Binnenspin

De minuscule kruisspin die op de eerste avond van zijn leven als een gitten kraaltje langs het behang kwam zakken had de volgende ochtend al een heel web geweven, aan de binnenkant van het raam. Niet groter dan een ansichtkaart en ook ongeveer in die vorm: de linkerbenedenhoek van het kozijn zorgde voor het meeste houvast, verderop zaten wat uitlopers lukraak tegen het glas gekleefd. Een ongelijkmatig web nog, vol scheve lijnen en open plekken: maar de dag daarop zag het er al veel beter uit.

Omdat een gemiddelde vlieg zeker vijf keer zo groot moest zijn als de spin kon je je afvragen voor wie het web bedoeld was. Misschien voor onweersvliegjes of heel kleine muggen, al zie je die niet veel in de herfst. Toch is de herfst wel degelijk de tijd waarin veel jonge spinnen geboren worden; ook aan de buitenkant van het venster zaten leeftijdgenoten her en der in wat grotere webben die bewogen in de wind, en in de regen die bijna dagelijks tegen het raam sloeg.

Ondanks zijn veel comfortabeler plek bleef de jonge spin aan de binnenkant van het glas achter in de groei. Zijn web was altijd schoon en iedere dag mooier, evenwichtiger om te zien: het schijnt dat spinnen hun web 's ochtends vroeg opeten, om vlak daarna een nieuw te weven.

Toen het 's nachts een keer hevig had gestormd waren alle buitenspinnen spoorloos verdwenen. Het web van de binnenspin zat ijler en gelijkmatiger dan ooit tegen het raam, maar groter dan een briefkaart was het nog steeds niet terwijl de spin zelf, precies in het midden, telkens wat kleiner leek. Nog altijd rond als een kraal, maar een kleinere kraal.

Waarschijnlijk heeft hij nooit iets gegeten, behalve zijn web. Een paar dagen later was ook dat er niet meer, zelfs niet het dunste spoor van een aanhechting op het glas. Het raam voelde ijskoud van de nachtvorst, de eerste dit jaar.