Den Haag doet nog steeds lacherig over tv-verslaggevers; Had Brinkman karakterologisch meer op Nordholt geleken, dan was het heel anders met hem afgelopen

Ton F. van Dijk (Vaassen, 1962) en Steven de Vogel (Hilversum, 1956) zijn werkzaam als onderzoeksjournalisten, afgelopen seizoen voor KRO's Reporter, tegenwoordig voor de zaterdageditie van Brandpunt. Zij tekenden o.a. voor de reportages over het commissariaat van voormalig CDA-fractieleider Brinkman en de arbeidsvoorwaarden van de Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt:

“Had Brinkman karakterologisch meer op Nordholt geleken, dan was het heel anders met hem afgelopen. Die salaris-affaire interesseert Nordholt geen bal. Maar Brinkman zelf heeft de Arscop-kwestie enorm opgeblazen. Heel bombastisch heeft het CDA de aanval ingezet op de boodschapper, zonder de zaak zelf keurig af te wikkelen. Een nuchter crisisteam had de kwestie binnen twee dagen naar de marge kunnen verwijzen.

Je slikt wel even als zo'n massale aanval wordt ingezet, ook door journalisten die wij hoog achtten. Omroepen als de KRO en de NCRV zijn nu eenmaal besmet. Wij zouden niet de top van de journalistiek zijn. Van Nova en de VPRO neemt men wèl blind aan dat zij in orde zijn.

Hoe hoogdravend het ook klinkt, het is ons werk om de macht te controleren. En dat kunnen we alleen maar doen als we niet dagelijks op het Binnenhof rondlopen. Je moet afstand bewaren. In onze coalitie-maatschappij heeft iedereen belangen bij de ander. Het probleem van de Haagse journalistiek is dat negentig procent van de stukken voortkomt uit het circuit, het gebabbel. Interviews krijg je alleen maar toegewezen als je op goede voet staat met de autoriteiten in kwestie. Je bent gedoemd aan die cultuur deel te nemen. Iedere Haagse journalist krijgt bewust alle roddels te horen, op voorwaarde dat hij de code respecteert om ze voor zich te houden. Een Haagse journalist kan het zich niet permitteren dat de helft van de CDA-fractie niet meer met hem wil praten. Dat maakt Nederland heel kwetsbaar. Aan dat kleffe gaat de politieke journalistiek in ons land kapot. Daarom bestaat er in Nederland ook niet of nauwelijks een traditie van onderzoeksjournalistiek. Je moet het niet als een complot zien, het is een cultuurprobleem.

Bovendien wordt in de Nederlandse journalistiek de opkomst van de voorlichters zwaar onderschat. Tegenwoordig presteert een voorlichter van een ministerie het om te zeggen: het is niet ons belang om u daar mededelingen over te doen. Tien jaar geleden was het nog volstrekt vanzelfsprekend dat een overheid openheid van zaken gaf. Voorlichters zijn wel altijd bereid je off the record te informeren. Daarmee compromitteren ze je en maken ze je monddood.

Nog steeds wordt in Den Haag een beetje lacherig gedaan over televisie-verslaggevers. Die doen de hele week wat anders, kennen de weg niet, hebben geen contacten, weten niet wat er speelt en komen op hun uitzenddag nog even op het Binnenhof een quootje halen. Wij hebben van die nood een deugd gemaakt. Wij maken gebruik van het feit dat we geen contacten hebben.

Researchjournalistiek op de televisie is een betrekkelijk nieuw fenomeen. Wij krijgen de kans om vier weken zonder camera op stap te gaan. Dat schijnt ongekend te zijn. Normaal gesproken gaat er meteen een camera mee, heb je een voorgesprekje van tien minuten en dan hup: draaien. Wij verkeren in een pioniersfase. Ons probleem is dat wij voor ons soort verhalen niemand voor de camera krijgen. En anonieme bronnen en documenten staan haaks op het medium televisie. We zoeken naar technieken om dergelijke zaken te visualiseren. En daarmee maken we ons kwetsbaar. Je kunt wel afgeven op de Daimler en de haasjes in onze uitzending over Brinkman, maar niemand heeft gezegd hoe we het wèl hadden moeten doen. We hadden alleen maar tekst, tekst en tekst.

Ook de juiste toon moet nog worden gevonden. Fons de Poel, onze eindredacteur, heeft aanvankelijk bewust gekozen voor een polemische toon. Je zult merken dat dit seizoen de toon rustiger is, minder opgeklopt. Je zult minder toeters en bellen tegenkomen. We willen back to basics.

Voor onderzoeksjournalistiek heb je fantasie nodig. Een tip levert hooguit twee keer in tien jaar iets op. Het is altijd je fantasie die je voortdrijft. Negentig procent van de journalisten kon zich niet voorstellen dat iemand als Brinkman commissaris zou zijn bij een frauduleus bedrijf.

Fantasie is grappig genoeg wel enorm ontwikkeld bij de andere partij. Van Thijn is er inmiddels van overtuigd dat het Nordholt-verhaal is ingestoken en spreekt van een weloverwogen timing. Wil je weten hoe dat is gegaan? Het onderwerp stond al máánden op ons programma. Volgens de vreemde Hilversumse gewoonte hadden we in de zomer geen uitzending. In de eerste week van augustus hadden we het verhaal bijna rond. Maar omdat ik mijn nieuwe huis moest schilderen, wilde ik de uitzending een weekje uitstellen. Ton bleek dat volgende weekend echter een trouwerij in Friesland te hebben. Toen heb ik dat schilderen even opgeschoven. Dat speelde dus net voor de afronding van de kabinetssformatie. Als Ton niet naar die bruiloft had gemoeten, dan hadden we het verhaal een week later gebracht en was Van Thijn misschien wel minister geworden. Het klinkt misschien wat naïef, maar wij verkeerden in de veronderstelling dat Van Thijn geen serieuze ministerskandidaat meer was. Maar het had ook niet uitgemaakt. De timing had niets met de kabinetsformatie te maken. We begrijpen Van Thijns behoefte overigens wel om er een complot achter te denken. Hij wil natuurlijk met enige grandeur sneuvelen.

Met onze vorm van journalistiek bots je altijd met het establishment. En dat establisment is in Nederland volstrekt met elkaar verbonden. Sinds de uitzending over Brinkman moeten wij anders te werk gaan. Ze loeren op ons. Wij kunnen ons geen fouten permitteren. We worden onder druk gezet. Mensen proberen ons te sturen, op hoog niveau. Op een gegeven moment zullen die tegenkrachten niet meer zo subtiel zijn. Je kunt dit werk hooguit drie jaar doen. Meer kunnen we niet zeggen.''