunker binnenstapt. Ik heb me er jaren tegen verzet, want het maakt de stad tot een getto. Men staat als apen door de tralies te gluren, iedereen pist door de gaten. Mensen hebben geen discipline en geen normen meer. Amsterdam verklatscht en verloedert, mijn huis heeft van onder tot boven onder de graffiti gezeten. We gaan hier met z'n allen naar de kloten.”

Het brengt hem op een beschouwing over Nederland in de afgelopen decennia. “Den Uyl heeft ons aan de rand van de afgrond gebracht, met dat vreselijke wikken en wegen en zijn filosofie dat iedereen met vakantie naar Torremolinos moet kunnen. Buitenlanders hier halen voor het vuile werk en zelf de neus ophalen om de wc's schoon te maken. Hij heeft die mensen aan hun lot overgelaten, ze laten verpieteren. Al slachten ze de ene kip na de andere en lopen ze met hoofddoeken zo groot als een beddelaken, ze hadden een volwaardige rol kunnen spelen in onze ooit bloeiende schoenen-, confectie- en stoffenindustrie.”

Met welke normen en waarden bent u opgevoed?

“Mensen in hun waarde laten, ze respecteren. Ik heb mijn ouders altijd als volwassenen gezien. Daar luisterde je naar. Nu worden de kinderen door de ouders opgevoed en omgekeerd. Soms kijk ik daar jaloers naar; mijn ouders waren nooit zo knuffelig. Mijn vader gaf me een hand in plaats van me goeienacht te kussen. De hippietijd was voor mij een openbaring, want eindelijk kon je elkaar eens aanraken.

“Mijn vader was net zo gedreven als ik. Zijn broers waren allemaal zeer geslaagd, met fabrieken en grote bedrijven. Terwijl hij de kost moest verdienen in een schoenenhandel. Daardoor had hij een enorm minderwaardigheidscomplex. Hij heeft zich suf gewerkt om al zijn zeven kinderen naar kostschool te kunnen sturen. Raakte helemaal in paniek als hij een of andere boerentrut nee moest verkopen. Mijn moeder zei dan gewoon dat ze maar ergens anders heen moest gaan. Die had het zakelijk inzicht.”

Frank Govers heeft ruim 25 jaar met een vriend geleefd, de Duitser Uwe Murau die twee jaar geleden overleed. “Hij viel hier in het nachtleven van de ene verbazing in de andere. Ik rende mijn benen onder mijn gat uit om hem dat te kunnen geven. Hij ging vaak uit met Mathilde Willink, die die ouwe maar op dat bovenhuis liet zitten. Die luxe en vrijheid kende geen financiële beperkingen. Ik wilde dat hij gelukkig was. En zijn geluk lag voor tachtig procent in handgemaakte schoenen in zes verschillende kleuren slangenhuid. Of een apeharen jas, of Cartierspullen. Als Uwe het in zijn kop haalde om een eenmalige Verdi-uitvoering in Egypte bij te wonen, of een première in New York, dan gingen we.”

“Hij was niet erg gelukkig, de laatste tijd. Zwaar op de hand. Mijn grote fout was dat ik hem nog steeds als een jongetje zag. Terwijl hij 45 was en bang om ouder te worden. Het werd een beetje een zorgelijk baasje. Hij kreeg reisefieber, was bang dat iemand zou inbreken en kon niet meer genieten van iets onverwachts. Hij was goudsmit, maar had verzuimd carrière te maken, wat ik hem verweet. En hij begon mij sterk in de gaten te houden. Ontzettend veel te drinken en met een enorme slok op mij verwijten te maken. Dat ik wat hij maakte niet mooi vond, bijvoorbeeld, en dat er voor zijn werk geen geld was. Hij had enorme faalangst, voelde zich in mijn schaduw staan. Ik zei dat hij zich niet ontwikkelde en dat ik daar dan niet duizenden guldens aan uitgaf.

“Het seksuele was een beetje weggeëbd. Het bekende slijtageproces. Hij had daar vrede mee, maar ik niet. Mijn onrustigheid en ondernemingslust op dat vlak leidde tot enorme complicaties. Je gaat fantaseren en liegen. Stiekem op reis iemand meenemen. Daar heb ik nu spijt van. Zo groei je sneller uit elkaar dan je lief is. Hij was bang om alleen te zijn, dat dan zijn hele leven in elkaar zou sodemieteren. Is ook gebeurd; twee jaar heeft hij alleen gewoond, maar hij kwam niet uit de verf. Ik zei: Uwe, kom maar weer terug, zo gaat het ook niet.

“Na zijn begrafenis dacht ik: Gelukkig weer eens alleen. Terwijl nu de kriebels weer komen om gezellig iets samen te doen. Liet ik van de zomer op Ibiza een vriendje overkomen, met wie ik al vier jaar een relatie had. Stond hij daar al met een verkeerd truitje aan op het vliegveld. Ik dacht: Godjezus, moet ik hier een week mee rondscharrelen? Er openbaarde zich ineens zo'n enòrm leeftijdsverschil, hij sprak een totaal andere taal. Ik leek opa wel die met zijn kleinkind op stap was. Hij wilde hoegenaamd niks. Ik heb hem weer op het vliegtuig gezet en gezegd: Ik wil graag een jongen met een paardestaart, dus kom nog maar eens terug als je haar twintig centimeter langer is.

“Ik was er uit gemakzucht aan begonnen, gewoon omdat het me werd aangedragen. In het begin voelde ik me wel gevleid, dat er iemand was die me zo vaak belde dat ik er misselijk van werd. Door met mij te dwepen hoopte hij iets in de mode te bereiken. Tot grote ergernis van die boerenpummels op de academie in Deventer. Ik was ook al uit gemakzucht naar Ibiza gegaan. Ik had het daar altijd leuk gehad. Maar toen ik er was dacht ik: Verdomme, waarom zit ik hier, terwijl drie meter verderop de kerk wordt gerenoveerd en ik mesjogge word van het kabaal. Dan kan ik mezelf wel voor m'n hersens slaan. Wat dat betreft mis ik Uwe, die altijd zulke fantastische reisideeën had.

“Een bepaalde geiligheid is eerder een handicap dan dat je er van opknapt. Mijn moeder zegt wel eens: 'Wanneer kom je nou eens met een leuke jonge arts of rechter thuis?' Ik zeg dan: 'Ma, die zijn allang dik onder de pannen.' Het is zo makkelijk gezegd: dat is nou een leuke vent voor je. Ik wil iemand met een zelfstandig vak, bij voorkeur niet in de mode. Ik wil niet iemand meer die 24 uur per dag om mij heen is. Maar iemand met zijn eigen vrienden, besognes en onhebbelijkheden. Geen cliché-schoonheid, dat interesseert me geen reet. Het mag een lange rietstengel zijn, met grote flaporen. Ik lig nog goed in de markt, maar voor iemand die dezelfde taal spreekt, met wie je aan twee woorden genoeg hebt, wordt de spoeling dun.

“Ik heb het nadeel dat er mensen om mij heen zwermen die met bekende mensen gefotografeerd willen worden. Ik ben gemeengoed geworden. Ik word gek van al dat uiterlijk vertoon, dat alleen maar gefocust zijn op de vraag of de leren broek wel strak genoeg zit. Ik ben iets zuiniger op mezelf. Voor dat nachtleven, de iT, heb ik geen belangstelling meer. Toch kan ik altijd zó doorlopen - al staat er een rij van hier tot Tokio. Dan moet ik op de foto met een of andere beroemdheid.

“Mijn makke is, al sta ik driehoog weggedrukt achter een pilaar, ik hoef maar één keer hand in hand met een type te staan en ze zeggen: Frank heeft een nieuwe vriend. Maar er komt onvermijdelijk een moment dat ze zeggen: We hebben geen zin meer in die ouwe nicht.”