De pseudo-aardbei

De ware tuinierswijsheid, die van een plant uitsluitend op zijn merites te beoordelen, heb ik mij nog niet eigen gemaakt. Dat is misschien niet verwonderlijk, aangezien ik deze staat ook op andere gebieden nog niet heb bereikt: zo valt het mij bijvoorbeeld moeilijk mensen uitsluitend te waarderen om hun geest wanneer zij een wielrennersbroek dragen. Toen op een bepaalde plek in de tuin een nieuwe plant verscheen markeerde ik die in mijn hoofd als onkruid, iets wat over afzienbare tijd moest worden verwijderd, en meer niet.

De werkvloer van dit onkruid is een grote, cirkelvormige en tamelijk mooie oude vijver, gemetseld van cement maar helaas vol kloven en barsten en dus lek. Wanneer eenmaal onze tuin niet langer speelterrein zal zijn voor kleine kinderen zal deze vijver haar oorspronkelijke functie worden teruggegeven, maar voorlopig is deze potentiële valkuil nog gevuld met een mengsel van aarde en grind, afkomstig van elders. Er staan nu planten in potten: hibiscus, laurier, een Olearia en een klein roosmarijnstruikje; een groenblijvende bodembedekker is daaronder enthousiast bezig de bodem te bedekken en groen te blijven.

Dat is dat onkruid waar ik het over had; het kwam voort uit het niets en heeft in minder dan twee jaar de hele oppervlakte van de vijver bedekt. Toen het zich voor het eerst manifesteerde hield ik het voor een uitwas van de wilde aardbeien die in een naburige border groeien, maar dat bleek helaas een misverstand. Geen andere plant is op een zo uitdagende manier niet wat zij lijkt: hoewel zij de bladeren heeft van een aardbei, bloeit als een aardbei, en er ook aardbeien aan komen, is het een niet-aardbei, en kan zij alleen in ontkennende aardbeitermen worden beschreven.

Als kinderen haar ontdekken beginnen hun ogen te glinsteren: “Mag ik zo'n aardbeitje?” vragen ze, en dan moet ik steeds weer uitleggen dat die mals uitziende vruchtjes, zo verleidelijk rood en in zulke hoeveelheden, weliswaar niet giftig zijn maar de smakelijkheid hebben van een prop watten. Zelfs de vogels talen er niet naar. Sommige kinderen aanvaarden dit met berusting; anderen, de ongelovigen, proberen er een; daarna zijn ze het met mij eens. Het tergende is dat deze dubbelganger het hele jaar, van het vroege voorjaar tot laat in de herfst, uitbundig vrucht draagt; weinig dingen zijn zo tartend als een overvloedig aanbod van oneetbare aardbeien in September.

Nu verscheen zojuist het laatste nummer van The New Plantsman (Vol. 1, part. 3, Sept. 1994). Dit blad wordt gepubliceerd door de Royal Horticultural Society en specialiseert zich in serieuze tuinlectuur, met geleerde artikelen over de nomenclatuur van de wolfsmelk en kwesties als 'Notes on Polygala, especially Polygala chamaebuxus'. En zie, dit septembernummer blijkt een aquarel te bevatten van een zeer bekend uitziende plant; ook de bijbehorende tekst raakte een snaar in mijn hart. “Ik werd verleid door de vruchten: kleine, vuurrode aardbeitjes, maar zoals iedereen die ze geproefd heeft was ik teleurgesteld door hun schrale vruchtvlees en bijna totale smakeloosheid.”

Deze omschrijving is helaas ook een beetje van toepassing op het proza van dit artikel, maar het blijft verrassend je onkruid liefdevol beschreven te zien alsof het een echte tuinplant was. Dat kan het natuurlijk ook zijn, maar niet in de gangbare betekenis van het woord. De schrijver van het artikel, Stephen G. Haw, zag de Indian of Mock Strawberry, Duchesnea indica, voor het eerst op Mount Emei in Sichuan, een wel wat exotischer lokatie dan mijn afgekeurde vijver. Zij groeit over heel Azië, van Afghanistan tot Japan en zuidwaarts tot in India en Zuidoost-Azië, en is vooral sterk vertegenwoordigd in China; zij werd in Engeland geïntroduceerd in 1805.

Aanvankelijk werd zij voor een echte aardbei aangezien en Fragaria indica genoemd, hetgeen later in Duchesnea indica werd veranderd. Behalve de smaak is het voornaamste verschil dat de bladeren van de bijkelk veel groter zijn; ook zijn de bloemen geel in plaats van wit of roze.

Hoe ongelofelijk het ook mag klinken, Stephen G. Haw getroostte zich grote moeite om Duchesnea indica in zijn tuin te kweken. Het is gemakkelijk te telen uit zaad, rapporteert hij; zijn planten groeiden verbazend goed, “weldra lange uitlopers producerend, zodat ik nu net zoveel van de plant heb als ik wil en mij kan veroorloven stekken aan vrienden te geven.”

Leg dit naast de waarschuwing van Graham Stewart Thomas: “Pas op met Fragaria of Duchesnea indica. Vrienden zullen het U aanbieden, want het groeit drie meter in één seizoen, met lange uitlopers, reikend in alle richtingen, en zich overal wortelend (...) Het is een goede bodembedekker voor ruime oppervlaktes maar mag niet in een mixed border terechtkomen.” (G.S. Thomas, Plants for Ground Cover).

Maar de grootste ironie schuilt eigenlijk in de naam: Antoine Nicolas Duchesne (1747-1827) was een Franse botanicus en de schrijver van Histoire naturelle des fraisiers (1766, dus geschreven op negentienjarige leeftijd; een wonderkind: op zijn achtste jaar schreef hij al brieven aan Linnaeus). Het heeft iets diabolisch een nep-aardbei te noemen naar de man die zijn leven gewijd had aan de echte; alsof je Koning Midas wilde eren door zijn naam te geven aan een goudkleurige aluminium-legering.