Vondel, Rembrandt, Pijper

Mens en Melodie: ƒ 7,75

De componist Willem Pijper, honderd jaar geleden geboren, wordt voor de tweede keer behandeld in het tijdschrift Mens en Melodie. Op het omslag van het septembernummer 1994 staat het omslag van het juni-julinummer 1947 van Mensch en Melodie, waarin de enkele maanden eerder op 52-jarige leeftijd overleden Pijper werd herdacht. In één van de zeven artikelen wordt daarvan een samenvatting gegeven. Pijper was destijds zelfs “de Messias van de nieuwe Nederlandse muziek.”

Maar al snel gaat hetzelfde stuk over in een worsteling tussen de erkenning van Pijpers historische belang als modernist en de twijfel aan zijn belang voor het muziekleven van deze tijd. Zelfs de oude Hans Henkemans, leerling van Pijper, verkeert in dubio: 'Waarom wordt hij niet óf vergeten óf op het repertoire genomen?' Martijn Padding, een jonge componist van nu, vindt Pijper 'te netjes' en heeft meer bewondering voor diens hemelbestormende tijdgenoot Matthijs Vermeulen.

Die worsteling met Pijper in Mens en Melodie is interessant. Er ontstaat een instructief, vaak verbazingwekkend beeld van de drie tijdperken waarin Pijper een rol speelde. Er was de vooroorlogse tijd waarin Pijper leefde en werkzaam was als criticus, componist en - in zijn functie van Rotterdams Conservatorium-directeur - als leraar van componisten. Pijper heette toen de enige Nederlandse componist van internationaal formaat.

Dan was er het tijdperk na zijn dood. Pijper werd nog gespeeld, op de plaat gezet en door een Amerikaan gekwalificeerd als 'Gershwin op klompen'. Maar het was ook de tijd waarin Pijpers belang als voorbeeld voor jongeren plots verdween toen de serialiteit het componeren ging beheersen, in ons land onder leiding van Pijperleerling Kees van Baaren.

En er is de huidige tijd, waarin Pijpers muziek nog slechts sporadisch klinkt, behalve dan nu juist de laatste weken tijdens een aantal herdenkingsconcerten en voorstellingen van Halewijn. Het Schönberg Kwartet heeft zijn oeuvre voor strijkkwartet opgenomen, maar Donemus besloot zijn muziek niet voor een groter publiek toegankelijk te houden door die op cd over te zetten - toch bij uitstek een taak van dit instituut! Het is ook de tijd dat in Het Parool een recensie over Halewijn verschijnt onder de kop 'Zo dood als Pijper'.

Pijper is inderdaad morsdood, maar dat geldt ook voor Vondel, Rembrandt en vele andere kunstenaars uit het verleden. Vondel en Rembrandt wordt niet verweten dat zij geen betekenis meer hebben voor de huidige kunst van het dichten, toneelschrijven, schilderen of etsen. Hun historisch belang is voldoende om af en toe eens naar de schouwburg of het Rijksmuseum te gaan. Zo mag men toch ook met plezier luisteren naar Pijpers regressieve Zes adagio's?

Het merkwaardige in de componeerkritiek is vaak de onverdraagzaamheid. Pijper deed daaraan zelf ook mee: hij beschouwde Strawinsky als een dorre academicus en verweet Wagner een zeer beperkte artistieke potentie. Het Pijpernummer registreert op onthullende wijze die benauwde dogmatische sfeer van vroeger. Ook Reinbert de Leeuw wenste in 1966 Pijper een plaats toe in de illustere rij van vergeten voorgangers en tijdgenoten.

Bij lezing van deze Mens en Melodie is men blij te leven in een tijd waarin kunstenaars elkaar minder dan vroeger de wet voorschrijven. Een tijd waarin ook criteria gelden als 'ooit waardevol', 'interessant', 'persoonlijk' of 'anders dan anderen'. Die gelden nog steeds voor Willem Pijper.