Bevrijd Parijs

Antony Beevor and Artemis Cooper: Paris after the Liberation 531 blz., geïll., Hamish Hamilton 1994, ƒ 65,60

De titel van dit lijvige werk is eigenlijk niet helemaal juist, aangezien pas na vier hoofdstukken het vertrekpunt van de boektitel is bereikt, namelijk de bevrijding van Parijs. Op zichzelf is er niets tegen deze werkwijze, zeker niet in het onderhavige geval waarin de eerste naoorlogse jaren in Parijs en Frankrijk meer als een avonturenroman dan als een historische studie worden opgediend. Een stap terug in de geschiedenis, dat wil zeggen tot juni 1940, kan voor de leek dan verhelderend werken.

Beevor en Cooper zijn echtelieden, blijkt uit de achterflap. Ieder apart had al eerder non-fiction geschreven. L'appétit vient en mangeant, moet hun devies zijn geweest, maar helaas is hun eerste proeve van echtelijke samenwerking geen succes geworden. Gebrek aan ijver kan hun niet worden verweten, want de lijst van geraadpleegde literatuur ziet er indrukwekkend uit.

De uitgever prijst Paris after the Liberation aan als een “briljante synthese van hedendaagse geschiedenis, reportage en levendige beschrijving”. Deze reclamevlag dekt echter niet de lading. Het ontbreekt het boek aan structuur en gezaghebbendheid. Je voelt al nattigheid bij het lezen van het voorwoord, waarin een schier onafzienbare rij aristocraten en ambassadeurs voor hun medewerking wordt bedankt. Geen kwaad woord natuurlijk over bejaarde edellieden en gepensioneerde diplomaten, die hun herinneringen over het Parijs van de jaren veertig nog best eens willen spuien. Maar met dit soort bronnen is het moeilijk serieuze historiografie te bedrijven.

Het meest storende aan Paris after the Liberation is de ongelijkmatigheid van de tekst. Zo gebeurt het nogal eens dat een relaas over politieke ontwikkelingen in het naoorlogse Frankrijk abrupt wordt onderbroken door achterklap over buitenechtelijke avonturen van society-figuren. Pierre Mendès-France, de Gaulles bekwame minister van financiën, komt maar één keer in het verhaal voor. Maar le beau Gaston, bijnaam van Gaston Palewski, één van de Gaulles naaste medewerkers, mag - naar men mag aannemen wegens de hem toegeschreven verleiderskunsten - op liefst 34 pagina's opdraven.

Afgelopen augustus hebben de Fransen de 50-jarige herdenking van de bevrijding van hun hoofdstad gevierd. Het gaat hier om een bewogen episode met vele ambivalenties en grijze zones, die een serieuzer behandeling verdient dan de wat lichtvoetige wijze waarop Beevor en Cooper gebeurtenissen en anekdotes aan elkaar breien.

Pétain

Lang niet alle Parijzenaars stonden achter het Tous aux Barricades dat in de derde week van augustus 1944 in de hoofdstad weerklonk. De oproep was een echo van de befaamde revolutionaire kreet uit de 19de eeuw. Maar de stad krioelde in de nadagen van de Duitse bezetting nog van de collaborateurs en meelopers. Amper vier maanden tevoren was maarschalk Pétain een enthousiaste ontvangst in Parijs ten deel gevallen.

Volgens de gaullistische versie hebben de Parijzenaars zichzelf grotendeels bevrijd. Generaal de Gaulle meende die legende destijds nodig te hebben voor de consolidatie van zijn positie als hoofd van de voorlopige regering. Maar de legende dekt niet wat er werkelijk is gebeurd.

De Parijse opstand had zeker zijn heroïsche aspecten, en er is veel bloed gevloeid: 1.600 doden aan Franse zijde, 3.000 gesneuvelde Duitsers. Tegelijk staat vast dat zonder de snelle opmars van de 2de Franse pantserdivisie en de 4de Amerikaanse divisie de revolutie in bloed zou zijn gesmoord. De Parijzenaars dankten hun bevrijding zowel aan de Franse generaal Leclerc als aan de Amerikanen. Het paste destijds in de gaullistische mythevorming om het aandeel van Frankrijks geallieerden in de bevrijding van Parijs zoveel mogelijk te verdoezelen.

Artemis Cooper is de kleindochter van Sir Alfred Cooper, die van 1944 tot 1947 Brits ambassadeur in Parijs was. In het voorwoord schrijft zij veel gebruik te hebben gemaakt van diens (niet eerder gepubliceerde) dagboek. Hoewel Cooper sympathie voor de Franse zaak had, kon hij zich mateloos ergeren aan de scherpe kanten van de Gaulles nationalisme. Zo schreef de ambassadeur over een parade op 18 juni 1945, de eerste officiële herdenking van de Gaulles oproep van 18 juni 1940 aan de Fransen om de strijd voort te zetten: “Al die vliegtuigen en voertuigen waren van de Engelsen en Amerikanen afkomstig. Maar er was geen Amerikaanse of Britse vlag te bekennen. Er was geen gram erkentelijkheid waarneembaar. Je kreeg voortdurend het gevoel dat Frankrijk zich op de borst stond te kloppen, terwijl het toch heel weinig had om over op te snijden.”

Het is jammer dat Beevor-Cooper de makkelijke weg van het anekdotische verhaal hebben gekozen, in plaats van te proberen deze episode in de recente Franse geschiedenis in een historisch perspectief te plaatsen. Al heeft Paris after the Liberation als historisch naslagwerk weinig te betekenen, er zijn gelukkig oases van gedegen journalistiek in te ontdekken. Zo is het hoofdstuk over de obsessie die talrijke Franse intellectuelen eind jaren veertig met het stalinisme hadden, goed gedocumenteerd. Hun voorkeur voor een intellectueel terrorisme dat fysieke terreur rechtvaardigt, paste wonderwel in de Jacobijnse traditie. De brouilles tussen beroemdheden namen soms groteske vormen aan.

In 1949 kwam het tot een breuk tussen Sartre en Malraux. Aanleiding was een verbitterde aanval op Malraux in het blad Les Temps Modernes, waar de auteur van La Nausée de scepter zwaaide. De uitgever Gallimard stopte na verschijning van het gewraakte artikel zijn financiële steun aan het blad. Naar later bleek, was dit gebeurd onder druk van Malraux die had gedreigd de onvaderlandse houding van de uitgever tijdens de oorlog naar buiten te brengen.

Na het ruchtmakende proces-Kravtsjenko in het zelfde jaar brak Jean-Paul Sartre met Arthur Koestler, die al in 1941 in Darkness at Noon op het bestaan van strafkampen in de Sovjet-Unie had gewezen. Sartre rechtvaardigde zijn besluit met het argument dat, wanneer je grote politieke meningsverschillen hebt, “je zelfs niet samen naar de bioscoop kunt gaan”. Albert Camus moest van deze scherpslijperij niets hebben. De breuk tussen hem en Sartre volgde begin jaren vijftig na de publikatie van L'homme révolté, waarin Camus intellectuelen aanviel die bereid waren hun artistieke integriteit ondergeschikt te maken aan politieke overwegingen.

Zwarte markt

De eerste vier jaar na de bevrijding van Parijs waren moeilijk: ernstige voedseltekorten, een welig tierende zwarte markt, het begin van de Koude Oorlog, sociale onrust, angst voor een communistische staatsgreep. Nancy Mitford schrijft in de herfst van 1946 aan Evelyn Waugh: “De Windsors vertellen wie het maar horen wil, dat de communisten in Frankrijk elk moment de macht kunnen overnemen en dat iedereen zijn juwelen in een kluis moet wegstoppen.” Van 1948 af bracht het Marshall-plan snelle verbetering in de Franse economie. Er kwam een eind aan de stakingsgolven, de communisten verloren aan invloed, en begin 1949 kon de broodrantsoenering worden opgeheven. De Vierde Republiek was (voorlopig) gered.

In 1947 bracht Christian Dior met de New Look een revolutie in de mode teweeg. Maar de verschillen tussen rijk en arm waren zo groot en de klassestrijd-instincten nog zo gemobiliseerd, dat het optreden van mannequins buiten les beaux quartiers niet zonder risico was. Zo beleefde een modeshow op de markt van de rue Lepic (in Montmartre) een voortijdig einde, toen woedende marktvrouwen een mannequin de kleren van het lijf begonnen te rukken.

Terecht wijden Beevor en Cooper aandacht aan de hoogtijdagen (1947-'48) van Saint-Germain-des-Prés. Er was de plotselinge populariteit van het existentialisme, uitgdragen door Jean-Paul Sartre die aan zijn vaste tafeltje in Café Flore aan zijn opus magnum L'Être et le Néant werkte, en de omarming door de Parijse jeugd van Amerikaanse jazz-vormen als jitterbug en be-bop. Het verband tussen die twee verschijnselen is op het eerste gezicht flinterdun, maar bedacht moet worden dat Sartre met zijn anti-helden, zoals Matthieu in Les Chemins de la Liberté, een gevoelige snaar bij de Franse jeugd had beroerd.

Zoals het meestal met zulke modeverschijnselen gaat: als de cultus echt op gang komt, zijn de oorzaken van de mythevorming al vervluchtigd. In de zomer van 1948 had het toerisme de jazz-kelders van Saint-Germain ontdekt. Sartre, de beroemdste habitué van Saint-Germain, had inmiddels al lang Café Flore voor veiliger oorden ingeruild.