Een leven vol verraad

Koos Groen: Als slachtoffers daders worden. De zaak van de joodse verraadster Ans van Dijk 292 blz., geïll., Ambo 1994, ƒ 39,90

'Als slachtoffers daders worden' is eind volgende week in de boekhandel verkrijgbaar

Ze was net 42 jaar toen ze, even na zonsopgang, op een koude ochtend in januari 1948 voor het excecutiepeloton stond. Geweren werden aangelegd, kort daarop klonken schoten. Haar lichaam werd snel daarna begraven op de Noorderbegraafplaats in Amsterdam. De avondkranten maakten in een paar regels gewag van de executie van Ans van Dijk, verraadster van tientallen joden.

In totaal werden na de oorlog in Nederland 39 mensen geëxecuteerd vanwege hun oorlogsverleden. Van die 39 was Ans van Dijk de enige vrouw. Ze was ook joods en lesbisch. Jaren geleden trok haar naam de aandacht van de publicist Koos Groen, auteur van verschillende boeken over de perdiode vlak na de bevrijding. Hij ging op onderzoek uit, bestudeerde onder andere de dossiers van de Bijzondere Rechtspleging, spoorde mensen op die haar hebben gekend om een antwoord te vinden op de vraag: waarom is een joodse lesbische modinette de enige vrouw die na de oorlog geëxecuteerd is. Zijn speurtocht heeft geresulteerd in het boek Als slachtoffers daders worden.

Ze werd geboren op kerstavond in 1905. Haar ouders, Aron van Dijk en Kaatje Bin, bewoonden een souterrain aan de Nieuwe Keizersgracht. In 1907 werd hun tweede kind geboren: Jacob. Kaatje Bin overleed in 1919, haar echtgenoot hertrouwde en in 1922 werd Maurice geboren. Vijf jaar later trouwde Ans van Dijk met Bram Querido. Het huwelijk was geen succes, ze gingen in 1935 uit elkaar. Of een verhouding met een verpleegster de directe aanleiding voor de scheiding was, blijft onduidelijk. Wel speelden vrouwen een steeds belangrijker rol in haar liefdesleven.

De inval van de Duitsers op 10 mei 1940, de maatregelen die op een geraffineerde manier de joden moesten isoleren, de strop die steeds strakker werd aangetrokken: het leven van Ans van Dijk werd er niet minder dragelijk om. Ze weigerde zich als jodin te laten registreren, droeg geen ster, verfde haar haar blond en wist een vals persoonsbewijs te bemachtigen op naam van Annie de Jong. Wel raakte ze haar dameshoedenzaak kwijt, Maison Evany, aan de Nieuwendijk. De zaak stond geregistreerd als joodse onderneming en in november 1941 moesten alle joodse textielzaken sluiten.

Haar vriendin Miep Stodel, met wie Ans van Dijk samenwoonde, vluchtte in het voorjaar van 1942 naar Zwitserland. Zelf belandde Van Dijk in de illegaliteit en hielp ondermeer joden aan onderduikadressen. In januari 1943 dook ze onder bij een gezin in de Marco Polostraat. Verraad door de vrouw des huizes leidde tot de arrestatie van Ans van Dijk op eerste paasdag 1943 door Pieter Schaap, rechercheur van het Bureau Joodsche Zaken. Op het bureau werd Van Dijk voor de keuze gesteld: of naar het Oosten of samenwerken met Joodsche Zaken. Ze zat in een dwangpositie. Ze besloot te gaan samenwerken met haar vervolgers en vanaf dat moment nam haar leven een dramatische wending.

Proces

Het aantal door Ans van Dijk verraden joden liep in de eerste weken na haar vrijlating op tot negen. Ze verraadde onderduikadressen en lokte haar potentiële slachtoffers onder het mom dat zij voor valse persoonsbewijzen of een onderduikadres kon zorgen in de val. Ze deed zich voor als Ans de Jong van de illegale organisatie Vrij Nederland. Kort na haar vrijlating probeerde ze ook een afspraak te maken met Louis Stodel, de broer van haar naar Zwitserland gevluchte vriendin Miep. Hij vertrouwde de zaak niet, kwam niet opdagen en heeft de oorlog overleefd. Met een bijna adembenemende precisie beschrijft Groen pagina na pagina hoe Van Dijk, die ook als cel-spion werd ingezet, haar slachtoffers in handen speelde van de bezetter. Aanvankelijk opereerde ze in haar eentje, vanaf juni 1943 werkte ze samen met Branca Simons, ook een joodse vrouw die voor dezelfde keuze als Van Dijk was gesteld: adressen van ondergedoken joden opsporen of als strafgeval naar het Oosten. Later voegde ook Rosalie Roozendaal zich bij hen. Door voor Joodsche Zaken te werken probeerde Roozendaal haar moeder voor deportatie te behoeden.

De invasie en de groeiende zekerheid dat Duitsland de oorlog zou gaan verliezen temperde de ijver van Ans van Dijk en haar collega's niet. De 'apotheose' had plaats in Zeist waar op 18 augustus 1944 twaalf ondergedoken joden door verraad in handen van de Duitsers vielen. Samen met haar medewerkers verraadde Ans van Dijk in de periode mei '43 tot augustus '44 145 mensen, 107 joden en 38 niet-joodse Nederlanders. Van de joden zijn er, aldus Groen, zeker 80 om het leven gekomen, van de niet-joden minstens vier.

Na de oorlog gaf Ans van Dijk als verklaring voor haar verradersrol haar enorme angst voor de SD. Groen schrijft dat de vraag naar het waarom alleen speculatef kan worden beantwoord. Hij legt niet zozeer de nadruk op de persoonlijkheid van de verraders maar op de aard van het systeem dat hen gebruikte. Over Ans van Dijk stelt Groen dat “haar behoefte aan continuïteit, haar wil om hier in Nederland te blijven groter was dan het medegevoel met haar lotgenoten.” Ook wijst hij op haar geldingsdrang als mogelijke verklaring voor haar fanatieke jacht op joden. “Dat moet een gevoel van macht hebben gegeven, dat de eenvoudige joodse lesbienne niet eerder had gekend.”

De laatste oorlogsmaanden bracht Van Dijk met haar vriendin Mies de Regt door in Den Haag. Vandaar verhuisde zij naar Rotterdam waar zij op 20 juni 1945 werd gearresteerd. Haar medewerkers en opdrachtgevers trof hetzelfde lot.

Twee jaar later, in februari 1947, begon voor het Bijzonder Gerechtshof in Amsterdam 'de zaak Ans van Dijk'. Op dat moment waren 34 gevallen van verraad bekend, Van Dijk werden er 23 ten laste gelegd. Ze bekende alle gevallen.

Even minutieus als Groen haar optreden tijdens de oorlog schildert, behandelt hij het proces tegen Van Dijk c.s. en deze aanpak gaat soms ten koste van de stijl. Hij vertelt het verhaal niet in eigen woorden na, hij baseert zich voornamelijk op de oorspronkelijke, in ambtelijke taal gestelde verslagen. Deze aanpak komt de authenticiteit wel ten goede.

Opmerkelijk in het verslag is de opmerking van de procureur-fiscaal mr. Gelinck: “Het moest Anna bekend zijn dat alle joden de weg opgingen naar de Duitse vernietigingsovens, immers de slachtoffers wisten het zelf ook.” Opmerkelijk omdat nauwelijks bekend was wat de joden te wachten stond nadat zij op transport werden gesteld. Pas met de bevrijding van de concentratiekampen drong de afschuwelijke werkelijkheid tot het Westen door. Gelinck eiste de doodstraf, waarna zij door het Bijzonder Gerechtshof ter dood werd veroordeeld.

De advocaat van Van Dijk, mr. Bottenheim, verzocht tevergeefs om een psychiatrisch onderzoek. In cassatie werd het vonnis bevestigd. Nu restte alleen gratie. In september 1947 kwamen bij de toenmalige minister van justitie, Van Maarseveen, twee verzoeken om gratie binnen: een betrof de zaak Van Dijk, het andere verzoek had betrekking op de gereformeerde verraadster Geessien Bleeker door wier toedoen meer dan 30 illegale werkers in Duitse handen waren gekomen en die ook als cel-spionne was opgetreden. Aan haar gratie-verzoek werd, zo blijkt uit de reconstructie van de discussies, nauwelijks aandacht besteed. Alle aandacht richtte zich op Ans van Dijk. De Bijzondere Raad van Cassatie schreef in de afwijzing van haar gratieverzoek onder andere: “De raad meent uwe majesteit tenslotte er nog eerbiedig op te moeten wijzen dat de naam Anna van Dijk in Nederland synoniem is geworden met jodenverraad.” Het kabinet volgde het advies. Geessien Bleeker kreeg gratie en werd in 1960 vrijgelaten. Op 8 januari 1948 tekende Wilhelmina het doodvonnis van Ans van Dijk.

Niet ten onrechte stelt Groen aan het einde van zijn boek de vraag of het joods-onvriendelijke klimaat direct na de oorlog in het nadeel van Ans van Dijk heeft gewerkt. Hij noemt het bijvoorbeeld opmerkelijk dat “de uitzonderlijke positie van joden in het algemeen en die van gearresteerde joden in het bijzonder” niet is meegewogen in de beoordeling van het gedrag van Ans van Dijk. Ze is niet te zwaar gestraft, schrijft Groen. Maar hij wijst er terecht op dat het niet goed valt te begrijpen “dat figuren als Aus der Fünten en Lages, die leiding gaven aan de deportatie van joden, hun leven behielden, terwijl men een slachtoffer dat om haar hachje te redden dader werd, executeerde.”

Rosalie Roozendaal werd in 1947 vrijgelaten, Branca Simons in 1959. De agenten van het Bureau Joodsche Zaken, die ter dood veroordeeld waren en gratie kregen, liepen in 1960 vrij rond. De twee agenten die wel werden geëxecuteerd waren Pieter Schaap en Abraham Kaper. Niet om hun werk bij het Bureau Joodsche Zaken maar om hun weerzinwekkende optreden na Dolle Dinsdag in Groningen waar zij verzetsstrijders mishandelden en executeerden.