De tijd is niet ver meer

'Over vijf jaar typt niemand meer. Waarom zou je, als je ook tegen je computer kunt praten”, lees ik in de VPRO-Gids. De omroep heeft zich met een CD-ROM (de digitale gids) op het terrein van de interactieve multimedia begeven. “Brein achter VPRO's Digitale Gids is componist en computerdeskundige van het eerste uur Christopher Yavelow. 'Ik denk dat alles wat je je maar kan voorstellen op een gegeven ogenblik mogelijk zal worden door computers', zegt Yavelow.” Al een week of drie, vier drukt de Gids inleidingen tot de nieuwe wereld af. De belangstelling daarvoor is zo groot dat de telefoonlijnen naar Internet een poosje verstopt zijn geweest.

Met felle belangstelling volg ik alles wat digitaal is. Zodoende heb ik gemerkt dat je beter een fax kunt sturen dan een iemeeltje (een e-mail via de elektronische supersnelweg) maar dat kan aan de kinderziekten liggen. Het kan wel een halve dag of nacht duren voor je toegang tot het net van je verlangen hebt en dan is het nog de vraag of de geadresseerde de boodschap ook zal lezen (om een paar veel voorkomende frustraties te noemen). Maar ook ik voorzie: de tijd is niet ver meer (welke tijd is nog wel ver) waarin de aarde zal zijn omspannen door een supersnelwegennet van elektronische verbindingen, en dan, als we óók nog niet meer op een toetsenbord hoeven te tikken maar gewoon tegen onze computer praten, kunnen we ons suf lullen tot het einde der dagen.

Deze laatste zin was uit mijn toetsenbord voor ik het wist. Laat ik daarom meteen nog eens verzekeren dat ik de computer een zegen vindt, vooral de notebook met modem en alle netten waarmee je via het modem toegang kunt krijgen. Toch twijfel ik aan het perspectief van Christopher Yavelow: dat het praten het tikken op de toetsen zal vervangen. Misschien voor een deel verdringen maar dat is iets anders. Daarvoor heb ik twee verklaringen.

Zal er, als het zover is, nog worden gepraat, gesproken, in de betekenis die wij aan die woorden hechten: dat wil zeggen, gearticuleerd, in zinnen die een grammaticale structuur hebben en die, achter elkaar uitgesproken, weer een logisch, althans begrijpelijk geheel vormen? Wat is de toekomst van het spreken? Is de tijd niet ver meer waarin een beperkt aantal digitale neoklanken voldoende zal worden gevonden om elkaar met de eerste levensbehoeften lastig te vallen waarna iedereen het voor gezien houdt?

Ga eens in de tram zitten, dat miskende laboratorium van de postmoderne samenleving - of wie in mekka New York is neemt de subway - en luister naar de uitwisseling van neoklanken. Waar houdt het ene woord op en begint het volgende? Is de zin die A heeft uitgesproken werkelijk een antwoord op de laatste zin van B of zitten ze daar gewoon hun eigen ego te expresseren waarbij ze de lijfelijke aanwezigheid van de ander alleen als zichtbare rechtvaardiging nodig hebben, hoewel die aanwezigheid in werkelijkheid alleen maar virtual reality is? Dat vraag ik me weleens af tussen de Albert Cuyp en het Centraal Station. De mensen die ik afluister zien er niet uit dat ze op weg zijn naar hun aanspreekbare Apple notebook, maar meteen geef ik toe: ik gebruik nog ouderwetse identificatiemethoden. Dat is in deze redenering geen bezwaar. De doeltreffendheid van een aanspreekbare computer is regelrecht afhankelijk van het gezegde. Is dat kletspraat zoals negenennegentig procent van wat we allemaal dagelijks zeggen kletspraat is, dan neemt dat prachtige gereedschap van meer dan vijfduizend gulden voor ƒ 4999,99 kletspraat op.

Zo kom ik op de tweede verklaring voor mijn twijfel. Kan een computer denken (of is de tijd niet ver meer dat hij daartoe in staat zal zijn)? Ik heb altijd de indruk dat degenen die deze vraag stellen, iets anders bedoelen: i.d.t.n.v.m. dat de computer beter zal kunnen denken dan zijn gebruiker? Deze vraag beschouw ik als te horen tot de categorie Bestaat God? en Was eerst de kip er, of eerst, enz. Wie het zeker weet heeft meteen het antwoord. Ik ga er niet op in.

De vraag waar het mij om gaat luidt: Welk denken bedoelen we? Mijn eigen hersens raadplegend - omdat die bij zulke vraagstukken de beste bron zijn - kom ik tot, grofweg, vier soorten alledaags denken. Eerst het rommeldenken dat geluidloos dag en nacht doorgaat en waarvoor geen gereedschap als verlengstuk bestaat. Ik ken iemand die zich als kind een droomvideo heeft gewenst: een video die 's nachts zijn dromen zou opnemen zodat hij ze overdag kon afdraaien. Wie dat apparaat zal uitvinden (misschien i.d.t.n.v.m.) heeft de mensheid een van de grootste sprongen voorwaarts aller tijden laten maken: het gereedschap dat eindelijk het vrije nachtelijke rommeldenken zichtbaar zal maken.

Na het rommeldenken komt het spreekdenken. Aan het uitspreken van zinnen gaan minieme ogenblikken van intern beraad en organisatie vooraf en als het daarmee goed gaat brengt de spreker redelijk begrijpelijke volzinnen ten gehore. Niet zelden gebeurt het dat iemand zich iets anders hoort zeggen dan wat hij zeer zeer onlangs nog heeft gedacht dat hij van plan was te zeggen. Van president Ford is sarcastisch gezegd dat hij pas te weten kwam wat hij had gedacht als hij het zichzelf had horen zeggen. Ook zou hij zó dom zijn dat hij niet tegelijkertijd kon lopen en kauwgum kauwen. Goed beschouwd is het geen kritiek, want het eerste gebeurt van tijd tot tijd iedereen en van het tweede is het - even goed beschouwd - een wonder dat we ertoe in staat zijn. Maar kortom: het spreken voegt iets aan het denken toe.

Wie weleens vrij heeft geknutseld, niet volgens de handleidingen maar bezig datgene te maken wat hij zich in een vlaag van optimisme had voorgesteld, weet dat ook het doen iets aan het denken toevoegt: het weerbarstige materiaal corrigeert de illusie en terwijl dat gebeurt, zien we nieuwe mogelijkheden die we zonder te doen niet hadden kunnen verzinnen. Denken met de handen. (Dénis de Rougemont).

Dan komt het schrijfdenken: misschien niet de hoogste vorm van denken maar voor mij wel de leukste, om me dit ondoelmatig woord maar even te veroorloven. Het opschrijven van wat je min of meer hebt gedacht blijkt - vaak per seconde - zoveel aan het zojuist gedachte te hebben toegevoegd, dat je er zelf paf van staat. Dit paf is het plezier en de beloning, die ik, ook na zelfonderzoek blijf beschouwen als het unieke gevolg van het schrijfdenken.

In het schrijfdenken bestaat weer allerlei onderscheid tussen het penschrijfdenken, het machineschrijfdenken en het computerschrijfdenken, en al die verschillen kunnen we nog verder verfijnen. Maar hier gaat het om de onmetelijke afstand tussen het spreekdenken en het schrijfdenken tout court en ik betwijfel of i.d.t.d.n.v.m.i. de aanspreekbare computer daar een 'oplossing' voor zal blijken te zijn. Ik hou me aanbevolen als proefkonijn.