'De kettingzaag moet in de Zweedse overheidsuitgaven'

STOCKHOLM, 17 SEPT. Op het hoofdkwartier van de Zweedse werkgeversorganisatie SAF is men er nog steeds een beetje beduusd van. In een gezamenlijk artikel schreven vier Zweedse topondernemers, de directeuren van Volvo, Ericsson, Stora en ABB, dat nieuwe investeringen in Zweden wel eens in gevaar zouden kunnen komen als de belastingen nog hoger worden. En onmiddellijk stond het land op zijn kop.

Jan Herin, als econoom werkzaam bij de Zweedse werkgevers, is nog altijd niet van de verbazing bekomen. “Wij wisten van het artikel in Dagens Nyheter, we waren er nauw bij betrokken, hoewel de vier directeuren zelf de uiteindelijke versie hebben vastgesteld. Het was tenslotte hun initiatief. Maar de brief was helemaal niet bedoeld als dreigement tegen wie dan ook. Hij was geadresseerd aan regering èn oppositie. Persoonlijk had ik al die negatieve reacties ook helemaal niet verwacht. Ook gisteravond toonden journalisten zich op de televisie er nog altijd heel verontwaardigd over.”

Door de timing van het artikel, een paar dagen voor de verkiezingen die morgen worden gehouden, wekten de vier directeuren bij velen de indruk een slag te willen toebrengen aan de sociaal-democraten. Die hebben in hun verkiezingsprogramma vastgelegd dat het investeringsklimaat voor het bedrijfsleven weliswaar dient te worden verbeterd, maar tegelijk niet uitgesloten dat bepaalde belastingen verder zullen worden verhoogd. Het effect van de brief van de vier werd afgelopen donderdag nog versterkt door een vraaggesprek met Peter Wallenberg, de machtigste industrieel van Zweden, in het blad Expressen, waarin hij waarschuwde dat het Wallenberg-concern “in het slechtste geval” wel eens gedwongen zou kunnen zijn zijn hoofdkwartier naar elders te verplaatsen, als er niet drastisch gekort wordt op de uitgaven in de publieke sector. Voor de Zweedse televisie zei hij dat het tijd werd om “de kettingzaag” in de overheidsuitgaven te zetten.

“Dat het artikel en de uitspraken van Wallenberg een negatief effect hebben, is natuurlijk jammer”, zegt Jan Herin, “maar hierdoor is wel de richting aangegeven die moet worden ingeslagen om de Zweedse economie weer gezond te maken. De kettingzaag - dat klinkt wel heel hard, maar de tijd van de kaasschaaf is echt voorbij. De Zweedse economie vertoont de eerste tekenen van herstel en het land heeft nu de kans om uit het dal te kruipen en weer echt aan de top te komen. Die kans moet nu gegrepen worden. Het moet weer aantrekkelijk worden om in Zweden te investeren, de rente moet flink omlaag. Ondernemers zijn niet het Rode Kruis of zo, bedrijven investeren niet omdat ze Zweden zo'n leuk land vinden.”

De laatste cijfers van de Zweedse economie zijn inderdaad hoopgevend. De inflatie is terugelopen naar 2,2 procent. De exportindustrie groeit als kool en de werkloosheid begint terug te lopen. Maar Zweden is er nog niet. Herin laat cijfers aandragen die laten zien hoe zeer de verhoudingen tussen de particuliere en de publieke sector zijn scheefgegroeid. In 1960 legde de Zweedse publieke sector beslag op 31,1 procent van het Bruto Nationaal Produkt. Voor de OESO-landen was dat toen gemiddeld 28,5 procent. In 1991 was het cijfer voor Zweden opgelopen naar 63,4 procent, terwijl het voor de OESO-landen gemiddeld gestegen was tot 41,4 procent. Voor dit jaar wordt gerekend dat 70 procent van het Bruto Nationaal Produkt in de collectieve sector zit, tegen 40 als gemiddelde in de OESO-landen, zegt Herin. Dat zijn wanverhoudingen, zeker als je bedenkt dat er in Zweden nooit bedrijven zijn genationaliseerd.

“Het probleem is dat wij in de loop der jaren de gezinnen gesocialiseerd hebben. Gemiddeld krijgt een Zweeds gezin dertig procent van zijn besteedbare inkomen van de overheid, in de vorm van kinderbijslag en allerlei voorzieningen, zoals pensioenen en uitkeringen. De gezinnen zijn afhankelijk van de staat geworden. Juist in die overdrachtsuitgaven zou flink het mes moeten. Als je de uitkeringen verlaagt, dan gaan de mensen weer echt naar werk uitkijken. Men is gewoon niet bereid zich in te spannen, want voor alles wordt gezorgd. Zweden sparen ook heel weinig, dat is men niet gewend. De particuliere besparingen in Zweden behoren tot de laagste van Europa. Pas de laatste tijd, nu duidelijk wordt dat uitkeringen naar beneden moeten, wordt men wat zuiniger.”

Herin noemt het opvallend dat het ziekteverzuim met de helft gedaald is sinds werknemers de eerste dag van hun ziekte zelf moeten betalen. Deze maatregel, die is ingevoerd door de centrum-rechtse regering van premier Carl Bildt, heeft naar alle kanten uiterst positieve gevolgen gehad. De mensen blijven niet zo makkelijk meer weg, als ze eens een weekeinde zijn doorgezakt. “Vroeger waren de Zweedse werknemers gemiddeld 26 dagen per jaar ziek, dat is gedaald tot vijftien”, aldus Herin. Bovendien zijn de bedrijven zich veel meer om hun werknemers gaan bekommeren, aangezien de werkgevers de volgende dertien dagen van de ziekte voor tachtig procent van het loon opdraaien. Er wordt nu veel sneller gebeld naar de zieke om te zien hoe het met hem gaat en dat wordt ook aan de kant van de werknemers als positief ervaren. Bovendien betekent de nieuwe wetgeving een aanzienlijke verlichting voor de collectieve sector, die vóór deze wetgeving vanaf de allereerste dag voor alle kosten opdraaide. Bovendien hoeven bedrijven veel minder personeel in reserve te houden ter vervulling van tijdelijke vacatures.

Binnen de vakbeweging zijn na het bekend worden van het geruchtmakende artikel van de vier ondernemers stemmen opgegaan om te komen tot een sociale akkoorden, vertelt Paula Burrau, woordvoerder van het Zweedse vakverbond LO. Vooral de metaalarbeiders en hun collega's in de houtindustrie willen terug naar concrete vaste afspraken met de werkgevers, waarbij arbeidsrust en arbeidsplaatsen worden uitgeruild. Zij dringen aan op spoedig beraad na de verkiezingen van zondag tussen de nieuwe regering, de vakbeweging en de werkgevers.

In het kantoor van de werkgevers zit men op een dergelijk overleg eigenlijk niet te wachten. De tijd van de grote sociale akkoorden is voorbij. “Noch de landelijk vakbeweging noch de werkgeversorganisatie kan zijn leden meer sturen. Het gaat steeds meer toe naar akkoorden per bedrijf”, zegt Herin. “Het hele zakenleven is zo gedifferentieerd geworden. Blauwe-boordenbonden hebben nu een veel minder prominente positie dan vroeger. Centrale akkoorden tussen werkgevers en werknemers en eventueel een rol voor de overheid daarbij, passen niet meer in de nieuwe verhoudingen.”