Douglass North ziet nieuwe dreigingen voor rijke Westen

Hij heeft de ambitie een “revolutie” in de economische wetenschappen te ontketenen en de wereld een nieuwe 'Wealth of Nations' te schenken. Terwijl collega-economen zich vooral bezighielden met de prestigieuze economische modellenbouw richtte Nobelprijswinnaar Douglass North zich in de jaren zestig steeds meer op het verguisde terrein van de historische economie om zo rijkdom en armoede in de wereld te verklaren. North is volgende week kortstondig te gast in Groningen.

Zijn kamer op de campus van de Washington University of St. Louis is een pijpenla. Naast de boekenkast en een door de tand des tijds zwaar gehavend ijzeren bureau is nog net ruimte voor het kunstleren slaapfauteuil, waarop professor Douglass C. North elke middag een dutje doet.

De 73-jarige Nobelprijswinnaar is meteen klaarwakker, wanneer ik enkele malen op de deur klop. Voor een journalist uit Nederland heeft hij graag tijd gemaakt. Want 'The Seven Provinces' uit de zeventiende eeuw zijn in de publicaties van North hèt voorbeeld van economische groei en dynamiek.

De Zweedse koninklijke Academie in Stockholm kende hem (en Robert Fogel) vorig jaar de Nobelprijs voor de economie toe wegens de “vernieuwingen” bij onderzoek op historisch economisch terrein. Dat lijkt een understatement.

North keert terug naar de fundamentele vraag die de klassieke econoom Adam Smith zich in zijn beroemde 'Wealth of Nations' al stelde: waarom zijn bepaalde landen rijk en andere arm?

North: “Adam Smith is natuurlijk de vader van de economie, die het raamwerk heeft gelegd dat we in het algemeen nog steeds volgen. Hij geloofde, en daarin had hij gelijk, dat arbeidsverdeling en specialisatie, en dus het creëren van schaalvoordelen, de basis voor economische groei waren. Maar hij nam aan dat de juiste instituties aanwezig zijn, en dat is voor het grootste deel van de wereld niet waar. Ik begon te kijken naar instituties, naar kosten van de menselijke organisatie, dat wil zeggen naar de transactiekosten in de economie die met de economische specialisatie toenemen. Je moet een stap eerder beginnen dan het betoog van Adam Smith. Wat maakt dat je het goede institutionele raamwerk hebt, zodat je de doelstellingen van economische groei en welvaart kunt bereiken?”

Instituties zijn volgens North alle formele bepalingen, zoals wetten, en informele beperkingen, zoals gedragsnormen en gewoonten, die de randvoorwaarden voor het menselijk handelen vormen. Ook de wijze waarop deze regels en normen worden gehandhaafd, is onderdeel van het institutionele raamwerk in een samenleving.

North pakt uit een grote stapel papier de in Stockholm uitgesproken 'Nobelspeech', waarin hij zijn ideeën nog eens uit de doeken doet. “Het hele institutionele raamwerk is bepalend voor de prikkels die mensen in de maatschappij en in het bijzonder de economie krijgen,” zo onderstreept hij. Geen wonder dat North in Oost-Europa al jaren een veel gevraagd adviseur is. Zo was hij betrokken bij de opstelling van het 'vijfhonderddagen'-hervormingsplan van de Russische econoom Stanislav Sjatalin, dat overigens door de toenmalige president Gorbatsjov als te radicaal werd verworpen.

North veegt de vloer aan met de neo-klassieke economen. Het neo-klassieke resultaat van efficiënte markten gaat alleen op wanneer de transactiekosten nihil zijn. Zodra er transactiekosten zijn, dan doen instituties er wel degelijk toe.

Om zijn theorie te staven, onderzocht North in 1986 samen met een van zijn studenten hoe de transactiekosten zich in de Verenigde Staten hebben ontwikkeld. “Ik vond dat de kosten in 1870 nog 25 procent van het bruto nationaal produkt bedroegen en in 1970 al 45 procent. Dat wil dus zeggen dat ongeveer de helft van alle hulpbronnen in onze economie niet in de produktie zelf gaan zitten, maar in het 'smeren van de wielen' om het systeem draaiend te houden. Dat is een enorm groot getal en het neemt toe.” De omvang van de transactiekosten laat zich afmeten aan het groeiend belang van sectoren als handel en bank- en verzekeringswezen.

Terwijl collega-economen zich vooral bezighielden met de prestigieuze economische modellenbouw ging Douglass North zich in de jaren zestig steeds meer richten op het verguisde terrein van de historische economie om zo een verklaring te vinden voor rijkdom en armoede in de wereld. “Ik ging een jaar naar Europa om de middeleeuwen en het feodalisme te bestuderen. Met de theorie die ik in de vrije markteconomie van Amerika had opgebouwd, kon ik niet goed uit te voeten om een verklaring te vinden voor institutionele veranderingen.”

Zijn Europese ervaring bracht North tot de overtuiging dat in het institutionele raamwerk eigendomsrechten cruciaal zijn voor economische ontwikkeling. Hij wijst op de miljoenen jaren waarin de wereldeconomie geen enkele groei liet zien. De ommekeer kwam volgens North pas tienduizend jaar geleden toen jagers en verzamelaars omschakelden naar de sedentaire landbouw. Hierbij was niet, zoals velen denken, de overgang van de ene op de andere economische activiteit essentieel, maar de toekenning van exclusieve eigendomsrechten, die prikkelt tot produktiviteitsverbetering. “Dit is een niet onbelangrijk deel van de verklaring van de economische vooruitgang van de mensheid in de afgelopen tienduizend jaar,” aldus North die in dit verband spreekt van de “Eerste Economische Revolutie”.

De periode van moderne economische groei dateert pas van 250 jaar geleden. Dat West-Europa, en in het bijzonder Nederland en Engeland, koploper was in het groeiproces heeft North steeds gebiologeerd. In zijn boek The Rise of the Western World; A New Economic History - in 1973 geschreven met co-auteur Robert Paul Thomas - wijdt hij een heel hoofdstuk aan 'De Lage Landen'. Deze beschikten nauwelijks over natuurlijke hulpbronnen, maar zij ontsnapten door hun opmerkelijke economische opbloei niettemin als eersten aan de Malthusiaanse wetmatigheid van een maximale bevolkingsomvang.

North: “Om het succes van Nederland te begrijpen moet je terug naar de periode van de Bourgondische en Habsburgse regimes. Eerst kwamen steden als Brugge en Gent tot grote welvaart door handel in wollen stoffen. Maar lokale monopolies van bij voorbeeld de gilden deden de welvaartsbronnen opdrogen. De Bourgondische hertogen en later Habsburgse regeerders ontmoedigden die monopolistische praktijken en moedigden de groei van nieuwe industriële centra aan, waar buitenlandse handelaren en financiers uit Zuid-Duitsland en Noorditaliaanse steden welkom waren, door gunstige regelgeving en eigendomsrechten. In 1463 creëerde Philips de Goede een vertegenwoordigend orgaan, de Staten Generaal, dat wetten kon aannemen en over belastingen kon stemmen. De Bourgondiërs en Habsburgers werden beloond met een welvaartsniveau dat belastingopbrengsten genereerde die de lage landen tot het juweel van het Habsburgse rijk maakten.”

Juist omdat de handel, ofwel de 'transactiesector', voor Nederland, in het bijzonder Amsterdam, traditioneel de belangrijkste bron van welvaart was, hadden de autoriteiten er alle belang bij door concurrentie de efficiency te verbeteren en hiermee de transactieskosten te verlagen.

De economische voorspoed in de Nederlanden contrasteerde sterk met de teloorgang van de welvaart in het Spaanse rijk. North schrijft dat vooral toe aan de sterk gecentraliseerde Spaanse bureaucratie en de absolute macht van de vorsten, die hun financiële problemen trachten op te lossen door confiscaties van eigendommen en onredelijke belastingen. De gezagsuitoefening werd hierdoor voor handel en industrie ongeloofwaardig.

Om te verklaren waarom men in bepaalde landen wel voor efficiënte oplossingen kiest en elders niet, heeft North de economische vocabulaire verrijkt met enkele nieuwe termen, waaronder het nauwelijks vertaalbare 'beliefsystem' (letterlijk: 'geloofsysteem') en 'pathdependance' (letterlijk: 'pad-afhankelijkheid').

North: “Beliefsystems zijn gewoon de verzameling van ideeën die mensen hebben over hoe de wereld werkt. Het is een mengeling gezonde gedachten, in de zin dat ze enige wetenschappelijke basis hebben, misschien een heleboel onzin, en een paar vooroordelen. Het zijn beliefsystems die instituties creëren, in die volgorde.” Met 'pathdependance' doelt North simpelweg op de “machtige invloed” in samenlevingen van “gecumuleerde ervaringen” uit het verleden op het heden en de toekomst, dat wil zeggen dat de cultuur de sleutel vormt tot het begrip 'pad-afhankelijkheid'.

Ter illustratie van het laatste gebruikt North vaak het voorbeeld van Noord- en Zuid-Amerika. De Zuidamerikaanse landen hebben veelal eenzelfde soort regelgeving als de Verenigde Staten. Maar de lange traditie van caudillo's en bureaucratie maken dat goede regels niet direct grote economische welvaart genereren.

North wijst ook op de handelsactiviteiten in het Middellandse Zeebekken in de elfde en twaalfde eeuw. Handelaren uit Genua sloten moeiteloos transacties af, zonder dat zij de tegenpartij persoonlijk hoefden te kennen. Hun collega's uit de Islamitische wereld vormden veeleer een collectief netwerk van eigen groepscontacten voor 'persoonlijke ruil'. Volgens North wijst dit op een verschil in 'beliefsystem', en kan hierin een verklaring schuilen voor de verschillende wijzen waarop economische en politieke instituties zich in Europa en de achtergebleven Islamitische wereld hebben ontwikkeld.

In dit verband is ook de geloofwaardigheid van groot belang. Het succes van West-Europa is volgens North te danken aan de reeks van kleine veranderingen in de economische en politieke instituties in de afgelopen paar honderd jaar, die hebben gezorgd voor voldoende en stabiel vertrouwen.

Maakt het belang van instituties en culturele tradities en de moeizame wijze waarop deze zich aanpassen u niet erg sceptisch over de economische perspectieven in Rusland?

“Rusland is een gecompliceerd verhaal. Er is een strijd gaande tussen groepen met verschillende zienswijzen. Want er bestaat in dat land geen gemeenschappelijk 'beliefsystem'. Wat de Westerse economieën stabiel maakte is dat er een aantal fundamentele instituties op politiek en economisch gebied is, waarin de mensen geloven. Dat bestaat gewoonweg niet in Rusland en daarom zal het lange tijd duren om die graad van politieke stabiliteit te bereiken, waarin economische instituties zich kunnen ontwikkelen die werken.

Ligt dit in China erg anders?

“De Chinezen wisten beter wat ze deden dan de Russen. Na de culturele revolutie en het einde van Mao kreeg je een grote interne strijd. Een van de gevolgen ervan was de groeiende onafhankelijkheid van de regio's, vooral fiscale onafhankelijkheid. Lokale partijfunctionarissen, vooral in de kustprovincies, werden benaderd door zakenlieden uit Hongkong en Taiwan die zeiden, als jullie zorgen voor lage lonen, bescherming van eigendomsrechten zodat onze fabriek contracten kan aangaan, dan zal uw regio groeien en zult u zelf rijk worden. Dat is wat er in essentie gebeurt, het is een heel simpel proces. Maar op een zeker moment moet men beginnen de economie te integreren en je moet een rechtssysteem ontwikkelen. Nu bestaat het alleen op regionaal niveau maar verder is het een jungle, je hebt allerlei problemen met inflatie en macrobeleid. Ze hebben er nog geen enkel institutioneel probleem opgelost. Maar mogelijk is men in staat de problemen op te lossen, want de regio's worden steeds machtiger en zullen druk op Peking uitoefenen.”

Zeker sinds North de Nobelprijs heeft gewonnen, vindt hij aanmerkelijk meer gehoor voor zijn visie. “Het maakt een immens verschil,” beaamt hij lachend. Zo is North nu een geziene gast en adviseur bij de Wereldbank. “Men begint er nu te geloven dat 'institutionele economie' een sleutel vormt voor een beter ontwikkelingsbeleid. De Wereldbank is altijd gedomineerd door neo-klassieke economen. De beleidsaanbevelingen voor een arm land dienen zich dan vanzelf aan: zorg dat de prijzen juist zijn, en je krijgt juiste prijzen door prijs- en deviezencontroles te elimineren, je privatiseert activa en dan valt alles op zijn plaats. Ik heb denk ik duidelijk gemaakt dat dit maar een heel klein deel is van een veel complexer proces. De Wereldbank heeft waarschijnlijk 100 miljard dollar verspild door geld te steken in projecten zonder te begrijpen hoe ingewikkeld het probleem van ontwikkeling is. In veel Derde Wereldlanden zijn de transactiekosten zo hoog, dat er weinig van de grond komt.”

De wereld verkeert volgens North nog steeds in de “Tweede Economische Revolutie”, namelijk die van de vorming en verbetering van instituties. Het is volgens hem een misverstand te denken dat technologische vernieuwing de aanzet tot deze revolutie gaf. “Het is waarschijnlijk moeilijker een efficiënte economische organisatie te creëren. Technologische veranderingen zijn voor iedereen beschikbaar, als je de goede boeken maar leest. Ik ben het dan ook niet eens met Rostov die de industriële revolutie als de bron der dingen ziet. Dit was slechts een accelleratie van een ontwikkeling die al aan de gang was.”

Voor de rijke Westerse landen ziet North nieuwe dreigingen, nu de gevolgen van de Tweede Economische Revolutie nog steeds moeten worden verwerkt. “We hebben aan de ene kant een enorme produktiviteit en hoge groeicijfers, aan de andere kant hebben we een sociale structuur gecreëerd die extreem instabiel is. De stedelijke samenlevingen zijn dusdanig gegroeid dat er een gevoel van individuele onveiligheid en onvrede is ontstaan. Het is niet alleen de toename van criminaliteit, corruptie, maar ook de onzekerheid bij mensen over hun baan, die is verbonden met de wereldwijde economische interdependentie. Al die problemen, ook de bedreigingen voor het gezin in onze samenleving, worden weerspiegeld in scherp stijgende transactiekosten. En die zullen uiteindelijk de produktiviteitswinst teniet doen.”

Het brengt North tot de stelling dat “investeringen in de geloofwaardigheid” van regeringen meer dan economisch verantwoord zijn. “Door vergroting van de legitimiteit van het gezag, kun je mensen ervan overtuigen dat regels eerlijk zijn. Je hoeft dan minder kosten te maken om naleving af te dwingen.”

North beaamt dat hij zich met zijn economische studies heeft begeven op de raakvlakken van cultuurgeschiedenis, filosofie, sociologie, culturele antropolie en psychologie. De Nobelprijswinnaar is veelvuldig op reis om zijn visie uit te dragen. Volgende week is hij kortstondig de gast van Onderzoeksschool SOM (Systems, Organisations and Management) aan de Rijksuniversiteit in Groningen. Maar hij verwaarloost zijn onderwijstaak aan de eigen universiteit zeker niet. North is waarschijnlijk de enige Nobelprijswinnaar ter wereld die ook aan beginnende studenten les geeft, simpelweg omdat hij daar veel plezier aan beleeft. Zijn betoogtrant verraadt ondanks zijn leeftijd nog steeds een jeugdig enthousiasme.

Aan het slot van het gesprek vertelt North hoe hij zich nu heeft gestort op de cognitieve wetenschappen. Hij wil weten hoe bij de mens leerprocessen verlopen. North verheelt niet hoe weinig hij zelf eigenlijk nog weet. Tegelijk heeft hij de ambitie een “revolutie” in de economische wetenschappen te ontketenen en de wereld een nieuwe 'Wealth of Nations' te schenken.

Hij geeft me een recent paper, getiteld 'Shared Mental Models: Ideologies and Institutions'. Bepaald geen dagelijkse kost voor economen. Ter aanmoediging schrijft hij erop: “Hope you learn all you need”. Ik beloof hem mijn best te zullen doen.