Twee op een brommer

Ik maak nooit iets mee. Maar op vrijdag 24 juni wel. Het was een mooie dag. Ik fietste langs de Amstel en werd ingehaald door een bejaard echtpaar op een brommer. De man zat voorop en stuurde. De vrouw zat achterop, had een arm om het middel van haar man geslagen en keek over zijn schouder mee. Glazige blik, in gedachten verzonken. Ze droegen allebei dophelmen en bruine leren jassen. Zo zie je ze niet vaak meer.

Een eindje verder haalde ik ze weer in. Ze waren afgestapt bij een bankje, hadden hun helmen afgezet en hun dikke jassen uitgetrokken en installeerden zich nu met een thermoskan en wat plastic zakken op de bank bij de waterkant.

Bejaarde echtparen op brommers zijn altijd op weg naar de waterkant. Ze gaan zitten en kijken naar wat voorbijkomt. Eenden, zwanen en waterhoentjes. Roeibootjes, skiffs en achten. Zeilbootjes, motorbootjes en jachten. Ze kijken ernaar en soms kijken ze naar elkaar en zeggen niks en eten wat. Ze denken: wat ben ik blij dat ik niet de hele dag op zo'n bootje hoef te zitten.

De mensen op de bootjes trekken aan de riemen, zitten aan het roer of liggen op hun dek en kijken naar wat op de wal voorbijkomt. Hengelaars, autowassers en trimmers. Waltoeristen in tuinstoelen, liggende lezers en afgestapte fietsers. En soms in de schaduw een bejaard echtpaar op een bankje naast een brommer. Ze kijken ernaar en denken: wat ben ik blij dat ik de hele dag lekker op het water zit.

Aan het eind van de dag gaat iedereen weer naar huis. Toen ik thuiskwam, sloeg ik de krant op en las een interview met de schrijver Nicolaas Matsier. Het ging onder andere over de vele dingen van vroeger die nu zijn verdwenen. Over de televisieantennes die twintig jaar geleden nog op ieder huis stonden. Over het spionnetje: een spiegeltje bij het raam waardoor je kon zien wie er voor de deur stond. En over het echtpaar dat ik zojuist had zien zitten: 'Het echtpaar op de bromfiets, met bromfietshelmen op, en lange leren jassen aan, die zijn ook uit het straatbeeld weg', zei Matsier. 'Dat ze er niet meer zijn, stel je nooit vast. Totdat je op een gegeven moment een oude foto in handen krijgt en denkt, god ja, dat had je toen.'

En nu nog even een gedicht. Het is van de dichteres Renée van Riessen. Die heeft het echtpaar ook gezien. Niet langs de Amstel, maar ergens in Overijssel, op een deken in de berm:

OUD IN OVERIJSSEL

Twee op een brommer, leren jassen tegen de wind. Eén lichaam zijn ze dat zijn beste jaren gehad heeft. Met mondvoorraad onder haar dijen. Tassen vol broodjes, een thermoskan met koffie. Twee op een deken in de berm, zij schenkt en snijdt de worst op het brood met voorzichtige handen. 'We hebben het goed,' zegt ze, 'vroeger had je geen boter maar reuzel, en worst daar viel nog niet aan te denken.' Ze reddert rond, een duif op het oude nest; hij ziet het aan - de hond is dood hun dochters kwamen goed terecht.

Renée van Riessen