Vergezichten van een vrij man; Parijs herontdekt de schilder Gustave Caillebotte

De Fransman Gustave Caillebotte staat vooral bekend als de mecenas van de impressionisten. Als schilder is hij nooit beroemd geworden. Pas vandaag opent de eerste grote tentoonstelling van zijn werk in Parijs. “Caillebotte was nergens op uit. Hij deed wat hem goeddunkte. Pas na een eeuw begint zichtbaar te worden wat dat was.”

Tentoonstelling: Gustave Caillebotte, 1848-1894. Tot 9 januari 1995 in Grand Palais (métro Champs Elyées-Clémenceau), Parijs. Geopend: iedere dag van 10-20 uur, woensdags tot 22 uur, dinsdags gesloten. Van 15 feb. tot 28 mei 1995 in Chicago. Prijs catalogus (380 pag) FF 320,-

Zij ligt uitgestrekt op een comfortabel uitziende, buiten model canapé, met een delicaat bloemmotief en ruim bemeten kussens. Waarschijnlijk in een woonkamer van de kunstenaar. Wij weten niet wie zij is, wat zij daar doet of heeft gedaan. Met de linker arm onttrekt zij haar gezicht enigszins aan onze nieuwgierige blikken, de rechter hand beroert licht de linker tepel.

Inderdaad, zij is naakt. En niet, zoals de schilderkunst eeuwen gewend was, in bijbelse of mythologische omstandigheden. In 1882, toen Gustave Caillebotte dit Nu au divan schilderde, was dat nog de gewone procedure, ook al was het taboe op zomaar-naakt al doorbroken door Edouard Manet, toen hij in 1863 tot ontzetting van le tout Paris zijn Olympia tentoonstelde. Ook daarop lag de hoofdpersoon zonder veel excuses naakt op de bank, maar zij bedekte met een hand haar kruis.

Heel kuis, of was Manet toch bang nog meer grenzen te overschrijden? De opwinding van destijds was daarom zo dubbelzinnig omdat dit zelfbewuste, mooie meisjesfiguur in vrijwel letterlijk de zelfde pose naar ons lag te kijken als die waarin Titiaan zijn Venus van Urbino in 1538 had neergevleid. Courbet diende Manet in 1866 van repliek voor zijn ongepaste vrijmoedigheid met zijn La femme au perroquet, een naakte vrouw die met een kuis laken tussen de benen ligt, in een ongetwijfeld fascinerende dialoog met haar papegaai gewikkeld.

Zo niet dit naakt van Caillebotte. Zij ligt echt bloot. Of zij moe is of zich liever niet vereeuwigd zag, het is niet te zien. Zij kijkt ons niet aan. Maar haar opgetrokken been en de uitgestrektheid van het andere been stralen een niet-sensationele maar onmiskenbare zinnelijkheid uit. Haar schaamhaar is onbedekt en prominent. Zij leeft, en is niet verpakt in een overbodig verhaal.

Waarom uitvoerig stilgestaan bij een negentiende-eeuws naakt, in een tijd waarin anoniem bloot iedere nieuwswaarde heeft verloren? Om aan te tonen dat Caillebotte een vernieuwer was? De tijdgenoot, vriend en verzamelaar van de impressionisten ontdekt als voorloper?

Misschien wel. Deze teruggetrokken kunstenaar (1848-1894), die amper twintig jaar schilderde, heeft niet voor niets deze week pas zijn eerste grote tentoonstelling in Parijs gekregen. Met 89 schilderijen en 28 tekeningen presenteert hij zich als een fascinerende stille kracht, wiens boodschap en betekenis nog lang niet zijn gedefinieerd. Wie hem in de vaste collectie van het Musée d'Orsay leerde kennen als 'een van de mindere impressionisten' staat een verrassing te wachten.

Lastig cadeau

Gustave Caillebotte is ontdekt door Amerikanen. In 1976 en 1977 was de eerste grote tentoonstelling over zijn werk in Brooklyn en Houston. In Frankrijk is hij hoogstens bekend geworden als die rijke mecenas die eind vorige eeuw een belangrijke collectie impressionisten aan de staat schonk. Dat veroorzaakte toen nogal een affaire want de kunstambtenaren van die tijd vonden het een lastig cadeau: ongeveer zestig schilderijen van zulke raarschilders als Degas, Cézanne, Manet, Monet, Renoir, Pisarro, Sisley en Millet. En zij moesten volgens het testament twintig jaar bij elkaar hangen in het museum voor moderne kunst van toen, het Luxembourg, “totdat het publiek, ik zeg niet: het begrijpt, maar deze schilderkunst accepteert”. Daarna moest de verzameling naar het Louvre.

Renoir, die uitvoerder van het testament was, zou een paar jaar touwtrekken met de autoriteiten alvorens zij schouderophalend enige wanden inruimden voor nu wereldberoemde schilderijen als Le Balcon van Manet, Bal du moulin de la Galette van Renoir, La gare Saint-Lazare van Monet, zeven Pisarro's, zes Sisley's en L'Estaque van Cézanne. De impressionisten hadden niet voor niets hun eigen tentoonstellingen moeten organiseren om enige bekendheid te krijgen.

Caillebotte is de geschiedenis van het impressionisme ingegaan als de rijke verzamelaar die het kennelijk vroeg doorhad. Dat hij ook zelf een beetje schilderde, leverde hem meer onverschilligheid dan kritiek op. Het was niet gevaarlijk, en kwam wel meer voor in welgestelde kringen. De ware betekenis van zijn schilderswerk bleef grotendeels aan het publieke oog onttrokken, omdat hij de bescheidenheid had gehad in zijn belangrijke schenking aan de Franse staat niet één Caillebotte op te nemen, al liet hij vijfhonderd schilderijen en tekeningen na. Hij bleef extra onbekend omdat hij bijna niets had verkocht: van zijn vader erfde hij een kapitaal dat hem op zijn vijfentwintigste miljonair maakte. Hij had het geld niet nodig, en had kennelijk weinig hoop of ambitie zich in de gunst van enige koper te verheugen.

Naar Caillebotte's motieven wordt hoofdzakelijk gegist. Er is verrassend weinig bekend over zijn leven en zijn denken. Alleen zijn doen heeft sporen nagelaten. Geen dagboeken, slechts een handvol brieven. Geen dramatische anekdotes, slechts aanwijzingen. Bijvoorbeeld dat hij vooral Monet en Pisarro materieel veelvuldig hielp, en tijdens de maandelijkse impressionisten-maaltijden in Café Riche (Rue Le Peletier) altijd door Renoir op de hak werd genomen. Misschien werd zijn rol als vreemde eend in de bijt versterkt door een beperkt gevoel voor humor.

Caillebotte schaamde zich overigens niet voor zijn schilderwerk. Niet alleen organiseerde en subsidieerde hij tussen 1876 en 1882 verschillende tentoonstellingen van de impressionisten, hij deed er ook aan mee, nadat ook hij op de officiële Salon was geweigerd. Op uitnodiging van Degas en Renoir zond hij werk in naar de tweede impressionisten-tentoonstelling, onder andere zijn bekend geworden Raboteurs de parquet, in twee versies.

Beide schilderijen tonen parketschavers aan het werk in zo'n typisch Parijs apartement van ruim een eeuw geleden. Kirk Varnedoe en Marie Berhaut, die het meest hebben gedaan om Caillebotte zijn rechtmatige plaats in de geschiedenis te bezorgen, menen te weten dat het de vloer van het ouderlijk huis aan de Rue Miromesnil is geweest. Veel van Caillebotte's stadstaferelen spelen zich af in dit stuk Parijs, rondom de Opéra en Gare Saint-Lazare, in het achtste en negende arrondissement. Het doet er niet zo veel toe, het was een beeld van het Parijse leven van 1875, en niet één dat men hoorde af te beelden.

De eerste reacties waren betrekkelijk dodelijk. Caillebotte werd afgedaan als een rauwe realist. Arbeid en zweet uitbeelden was niet welkom, de lichamen van de parketwerkers waren te mager. “Schildert naakt, heren, als het naakt u bevalt, maar laat uw naakt mooi zijn en vergeet het anders”, schreef een criticus. Een collega vond het een idioot schilderij, want “in plaats van op een horizontale vloer te werken, moeten die ongelukkige parketschavers zich staande houden op een hellend vlak met het risico op de onschuldige toeschouwer af te glijden.”

Emile Zola vond de Raboteurs en de Jonge man voor zijn raam van 'een verbazingwekkend reliëf', maar 'anti-artistiek, een soort schoonschilderen, een ijsje, burgerlijk door zijn nauwkeurigheid. De afbeelding van de waarheid, zonder de originele expressie van de schilder, is een armoedige zaak'.

Hoe raak en hoe tijdgebonden. Want precies waar de grote chroniqueur persoonlijke waarneming en artistieke verwerking miste, kan met even veel recht de originaliteit van Gustave Caillebotte in worden gezien. Hij filmde zijn omgeving zonder die mooier te maken dan hij hem zag. Omdat zijn omgeving er een was zonder financiële zorgen, legde hij veel situaties vast van ontbijten met bediening, piano studeren, wandelen en het buitenleven, met planten en boten, Caillebotte's twee grote liefdes. Buiten misschien de vrouw op de bank. Zijn gewijzigd testament en een notariële akte van de aankoop van een buitenhuis in Petit-Gennevilliers wijzen erop dat zijn latere levensjaren werden gedeeld met Charlotte Berthier, die eigenlijk Anne-Marie Hagen heette, en van wie geen enkel echt portret bestaat.

Kalfskoppen

Misschien was Caillebotte's status als welgestelde heer een extra beletsel voor zijn tijdgenoten hem naar waarde te schatten, meer nog dan het wantrouwen dat de overige impressionisten al oogstten. Als schilder viel Caillebotte in de groep niet op. Zijn impressionisme was niet constant van kwaliteit, en evenmin consequent. De ene keer lijkt hij netjes academisch te schilderen, de volgende keer gaat hij zijn onderwerp pointillistisch te lijf, om zich soms op het zelfde doek te bekeren tot een prettig lichte streek, als in Monets vrolijkste buitentaferelen. Caillebotte was nergens op uit, hij vocht niet om enig inzicht ingang te doen vinden. Hij deed wat hem goeddunkte. Pas na een eeuw begint zichtbaar te worden wat dat was.

Op de tentoonstelling in het Grand Palais hangen schilderijen die gemist kunnen worden, de kalfskoppen en oesters zijn niet bijzonder aantrekkelijk. Maar één ding wordt zichtbaar: Caillebotte's onafhankelijke kijk was nieuw. Dat is de triomf van deze stille, op zijn laatste zelfportret zo te zien moeilijke man. Zijn onderwerpen waren lang niet altijd origineel. Hij was niet de eerste om boten op de rivier, was aan de lijn en verstellende dames in een prettige tuin af te beelden.

Des te meer waren zijn koele blik en zijn manier van in beeld brengen modern. Dat blijkt even goed in de straattaferelen als bij de ongehoord waardenvrije portetten van mannen en vrouwen, nietsdoend voor een raam, of bijna hulpeloos peinzend. Door de schilder gevangen in ongebruikelijk indringende invalshoeken.

De mensen op deze Parijse straten zijn eenzaam zonder alleen te zijn. Misschien was Caillebotte wel een van de eerste waarnemers van de grootsteedse vervreemding. Het licht in Rue de Paris, temps de pluie is nat en tijdloos grijs. Niks gezellige terrasjes en geanimeerde gesprekken. Hoogstens een vergelijking met de contactarme volte in Seurats Zondagmiddag op Grande Jatte (tien jaar later.) Verder schieten vooral Magritte, Willink, en met een beetje fantasie De Chirico, te binnen.

Het contrast met al die zonnige scènes op het familielandgoed in Yerres lijkt groot. Dat is maar schijn. Caillebotte schilderde zijn dagboek. Als werkelijk vrij man deed hij dat met middelen die nieuw waren in zijn tijd, die van het impressionisme. Waar hij harmonie waarnam, schilderde hij vredig samenzijn. Waar zijn oog viel op een lelijke fabriek, langs de Seine bij het door impressionisten veel bezochte Argenteuil, schilderde hij de lelijkheid van zijn tijd.

Gustave Caillebotte mag een man zonder programma zijn geweest, hij had zeker zijn opvattingen. Die brachten hem ertoe zich met alle hem ter beschikking staande middelen in te zetten voor de grootste vernieuwing van de schilderkunst van de late negentiende eeuw. Dat belette hem niet de vrijheid te nemen een scheepsbouwer en hovenier van enige betekenis te worden. Het is zijn verdiende overwinning dat zijn vaderland hem nu eindelijk ook als schilder begint te begrijpen.