De uitvinding van de homoseksualiteit

Gilbert Herdt (red.): Third sex, Third Gender 516 blz., Zone Books 1994, ƒ 69.95

Het lijkt erop dat de Amerikaanse uitgeverijen de homomarkt ontdekt hebben. Sinds het succes van dikke bundels als Hidden from History en Lilian Fadermans Odd Girls and Twilight Lovers, waarvan tienduizenden exemplaren over de toonbanken gingen, is hier veel geld mee te verdienen. Het merendeel van de nieuwe uitgaven die op dit moment verschijnen wordt geschreven door Amerikanen. In veel studies worden romans, films en theaterstukken laag voor laag afgepeld op verborgen zienswijzen op homoseksualiteit. Het zwak van deze studies is dat zij slechts op zeer indirecte wijze iets kunnen vertellen over het homoleven in andere tijden en culturen. Wie daar een duidelijk beeld van wil hebben zal blij zijn met Third Sex, Third Gender, een bundel met tien bijdragen die gebaseerd zijn op langdurig antropologisch onderzoek en diepgravend historisch bronnenonderzoek. Bovendien zijn drie van de tien bijdragen geschreven zijn door in Nederland werkende auteurs, wat het Amerikaans monopolie enigszins doorbreekt.

De titel maakt gewag van een derde sekse. Deze bestaat natuurlijk niet in biologische zin. Het is een metafoor voor al die groepen die door hun eigen samenleving niet als manlijk of vrouwelijk gezien worden. Tot en met de jaren vijftig worden in het westen homoseksuelen wel aangeduid als 'de derde sekse', waarbij werd aangenomen dat de (mannelijke) homoseksueel enkele vrouwelijke lichaamskenmerken zou hebben en bovendien een vrouwelijke ziel zou bezitten. Andere samenlevingen kennen ook groepen die als een aparte sekse functioneren. Zo bespreekt Serena Nanda de zogenaamde Hyras in de huidige Indiase maatschappij. Hyras kleden zich als vrouwen, onderhouden relaties met mannen en leven samen in communes. Het aardige van Nanda's bijdrage is dat zij een helder en concreet beeld geeft van het dagelijkse leven binnen deze communes. Uit de levendige antropologische studies in Third Sex, Third Gender blijkt dat vele culturen de Westerse antipathie voor hun Derde Sekse niet delen. De historische bijdragen van Trumbach, Van der Meer en Hekma geven hier een verklaring voor die teruggaat tot het moment dat het gezin in het westen de dominante samenlevingsvorm werd. Deze studies behandelen opeenvolgende periodes uit de westerse homogeschiedenis en kunnen in successie worden gelezen.

Incomplete mannen

Het westen heeft niet altijd een twee-seksen model aangehangen. Volgens Trumbach was de maatschappij vóór de opkomst van het gezin dermate patriarchaal dat vrouwen gezien werden als onderontwikkelde, incomplete mannen. Op de hiërarchische ladder die naar de volwassen man leidde stond de vrouw onderaan en de jongen halverwege. Beiden waren potentiële passieve partners voor de volwassen man. In deze patriarchale wereld werd homoseksualiteit dan ook niet intensief vervolgd. Omstreeks 1675 wordt het gezin steeds meer de dominante samenlevingsvorm en groeit de waardering voor de vrouw in haar nieuwe rollen als echtgenoot, moeder en bewaarster van de huiselijkheid. Bovendien schreef de christelijke moraal voor dat het huwelijk gebaseerd moest zijn op liefde en kameraadschap. Dat alles bracht een meer gelijkwaardige verhouding tussen de seksen met zich mee. Met de ontwikkeling van vrouwen tot tweede sekse en het heteroseksuele huwelijk als de norm werden ook de fundamenten gelegd voor de sodomiet als derde sekse.

Sodomieten

Theo van der Meer beschrijft hoe na de opkomst van het gezin het aantal rechtszaken tegen sodomieten sterk toeneemt, vooral in Nederland. De predikanten schreven de armoede en de onrust aan het einde van de Gouden Eeuw toe aan de veelvraat, het kaartspelen en de hoererij waaraan de Nederlanders zich hadden overgegeven. Toen in 1730 een netwerk van 240 sodomieten ontdekt werd, werden zij tot symbool voor de zonden die de oorzaak waren van Hollands teloorgang. Zeventig van deze 240 sodomieten werden publiekelijk terechtgesteld en door de gehele achttiende eeuw heen vinden er in Nederland golven van vervolgingen en executies plaats, groter in aantal en wreder in strafmaat dan waar ook in Europa. Het is onder deze zwaar vervolgde sodomieten dat voor het eerst het geloof in een derde sekse onder woorden gebracht wordt. In 1776 verdedigt de sodomiet Jan Mulder zich voor de Amsterdamse rechtbank met de woorden: “Mannen die er aan vast zitten (aan sodomie) zijn als ermee geboren en zij kunnen van elkaar houden als man en vrouw.”

Gert Hekma beschrijft hoe dit geloof in de negentiende eeuw tot wetenschap geformaliseerd werd, met name door homoseksuele wetenschappers. Zo poneerde Ulrichs in 1864 als eerste de term 'Derde Sekse'. Hiermee hoopte hij de Duitse wetgevers ervan te overtuigen dat homoseksuelen een aparte biologische sekse vormen met evenveel recht van bestaan als de heteroseksuele sekse. Daartoe stelde hij een lange lijst kenmerken op waarmee de homoseksueel zich van de normale man zou onderscheiden. Naast aangeboren homoseksualiteit en feminien gedrag bevat deze lijst veel fysiologische kenmerken, zoals een afwijkende groei van de geslachtsdelen, borst ontwikkeling, een hoge stem en weinig baardgroei. Hekma beschrijft hoe de meeste van Ulrichs' collega's het verband tussen homoseksualiteit en vrouwelijkheid wel overnamen, maar zijn bewering dat homoseksualiteit aangeboren is niet of zeer gedeeltelijk. Dit gedachtengoed zou pas in brede kring aangenomen worden bij de aanvang van de twintigste eeuw, met name door het werk van Magnus Hirschfeld, de stichter van de eerste homo-emancipatie organisatie.

Hekma stelt dat de groeiende populariteit van de derde sekse in theorie voor homoseksuelen een Pyrrusoverwinning is geweest. Weliswaar heeft deze theorie voor miljoenen homoseksuelen de ogen geopend voor een eigen seksualiteit waarover zij zich niet schuldig hoefden te voelen. Voor miljoenen heteroseksuelen echter heeft het de homoseksueel gemaakt tot een wat zielig en verwijfd persoon die zeker niet bedreigend was voor het eigen gevoel van mannelijkheid. Wat de homoseksueel won aan onschuld, verloor hij aan viriliteit, karakter en geloofwaardigheid als man. De derde sekse-theorie gaf ook een wetenschappelijk excuus om homoseksuelen ver weg te houden van al die laat negentiende eeuwse ondernemingen waar mannelijkheid gecultiveerd en bewonderd werd. Sportverenigingen, het leger, de vakbonden, de koloniale clubs en de socialistische beweging royeerden hen uit hun rangen.

Homoseksualiteit en mannelijkheid bleven onverenigbaar totdat in de jaren vijftig en zestig de seksuele onschuld zelf uit de gratie viel. Sindsdien is de manlijke homo dan ook aanzienlijk vermannelijkt.