De etnische kwestie in Afrika; Zoveel redenen om elkaar te haten

Met de toenemende modernisering en vooruitgang in Afrika hebben etnische groepsverbanden niets aan kracht verloren. Tot voor kort was het taboe om over etniciteit te spreken. Maar nu de oorlog in Joegoslavië de etnische kwestie heeft gelegitimeerd, ziet men etniciteit zelfs als de kern van het bestaan in Afrika.

Drie Afrikanisten over het belang van etnische loyaliteiten voor de toekomst van Afrika.

Professor Claude Ake ziet er vermoeid uit. Vermoeid en geïrriteerd. Tien dagen geleden vertrok hij uit zijn woonplaats in Port Harcourt, Nigeria, om via Lagos te reizen naar New York, vervolgens naar Amsterdam, toen naar Berlijn en Stockholm, en nu is hij te gast bij het Institute of Social Studies in Den Haag. Hij zal er met twee collega-Afrikanisten een onderzoeksprogramma opzetten over de rol van etniciteit in Afrika, maar hij wordt ondertussen doodziek van die term: 'etniciteit'.

“Overal waar ik kom stelt men mij vragen over de plotselinge terugkeer van etniciteit in Afrika. Ik vraag me dan af of die mensen wel goed om zich heen kijken. Vroeger reisde ik met veel meer gemak door Europa en de Verenigde Staten dan nu. De laatste jaren word ik bij elke grenspost aangehouden en dubbelgecontroleerd, in Berlijn werd mijn credit card geweigerd omdat men het niet vertrouwde, in Stockholm werd ik vlak voor de deur van mijn hotel geschoffeerd. Als ik vrienden van me spreek, Afrikaanse vrienden die al tientallen jaren in het westen wonen en werken, hoor ik dezelfde verhalen: racisme neemt toe, discriminatie neemt toe. En dan vragen ze mij of etniciteit ineens weer een rol speelt in Afrika.”

Ake's collega, professor Benyamin Neuberger uit Israel, knikt instemmend: “Sinds de recente gebeurtenissen in Rwanda ben ik opeens een veelgevraagd spreker op wetenschappelijke conferenties, maar als ik dan zeg dat Israel ook maar een tribale maatschappij is, kijkt men stomverbaasd. En toch bedoel ik het niet provocerend. Israel ìs nu eenmaal gegrondvest op een etnische gedachte, het grote probleem in het land ìs nu eenmaal de integratie van verschillende tribale gemeenschappen in een modern staatsverband. Maar wat mijn luisteraars shockeert is misschien het woord tribalisme. Het heeft een racistische connotatie gekregen, het wordt in verband gebracht met het primitieve Afrika, vóór de blanken er kwamen.”

Professor Martin Doornbos, de Nederlandse Afrikanist die aan de driedaagse bijeenkomst in Den Haag deelneemt, begrijpt wel waarom er nu meer vragen worden gesteld over etniciteit dan voorheen. “Tot voor kort was het in de studies over Afrika volstrekt taboe om te spreken over etniciteit. Tribalisme kon al eerder niet, maar etniciteit ook niet. Marxistische schrijvers dachten dat etniciteit behoorde tot het domein van het valse bewustzijn, en niet-marxistische onderzoekers geloofden er heilig in dat dit soort primordiale sentimenten vanzelf zouden verdwijnen met toenemende modernisering en vooruitgang. Beide partijen hebben zich dus vergist.”

Claude Ake reageert niet, al behoort hij zelf tot de notoire marxisten die ooit het vraagstuk van etniciteit als onbelangrijk terzijde hebben gelegd. In zijn boek A Political Economy of Africa uit 1982 houdt hij, na een rigoreuze klasse-analyse en de rituele ontmaskering van het kapitalisme als bron van alle kwaad, weliswaar een schoorvoetend pleidooi voor democratie, maar het woord etniciteit valt nog nergens. In 1987 heeft hij er iets meer oog voor, al spreekt hij nog niet van etniciteit maar over de dreiging van 'fascisme': het feit dat steeds meer Afrikaanse leiders hun macht behouden door de mensen aan te spreken op hun culturele tradities, om vervolgens de traditionele groepen tegen elkaar uit te spelen.

Nog eens vijf jaar later is Ake helemaal om en noemt hij etniciteit zelfs 'de kern van het bestaan in Afrika'. “Wij Afrikanen verschillen van westerlingen in de manier waarop we aan onze identiteit gestalte geven”, schrijft hij in 1991. “Terwijl de identiteit van de Europeaan afhankelijk is van zijn persoonlijke autonomie en zijn vrijheid, beantwoordt de Afrikaan de zijns-kwestie met een beroep op de gemeenschap waartoe hij behoort. In de Afrikaanse contekst is het zinniger om uit te gaan van communale leefregels dan van de wetten van de rechtsstaat. Niets in Afrika is simpelweg een persoonlijke kwestie. Je streeft geen persoonlijke rechten na, maar bent op zoek naar je plichten ten opzichte van de gemeenschap. De maatschappelijke hiërarchie wordt niet bepaald door macht en rijkdom, maar door status, leeftijd, reputatie, de nabijheid tot de plaatselijke monarchie en het bezit van magische krachten.

Het is nogal een ommekeer en Claude Ake is dan ook in zeker opzicht de nieuweling in dit gezelschap, ook al is hij de enige Afrikaan en de enige die daadwerkelijk op het continent woont. Doornbos schrijft al sinds 1969 over etnische verhoudingen, met name in Oeganda, en Neuberger was een van de eersten die de etnische achtergronden van de Biafra-oorlog onderzocht. Toch is het voor alle drie wetenschappers even wennen om opeens in het middelpunt van de belangstelling te staan, vanwege een specialisatie die nog maar kort geleden werd bestempeld als 'curieus', als men beleefd wilde blijven. Want woorden als 'reactionair' en 'achterlijk' vielen ook wel.

“Misschien zou je kunnen zeggen dat de oorlog in voormalig Joegoslavië de etnische kwestie op een rare manier heeft gelegitimeerd”, denkt Neuberger. “De spanningen zijn er in Afrika altijd al geweest, maar nu ook Europeanen ermee worstelen is het een echt onderwerp geworden voor onderzoekers.”

“Ja, het mocht ineens weer”, voegt Doornbos toe. “Het is niet toevallig dat de strijd in Somalië juist na het uiteenvallen van het Sovjetrijk oplaaide. En in 1993 had niemand bezwaar tegen de onafhankelijkheid van Eritrea, terwijl die ook etnische achtergronden had. Tien jaar geleden zouden de westerse mogendheden heel anders tegenover dit soort motieven hebben gestaan.”

Groepsverband

Claude Ake is niet zo gelukkig met de suggestie dat Afrikanen weer alles van Europa afkijken: “De etnische kwestie komt in de hele wereld tegelijk op, omdat de democratie overal is vastgelopen. Ik weet dat het idioot klinkt, maar ik zou zelfs willen beweren dat de huidige belangstelling voor oude, zogenaamd 'natuurlijke' groepsverbanden eerder postmodern dan pre-modern is. In de moderne tijd, die voor Afrika zo ongeveer in de jaren vijftig en zestig begint, met de anti-koloniale bewegingen, lag het accent op soevereiniteit, zelfbeschikking en nationale solidariteit. Toen deze mooie idealen in rook opgingen zocht men eerst zijn toevlucht tot autoritaire vormen: het eenpartij-stelsel en de militaire dictaturen. Die werden dan gesteund door de twee grote partijen in de Koude Oorlog. Maar nu ook die oorlog is afgelopen, is er alleen nog de universele religie van de vrije markt over. Pragmatisme, materialisme, iedereen is teruggeworpen op zichzelf. En dat Zelf wordt in Afrika beleefd in het etnische groepsverband.”

Dat is een sluitende, maar ook een erg abstracte redenering. Martin Doornbos weet het concreter te maken. “De plotselinge afloop van de Koude Oorlog is inderdaad een dramatisch keerpunt voor Afrika”, zegt hij. “Tijdens de Koude Oorlog werd aan de staatsvorm geen aandacht geschonken, als de politieke loyaliteit maar gegarandeerd was. Maar nu kunnen de westerse hulpgevers zeer vergaande eisen stellen, die vervat liggen in de 'Structurele Aanpassingsprogramma's' die aan al die landen worden opgelegd. In politiek opzicht komen die programma's neer op twee dingen: het toelaten van meerdere politieke partijen en het verkleinen van de staatsbemoeienis. Het tragische is alleen dat het meer-partijenstelsel de etnische rivaliteiten niet heeft verkleind, maar juist vergroot, omdat de meeste nieuwe politieke bewegingen op etnische sentimenten zijn gegrondvest.”

“De democratie”, roept Ake, “de democratie is niet toe-, maar afgenomen.”

“Inderdaad”, zegt Doornbos: “De betekenis van de term democratie, die sinds 1989 zo veelvuldig gebezigd wordt in Afrika, is versmald. Vroeger was dat niet het geval. Vlak na de onafhankelijkheid van de meeste Afrikaanse staten werd uitdrukkelijk het accent gelegd op de sociale kanten van democratie: er moest meer gelijkheid komen, iedereen moest voldoende te eten hebben, iedereen moest redelijk gehuisvest zijn. Dat was de 'kwalitatieve' democratie, zoals men het noemde. Nu worden de landen door het westen gedwongen om een meer 'kwantitatieve' democratie in te voeren, vanuit de veronderstelling dat als meer politieke partijen aan vrije verkiezingen deelnemen, het met de democratie vanzelf wel goed komt. Men noemt het democratie, maar men bedoelt dus liberalisering. Het afschaffen van administratieve regels die de vrije markt beïnvloeden, het vrijlaten van de munteenheid, het inkrimpen van de staat, daar ligt de nadruk op.”

Ongeduldig

Maar zo ontstaat weer het afgezaagde beeld van het imperialistische westen met zijn kwade bedoelingen en het onschuldige Afrika dat z'n best doet maar wordt gedwarsboomd. “Nee”, zegt Doornbos, “natuurlijk liggen er óók ideële doelen ten grondslag aan de aanpassingsprogramma's. Het doorbreken van de dictatuur die in al die landen was ontstaan door de één-partijstelsels en de militaire staatsgrepen. Maar als je ziet hoe sommige van de sterke mannen, lieden als Mobutu en Moi, het meer-partijenstelsel ten eigen bate hebben kunnen gebruiken, dan geeft dat niet veel hoop.”

“De eerste verkiezingen van dit decennium in Namibië, Benin en Kameroen waren volledig etnisch bepaald”, merkt Neuberger op. “Wat men tegenwoordig bij verkiezingen in feite meet is welke etnische groep de grootste is. En die mag alle andere groepen overheersen. Dat is toch een krankzinnig idee?”

Maar volgens Claude Ake is het begrijpelijk, logisch zelfs, dat de nieuwe politieke partijen van Afrika zich organiseren op basis van etniciteit: “Voor een democratie volgens westers model moet voldaan zijn aan een gigantisch aantal voorwaarden: industrialisering, verstedelijking, individualisering en vervolgens moderne staatsvorming, in die volgorde. In Afrika is men aan het andere eind begonnen, na de Tweede Wereldoorlog. De nationalisten streden voor een soevereine staat en toen de onafhankelijkheid eenmaal was verkregen zei men: zo, een moderne staat hebben we al, nu alleen nog een moderne economie. Aan alle andere zaken zoals persvrijheid, een onafhankelijke rechtsspraak, een deugdelijk functionerend parlement, openbare debatten tussen gelijkwaardige, vrije burgers, daar hoefde men geen aandacht meer voor te hebben. De armoede moest worden bestreden.

“Die houding is voor Afrika fataal gebleken. De Afrikaanse leiders dachten exact te weten wat er moest gebeuren, naar het volk hoefden ze niet te luisteren. Dat heeft geleid tot regimes die steeds autoritairder werden en steeds ongeduldiger omgingen met hun onderdanen. Op het laatst vertegenwoordigden de leiders niemand meer. Voor de gewone mensen was de staat verworden tot een onderdrukkende macht die mensen in de gevangenis gooide en demonstraties uiteen sloeg. Voor huisvesting, voedsel, zorg, bescherming en troost waren de mensen aangewezen op hun vroegere samenlevingsverbanden, die ze even uit het oog hadden verloren. Dat waren de traditionele, etnische verbanden.”

“Wat je in deze uiteenzetting hebt weggelaten”, zegt Benyamin Neuberger tegen Claude Ake, “is de generationele afwisseling. De eerste leiders, degenen die de dekolonisatie bevochten, waren over het algemeen geletterde mensen, moderne intellectuelen die een visie hadden waarover je kon discussiëren. Zij zijn toen vervangen door een nieuwe generatie van kolonels en sergeanten die zich hebben ontwikkeld tot bandieten en moordenaars.”

Sentimenten

Maar deze bandieten en moordenaars hebben het etnische bewustzijn natuurlijk niet uitgevonden. Is dat bewustzijn, dat tot zulke gigantische rampen heeft geleid als in Biafra, Somalië en Rwanda, en dat nu ook Burundi en zelfs Nigeria teistert - is het een bewustzijn dat altijd al is blijven voortbestaan, maar tijdelijk overschaduwd werd door de nationalistische euforie van de jaren vijftig en zestig? Of hebben we te maken met een nieuw verschijnsel dat opnieuw moet worden bestudeerd.

“De context is in ieder geval nieuw”, zegt Benyamin Neuberger. “Maar het ligt er aan wat er met etniciteit wordt bedoeld. Er zijn objectieve criteria, zoals taal, territorium, religie en zelfs raciale kenmerken, waarmee je groepen kunt onderscheiden die al vele eeuwen bestaan. Je kunt ook uitgaan van subjectieve gevoelens, van etnische sentimenten, zogezegd. Het is een gevoel dat als je op de deur klopt van een van je 'eigen mensen', er ook open wordt gedaan. De meeste van deze groepen zijn vrij toevallig ontstaan door administratieve herindelingen in deze eeuw. Het zijn imaginaire gemeenschappen die alleen in de verbeelding van de mensen bestaan.”

“Heeft het zin”, vraagt Claude Ake, “om na te gaan of de gronden voor die gevoelens wel of niet ingebeeld zijn? Die gevoelens bestaan gewoon, men onderscheidt nu eenmaal 'eigen mensen' van 'niet-eigen mensen'.”

Neuberger: “Je hebt gelijk, maar wat mij keer op keer verbaast is hoe deze toevallige, arbitraire groepssentimenten toch een sterkere aantrekkingskracht blijken te hebben dan de staat als nationale eenheid die, strikt genomen, ook maar imaginair is. De nationale identeit heeft in Afrika nooit veel voorgesteld. Voelde de inwoner van Angola zich ooit echt in de eerste plaats Angolees? En die van Nigeria Nigeriaan? Ik betwijfel het.”

“Historisch gezien is het bijzondere in Afrika niet het bestaan van de etnische identiteit”, zegt Doornbos, “maar het kortstondige bestaan van een nationale identiteit onder een kleine groep nationalistische intellectuelen.”

“Maar wat het zo gecompliceerd maakt”, reageert Neuberger, “is dat ook de nationalistische bewegingen, van de Mau Mau tot Swapo en Frelimo, een etnische basis hadden. En sommige etnische groepen wilden al helemaal niet onafhankelijk worden. De Hutu's in Rwanda en de Ashanti in Ghana namen geen deel aan de bevrijdingsstrijd, omdat ze eigenlijk liever overheerst werden door een verre Europese mogendheid dan door een naburige Afrikaanse stam. In zekere zin hebben ze gelijk gekregen, want echt nationale regeringen zijn in Afrika zeldzaam. Bijna alle regeringen hebben in meer of mindere mate een etnische basis, of zijn etnische coalities. Iemand zei ooit dat er geen Afrikaanse president te bekennen valt die niet voor korte of langere tijd heeft gesteund op etnische gevoelens.

“En wat de gigantische rampen betreft, die zijn er natuurlijk al veel eerder geweest: de grondwettelijke ongelijkheid, zoals de apartheid in Zuid-Afrika, de etnische zuiveringen door middel van moord en geweld, zoals in het Oeganda van Idi Amin, de zuiveringen door middel van deportaties zoals in Mengistu's Ethiopie, of de gedwongen assimilatie in Tsjaad en Soedan, wat ook al niet heeft gewerkt.”

Goed, als niets heeft gewerkt, waarom dan niet de algehele modernisering nagestreefd, naar westers model, met misschien extra aandacht voor de integratie van minderheden?

“Was het maar zo eenvoudig”, verzucht Neuberger. “In de meeste Afrikaanse landen is er geen sprake van een etnische meerderheid tegenover een paar minderheden. Er bestaan alleen maar grotere of kleinere minderheden die elkaar naar het leven staan. En of algehele modernisering het antwoord is, weet ik niet. Je moet er rekening mee houden dat de modernisering tot op zekere hoogte wel gewerkt heeft, maar niet op de manier die men voor ogen had. Vroeger, in de jaren vijftig, dacht men inderdaad dat alfabetisering en een toegenomen sociale mobiliteit tot meer integratie zou leiden, volgens het Amerikaanse melting pot idee. Maar in plaats van integratie ontstond een sterkere onderlinge wedijver, juist omdat de modernisering de aspiraties van de mensen gelijk maakte! Men streefde steeds meer dezelfde dingen na - banen, onderwijs, electriciteit, bankleningen - en men begon dus steeds meer op elkaar te lijken, waardoor men ook steeds meer redenen had om elkaar te haten. Niet het verschil, maar de overeenkomst leidt tot spanningen, dat is een oud antropologisch gegeven. De etnische conflicten van nu zijn zeker ook een gevolg van de modernisering, in plaats van een bewijs van het uitblijven ervan.”

“Dat is trouwens makkelijk aantoonbaar”, vult Doornbos aan. “Als je ver genoeg in de geschiedenis terugkijkt heeft Afrika langere periodes gekend van vreedzame co-existentie van verschillende etnische groepen, dan van etnische rivaliteit en conflict.”

Solidariteit

De onvermijdelijke vraag, als je tegenover drie Afrika-deskundigen zit: wat nu? Maar hier moet juist onderzoek naar worden gedaan, daar is deze bijeenkomst voor bedoeld. Doornbos heeft wel een paar ideeën: “In Oeganda experimenteert men met kleine dorpsgemeenschappen die zich in steeds grotere eenheden laten vertegenwoordigen. En in Ethiopië probeert men het politieke raamwerk te laten samenvallen met de etnische samenstelling, waardoor de etnische eenheden als het ware de kiesdistricten vormen. Als etniciteit een basis kan zijn voor nieuwe vormen van solidariteit, zul je je er bij moeten neerleggen. Je moet alleen hopen dat ze geen chauvinistische of fundamentalistische wending nemen. En het gevaar van fundamentalisme is natuurlijk groter naarmate er minder te verdelen valt in zo'n samenleving. Als dat weinige dat verdeeld kan worden zich concentreert in een centrale staat, wordt de controle van die staat van het allergrootste belang, vanuit het winner takes all-principe. En daarmee is de gewelddadigheid reeds ingebakken.”

“Dat is nu precies wat ik bedoel”, zegt Claude Ake. “De controle over de staat is de laatste tijd inzet geweest van alle strijd, en oorzaak van alle bloed dat er vergoten is. Verkiezingen konden om die reden nooit vreedzaam verlopen, met een keurige winnaar en een sportieve verliezer. Als je verloor, verloor je alles: je inkomen, je huis, je positie, je waardigheid, je mensenrechten, de toekomst van je kinderen. Dus moest je alles op alles zetten, en als je een moord moest begaan om te winnen, tja, dan moest dat maar. Het is dus niet de etniciteit die het probleem vormt, maar de aard van de staat, en als je etnische conflicten wilt vermijden moet je die staat hervormen. De gedachte dat er eerst even vlug economische ontwikkeling moet komen en er daarna pas tijd is voor politieke liberalisering - die gedachte is onzinnig gebleken. Van huis uit ben ik econoom en mijn ervaring is dat als het met de sociale verbanden niet goed zit, als mensen elkaar niet kunnen vertrouwen, je nooit van je leven ontwikkeling krijgt, in geen enkele betekenis. Het moet tegelijkertijd gebeuren: politieke hervorming plus strijd voor mensenrechten plus persvrijheid plus onafhankelijke rechtsspraak plus meer onderwijs plus medische zorg plus meer banen.”

Genoeg redenen dus om héél erg pessimistisch te zijn over de naaste toekomst. Maar de drie geleerden delen dat pessimisme niet. Doornbos: “Etnische loyaliteiten kun je niet wegwensen, dat is waar, en je kunt ze kennelijk ook niet zomaar sublimeren tot een nationale loyaliteit. Maar is etnische agressiviteit een constant gegeven? Ik denk bijvoorbeeld aan India, waar zich in de jaren zestig een taalprobleem voordeed waardoor de natie uiteen dreigde te vallen. Nu is dat weggeëbd en heeft men weer andere strubbelingen. Die dingen komen en gaan. Ze kunnen ook naar de achtergrond verdwijnen.”

“Maar dat kan alleen als er een alternatief is”, zegt Ake. “En tot zover ik kan overzien, kan dat alleen de nationale staat zijn. De staat moet de concurrentieslag met de etnische groepen aangaan en de loyaliteit proberen terug te winnen, door de mensen bescherming en veiligheid te bieden, in plaats van straf en vernedering. Maar dat kan geen staat zijn naar westers model, omdat westerse democratieën nooit zo intens hebben moeten strijden tegen etnische loyaliteiten. Misschien nu wel, met de opkomst van het extremisme in landen als Duitsland, Frankrijk en Italie.”

“Je zou kunnen zeggen”, besluit Benyamin Neuberger laconiek, “dat in het westen de democratie wordt bedreigd door etniciteit, terwijl in Afrika de etniciteit wordt versterkt door de democratie.”