Clandestiene voordrachten

P.R.A. van Iddekinge: Zwarte avonden in Arnhem 1942-1944. Cultuur buiten de Kultuurkamer 116 blz., geïll., Matrijs, ƒ 24,95

“De bijwoning van uw voordrachtsavond was voor mij een waardevolle ervaring welke enig licht ontstak in deze verduisterde tijden,” schreef de jonge journalist en verzetsman Simon Carmiggelt in 1942 aan de acteur Bob Oosthoek. Het briefje, een paar regels uit dank voor een mooie avond, was vorig jaar te lezen op de tentoonstelling Theater in duistere tijden in het Haags Historisch Museum. Daar werd op een tv-scherm ook de reconstructie van een optreden van de actrice Nel Oosthoek vertoond, die in de oorlog in huiskamers in haar eentje hele toneelstukken speelde en dat een jaar of zes geleden nog eens had overgedaan, ten behoeve van een tentoonstelling in het Verzetsmuseum in Amsterdam.

Aan het clandestiene huiskamertoneel van acteurs, die begin 1942 weigerden zich aan te melden bij de Kultuurkamer en daardoor zichzelf brodeloos hadden gemaakt, is dus al eerder aandacht besteed. Maar een afzonderlijk boek was er nog niet aan gewijd.

Zo bezien is het spijtig dat Zwarte avonden in Arnhem 1942-1944 van de Arnhemse gemeente-archivaris P.R.A. van Iddekinge zich uitsluitend tot die ene stad beperkt. Hoogstwaarschijnlijk geldt een groot deel van het relaas ook voor de activiteiten die elders in het land plaatshadden, maar wat hier over de Arnhemse microkosmos is vastgelegd, roept toch vragen op over de totale omvang van het verschijnsel, de regionale spreiding (die ongetwijfeld samenhing met de vervoersmogelijkheden) en de mate waarin de Duitsers ervan wisten. Wie leest dat de vooraanstaande acteur-regisseur Eduard Verkade alleen al in de winter van 1943/44 tachtig voordrachten hield en aan zijn dochter schreef dat hij “een wit voetje in het zuiden bij de paters en pastoors” kreeg, wil méér weten dan hier alleen over Arnhem wordt verteld.

Het verhaal is voornamelijk geschreven op basis van de bewaard gebleven - en zeer gedetailleerde - gegevens over de clandestiene avonden ten huize van het echtpaar Van der Hoef-Asjee, “in een middelgrote rijtjeswoning in de Statenlaan”. Hij was commies-boekhouder bij Gemeentewerken, zij was muzikaal en samen behoorden ze tot de gegoede burgerij van Arnhem die geregeld een bezoek bracht aan schouwburg en concertzaal. Het publiek kon dan ook worden gerecruteerd uit de kennissenkring. Of iedereen er een principezaak van maakte en tegelijk weigerde nog één voet in de onder Kultuurkamer-toezicht gestelde schouwburg te zetten, is niet duidelijk. Wellicht is de zo nabije aanwezigheid van een bekend acteur of musicus bij de huisbezoeken eveneens een factor van belang geweest. Men kon na afloop immers persoonlijk met de kunstenaar van gedachten wisselen en vaak zag deze zich, omdat er geen late trein meer reed, bovendien gedwongen bij particulieren te overnachten.

Van Iddekinge wijst erop dat de huiskamertoneelavonden wel clandestien, maar niet echt illegaal waren. Men kon de acteurs immers niet verbieden in besloten kring op te treden. En weliswaar waren samenkomsten met meer dan twintig personen verboden, maar er zijn geen gevallen bekend waar ontdekking ernstige gevolgen heeft gehad. Het waren, schrijft hij, “tamelijk gezellige ondernemingen, waarvan men achteraf de betekenis gemakkelijk onderschat”. Immers: “Zij onderhielden de vaderlandse geest, bevorderden het contact tussen kunstenaars en publiek, boden geschikte gelegenheid voor de propaganda van clandestien gedrukte boekjes of rijmprenten; zij maakten de kunstenaars die niet getekend hadden voor de Kultuurkamer, het leven mogelijk en zij voorkwamen in menig geval de morele depressie van het plaatselijke cultuurleven.”

Uit de administratie van de Van der Hoefs blijkt dat de acteurs die op bezoek kwamen, onder wie Paul Storm, Albert van Dalsum, Eduard Verkade, Nel Oosthout, Nell Knoop, Jan Musch en Han Bentz van den Berg, hun repertoire voornamelijk ontleenden aan klassieken als Vondel, Boutens, Bredero en Shakespeare. Expliciete verzetsteksten zijn in hun huiskamer niet voorgedragen. Verkade waarschuwde in een briefje dat hij “geen politisch propagandist” was en zich wilde beperken tot solo-versies van Hamlet en Macbeth, waarin overigens meer dan genoeg verwijzingen naar de actualiteit konden worden gevonden.

Ook geeft hun correspondentie een beeld van de betaalde honoraria. Als minimaal 25 bezoekers elk ƒ 1,50 betaalden, kon de acteur ƒ 35 ontvangen, desgewenst met een gratis maaltijd en gratis logies. Maar omdat er gemiddeld 40 à 50 bezoekers waren, lag het honorarium doorgaans hoger. Verkade berekende ƒ 50. Nel Oosthout liet weten dat ze per voordracht meestal ƒ 100 ontving, maar bereid was in Arnhem op te treden voor ƒ 75. De acteur Paul Huf hield vast aan ƒ 100 en dat was voor de Van der Hoefs te duur: “Dit is in onze kennissenkring niet op te brengen.” Han Bentz van den Berg liet in het midden wat hij wilde ontvangen: “Dit willen wij liever geheel aan U overlaten; U zult daar zeker een prettige regeling voor vinden.”

De evacuatie van Arnhem maakte in 1944 een eind aan de toneelavonden. “Me dunkt,” schreef de acteur Jo Sternheim in een bedankbriefje, “als de gemeente Arnhem, na den oorlog, een herinneringsmedaille laat slaan, voor hen die gedurende de afgelopen jaren zich jegens hunne stadgenoten verdienstelijk hebben gemaakt, dan hoop ik dat de burgemeester U óók zo'n blikje zilver op de borst zal spelden.” Er is in 1946 nog wel een herinneringsavond in de Stadsschouwburg georganiseerd, maar een lintje zat er niet in. De heer en mevrouw Van der Hoef kregen van de gemeente alleen een vrijkaartje voor alle voorstellingen die dat jaar in de schouwburg werden gehouden.