BEVRIJDING EN ANARCHIE BENEDEN DE RIVIEREN

Henk Termeer: Het Geweten der Natie. De voormalige illegaliteit in het bevrijde Zuiden, september 1944 tot mei 1945 745 blz., geïll., Van Gorcum 1994, ƒ 75.-

Het bevrijde Zuiden van Nederland was na de intocht van de geallieerde legers in september 1944 niet het land van melk en honing, waar de bevolking continu feestvierde, Lucky Strike rookte en geen enkel gebrek meer had. De bevrijdingsfeesten waren wel met een tomeloze energie gevierd, maar na de uitwerking van de opwindende bevrijdingsroes ging de dagelijkse werkelijkheid weer gekleed in dezelfde oude plunje waarin zij daarvóór getooid was. Dat hield voor het gehele gebied onverminderde nijpende nooddruft in.

De Nijmeegse historicus Henk Termeer vat die tekorten in zijn geschiedenis van de voormalige illegaliteit in het bevrijde Zuiden als volgt samen: gas en elektriciteit waren niet meer dan enkele uren per dag beschikbaar. In de strenge winter van '44-'45 moesten vele Brabanders en Limburgers zich, bij gebrek aan brandstof, warm houden met extra truien en dekens. En velen moesten inschikken om ingekwartierde militairen en evacués uit de frontgebieden in hun onverwarmde huizen op te nemen. De nationale verarming die de bezetting in heel het land had veroorzaakt, werd in het Zuiden nog eens verergerd door de materiële schade die de bevrijdingsstrijd had aangericht.

Het Zuiden van Nederland was weliswaar van Duitse troepen gezuiverd, maar als geheel vormde het een geïsoleerd gebied, waarin de burgerlijke vrijheden nog niet waren hersteld, de geallieerde militairen de lakens uitdeelden en een burger alleen met een permit van het door de Nederlandse regering in Londen ingestelde (met overheidsmacht beklede) Militair Gezag zich buiten zijn woonplaats kon begeven. Dat isolement gold in versterkte mate voor de directe frontgebieden in de nabijheid van de grote rivieren en in Zeeland. Daar onderwierp het Militair Gezag alle burgers aan een veiligheidsonderzoek om spionage te voorkomen. In het bevrijde Zuiden was dus sprake van “een ernstige beperking van de bewegingsvrijheid”, die volgens Termeer in feite elke stad en elk dorp op zichzelf terugwierp “en tot een soort eiland maakte, dat enkel door militaire veerdiensten met de rest van het bevrijde gebied en de nog verder verwijderde buitenwereld was verbonden”.

'Vernieuwing'

Termeers lijvige dissertatie, waarin alle belangrijke figuren uit de voormalige illegaliteit in het Zuiden uitvoerig worden belicht, is de eerste integrale geschiedenis van het politieke en bestuurlijke leven in het bevrijde Zuiden. Die geschiedenis begint met de chaotische pogingen van de voormalige illegaliteit (het geweten der natie) om de macht in het sinds jaren verlamde lokale bestuur te veroveren, en eindigt met de stervensstrijd van de door koningin Wilhelmina geïnspireerde 'vernieuwing' van de democratie, die in feite al vóór de bevrijding van het Noorden haar laatste adem had uitgeblazen.

In bijna zevenhonderd, soms onder het gewicht van hun informatie bezwijkende bladzijden (de rest bestaat uit bijlagen) schetst Termeer een kaleidoscopische figuratie van de politieke wereld in het Zuiden, de conflicten tussen het voormalige verzet en het Militair Gezag en de onderlinge rivaliteit tussen de meer democratische stromingen in de illegaliteit en de nogal autoritaire OD, de voornamelijk uit oud-beroepsmilitairen geformeerde Ordedienst. In een bonte stoet paraderen revolutionaire idealisten, versleten oude gezagsdragers, militaire bestuurders en geallieerde Town Majors over het papier; 'oude' (vóór 1940 gekozen) bestuurders die zich aan hun vooroorlogse mandaten vastklampten en 'nieuwe' (door koningin en illegaliteit goedgekeurde) bestuurders die het Nieuwe Nederland vertegenwoordigden; stoottroepers die een geestelijke revival propageerden en 'bevrijdingsillegalen', die de anarchist uithingen en met hun 'wilde' arrestaties van politiek verdachte figuren het nieuwe gezag in diskrediet brachten en het Militair Gezag tot wanhoop.

Het bevrijde Zuiden telde ook echte partizanen, verenigd in het PAN, de Partisanen Actie Nederland, een in maart '44 opgerichte nieuwe organisatie van illegalen die zich op sabotage toelegde. Ze maakten zoveel indruk dat Duitse soldaten rond Dolle Dinsdag zich vrijwillig aan hen overgaven. Dat leverde de illegaliteit de broodnodige wapens op waarmee ze haar ondersteunende taak in de geallieerde bevrijdingsoperatie kon uitvoeren.

Tot die taak behoorde, aldus een door Termeer aangehaalde geallieerde order voor de knokploegen van de illegaliteit, “het onschadelijk maken van achtergebleven vijandelijke afdelingen, en alle figuren, die gevaar kunnen opleveren, zoals snipers, NSB-leden en onbetrouwbare elementen”. Uit die order blijkt eens te meer dat de Britse instructie aan de in Arnhem gedropte Airbornes om contacten met de 'wellicht door Duitsers geïnfiltreerde' Nederlandse illegaliteit te vermijden in strijd waren met de orders van het geallieerde hoofdkwartier.

Dat onschadelijk maken van 'onbetrouwbare elementen' gebeurde niet overal even reglementair. In sommige plaatsen, zoals Breda, veroorzaakten 'wilde bevrijdingsillegalen' die buiten de reguliere verbanden opereerden, 'een ordeprobleem van jewelste'. Termeer typeert die 'wilde jongens', vaak niet ouder dan 18 jaar, als anarchisten die eigenmachtig arresteerden, vorderden en de bevolking terroriseerden. Het opsporingswerk van politiek verdachten, dat tot de eerste prioriteiten van de voormalige illegaliteit behoorde, raakte door deze cowboy-terreur zo ernstig in opspraak, dat de officiële Bredase instanties vier juristen van naam in stelling brachten om de opsporing met rechtswaarborgen te omgeven. Bij die juristen komen we onder meer de Bredase advocaten E.H. Toxopeus en A.A.M. Struycken tegen. De eerste zou het vele jaren later tot voorzitter van de liberalen in de Tweede Kamer en minister van binnenlandse zaken brengen, de tweede tot minister van justitie.

Struikrovers

Breda was een broeinest van struikrovers die onder oud-illegale emblemen, en vaak roepend dat ze kwamen 'namens de Prins', onwettige arrestaties uitvoerden en de stad en omgeving onveilig maakten. Sommigen, aldus een rapport van de chef-staf van het Militair Gezag, kolonel Kruls, “terroriseerden en brutaliseerden de burgerbevolking, pleegden diefstal en vele andere onwettige en onrechtmatige daden”. De echte troepen van prins Bernhard, de onder zijn bevel staande Binnenlandse Strijdkrachten, werden daar veelal op aangezien, wat de prins kwam te staan op de beschuldiging dat hij SS-troepen onder zijn hoede had. Ook de Town Major, de geallieerde militaire vertegenwoordiger bij het burgerbestuur, werd erin gekend. Soms slaagde hij erin de woestelingen te pacificeren, maar veelal had hij het nakijken.

Het Militair Gezag maakte geruime tijd vergeefs jacht op de commandant van de groep D68, Th. Dankers, tegen wie het niet durfde optreden omdat hij volgens de geruchten, 'tot de tanden gewapend was'. Deze Dankers zat korte tijd achter slot en grendel, maar werd voor zijn berechting op vrije voeten gesteld, aangezien zijn troepen dreigden het Huis van Bewaring met handgranaten te komen bezoeken. De Wild West-taferelen die in Termeers beschrijving van die ordeloze periode voorkomen, mogen het herstel van de naoorlogse rechtsstaat bemoeilijkt hebben, ze voegen aan zijn geschiedenis in elk geval kleur toe. De gedetailleerd geschetste chaotische gezagssituatie uitte zich in het bijzonder in de ordeloze aanpak van de arrestaties en de bestuurlijke zuiveringen, een van de hoofddoelstellingen van de voormalige illegaliteit. Het Militair Gezag en de politieke recherche van de BS kwamen er niet uit welke 'foute' burgers opsluiting verdienden en welke 'foute' bestuurders voor afzetting dan wel inrekening in aanmerking kwamen. Daardoor liep de zuiveringsoperatie op een fiasco uit.

Goed en fout waren in het oud-illegale jargon equivalenten van nieuw en oud. 'Nieuw' betekende na de bevrijding: afkomstig uit de 'goede' sector van de bezettingstijd, of: van goed gedrag tijdens de bezetting. Termeer geeft een ruimere interpretatie van die begrippen. 'Nieuw' betekende volgens hem ook: vernieuwingsgezind. Een 'nieuw' politicus achtte zich niet (meer) gebonden aan de traditionele, verzuilde verhoudingen en organisaties van vóór 1940. 'Oud' werd in dat waardenstelsel min of meer gelijkgesteld met 'slap' en dan was men, aldus Termeer, al halverwege de kwalificatie 'fout'. 'Oud' sloeg dus op die functionarissen, die via de verzuilde kaders van vóór de oorlog op hun post waren beland, zich in de bezettingstijd gedeisd hadden gehouden en zich in de ogen van de illegaliteit als onvoldoende principieel hadden doen kennen. Ze waren blijven zitten of te lang aangebleven en hadden zich te weinig van de illegaliteit en de verzetsparolen aangetrokken.

Die oud-illegale definitie van vernieuwing strookte echter nauwelijks met de 'vernieuwing' van koningin Wilhelmina, die na de bevrijding heel het regeringsapparaat en de ministers wilde vervangen, maar een vernieuwingsgedachte aanhing die tendeerde naar een autoritair bestuur, dat geen ruimte meer liet voor de parlementaire democratie, maar des te meer voor haarzelf als de spil van het volksleven. Ze droomde dat ze aan het hoofd van een 'vernieuwd' kabinet met een boot aan het strand van Scheveningen uit Londen zou aankomen. Van den Tempel, een van de socialistische ministers in de kabinetten van Gerbrandy, zag in deze koninklijke vernieuwingsbeweging vooral een afkeer van links, gevoed door de geweldige, in Londen bestaande angst voor een naoorlogse machtspositie van de CPN.

Termeer vindt de denkbeelden van illegalen en, na de bevrijding, van oud-illegalen over de inrichting van de naoorlogse maatschappij 'bij nader inzien oppervlakkig'. Ze kenmerken zich, volgens hem, door 'simpelheid, anti-burgerlijkheid en romantiek'. Vanwege de prioriteit van de concrete illegale verzetsactiviteiten “volstond men met vage noties als goed en fout, een gezonde volksinvloed en een nieuw en zuiver Nederland”. De oud-illegalen hielden volgens Termeer geen rekening met historische verworvenheden en schonken geen aandacht aan de goede kanten van de parlementaire democratie, maar stelden zich op als de nieuwe elite die - zonder programma - een vernieuwd en slagvaardig bestuur zou brengen.

Revolutie

Doordat het Militair Gezag en de BS de eerste maanden na de bevrijding vrolijk langs elkaar heen werkten, was de zuivering van het lokale overheidsapparaat (gemeentebesturen, ambtelijke diensten en de politie) in het Zuiden één grote warwinkel, die het aanzien van de nieuwe gezagsorganen bij de bevolking er niet groter op maakte. Sommige oud-illegalen zagen in die wanorde de voorwaarden voor een staatsgreep, anderen wakkerden de angst voor een revolutie zelf aan. Henk Termeer erkent wel dat de onvrede van de voormalige illegaliteit hier en daar explosief is geweest, maar gelooft niet dat het land in revolutiegevaar heeft verkeerd. Volgens hem is dat gevaar altijd sterk overdreven. “Het revolutiegevaar dat diverse malen door betrokkenen ten tonele werd gevoerd, kan niet reëel worden genoemd.”

Termeer onderscheidt in de opbouw van het nieuwe naoorlogse bestuur een wilde fase, die enkele maanden duurde, en een langere restauratieve fase, waarin de voormalige illegaliteit geleidelijk de greep op de zaken verloor en het veroverde bestuurlijke terrein moest prijsgeven aan het vooroorlogse politieke establishment, dat zijn terugkeer niet zozeer te danken had aan zijn onmisbaarheid als wel aan het gebrek aan bestuurlijk gewicht van de meeste voormalige illegalen. In een aantal gemeenten werden de 'oude' bestuurders, die na enkele maanden op hun zetels terugkeerden, in het geheel niet gehinderd door het Militair Gezag, dat krachtens 'Londens' besluit de voorwaarden voor politieke en personele vernieuwing moest scheppen.

Termeer spreekt van 'het zwakke MG', dat zich bij de terugkeer van de oude machten neerlegde en daarmee de restauratie in de kaart speelde. De Nijmeegse historicus nuanceert in zoverre dr. L. de Jongs standaardwerk, dat hij op dit punt diens voorstelling van het Militair Gezag als een voorbereidende instantie voor politieke vernieuwing ondergraaft. De 'oude' bestuurders gingen na hun terugkeer als vanouds hun eigen gang en negeerden of dwarsboomden de voormalige illegalen en hun wensen, speciaal op het gebied van de zuivering der overheidsorganen. Het Militair Gezag keek ernaar zonder er een vinger naar uit te steken.