Tot aan de hals in het zand; Structuurloze gedichten van Nachoem Wijnberg

Nachoem M. Wijnberg: Is het dan goed. Uitg. De Bezige Bij. 62 blz. Prijs ƒ 34,50

Mooi is een woord dat maar het best tussen aanhalingstekens gezet kan worden als het om poëzie gaat. Poëzie is lang niet altijd 'mooi', maar vaak wórdt zij het wel, voor wie de tijd neemt. Dat Nachoem Wijnbergs poëzie niet mooi is, hoeft dus nog niet zoveel te zeggen. Zij kan het, uit een nieuwe hoek bekeken, of in het licht van een onverwachte benadering, altijd nog worden.

Zijn vijfde bundel in vijf jaar tijd heet Is het dan goed, zonder vraagteken. Hij bevat 52 gedichten van de saaie soort: droog, prozaïsch, beschrijvend, zonder metrum, zonder rijm en helaas ook zonder ritme. Geen verrassende beelden, geen eigenzinnige woordkeus, geen muziek. Het is redeneerderig, nadenkend, gewoontjes allemaal. 'Liever ga ik dood dan dat ik mooi spreek' zegt iemand ergens, en ik denk dat de dichter daar wel begrip voor op kan brengen.

Voor Wijnbergs doen zijn de gedichten in Is het dan goed opmerkelijk kort. In zijn eerste vier bundels liep de gemiddelde gedichtlengte gestaag op (van 13 via 16 naar 21 regels), maar nu is het gemiddelde drastisch gezakt tot 9. Je zou verwachten dat daarmee de pregnantie is toegenomen, maar dat valt eerlijk gezegd nogal tegen. Is het dan goed bevat juist veel lange, soms zelfs onmogelijk lange zinnen die de vaart eruit halen en het begrip ernstig vertragen.

Wijnberg kan een gedicht bijvoorbeeld zo beginnen: 'De slager maakt onbeweeglijk/ en laat zich daarin ophopen/ wat hij om het te zien wil tonen.' Of hij schrijft, midden in een vers: 'Een als hij is genoeg/ op een dag dat ik hem het deel van een deel trots kan toestaan/ voor wie van tevoren over mij denkt.' Het zijn nog maar betrekkelijk onschuldige voorbeelden. Wie weet het antwoord op de volgende vraag: 'Waarop verder trots te zijn/ dan op het een nek kunnen breken waar een nek is/ of hem die het doet kunnen aanwijzen als ik het gezien heb/ of dat als ik een nek zie ik daarnaar kan blijven kijken/ zolang ik niet kan besluiten ergens heen te gaan/ zonder te kunnen zeggen wat daar moet?' En, om dan meteen maar het hele gedicht te geven, wie kent de oplossing voor het daaropvolgende probleem: 'Wat moet een die tot aan zijn hals in het zand begraven is,/ achtergelaten,/ nadenken over de plagen die vanwege hem het land/ bezoeken?'

Mooi is het niet, maar is het dan misschien goed, zoals de titel van de bundel ons lijkt te vragen? Want als iets goed is, kan het vanzelf wel weer mooi worden. Voor het zojuist aangehaalde gedicht zou ik dat niet willen uitsluiten. Misschien is het wel de radeloze monoloog van iemand die tot aan zijn hals in het zand begraven is en zich in doodsnood de meest onmogelijke en omslachtige vragen blijft stellen. Zo gelezen schemert er nog wel een zweem van schoonheid doorheen, al is dat dan de schoonheid van het absurde.

Maar in de meeste andere gevallen wordt het moeilijk om eerst al eens door de lelijke en onbeholpen buitenkant heen te zien, en vervolgens begrip op te brengen voor de willekeurige binnenkant. Hier volgt een gedicht dat behoort tot de meer heldere. Er wordt een verhaal in verteld, maar over wie gaat het en wat is de zin ervan? RAMP Zij doen dit, zij doen dat. Ik wil niets meer daarover horen. Ik stuurde hun een goedkoop cadeau waarmee ik zelf geen dag blij was geweest. Ik vluchtte weg van hun overwinning en zwom alleen een rivier over en op de andere oever ging ik liggen en viel in slaap en ik werd bijna een halve dag later wakker en ik weet niet wat ik moet doen. Enige structuur heb ik in deze afdelingsloze bundel niet kunnen ontdekken, maar misschien heeft Wijnberg zich juist wel willen oefenen in structuurloosheid. Losse beelden, willekeurige opeenvolging van zinnen, wakker worden en niet weten wat te moeten doen, zoals in 'Ramp': dat komt wel vaker voor in deze bundel en dat zou wel eens het geheime thema ervan kunnen vormen.

Op verschillende plaatsen gaat het om het besef dat alles al bekend is en om het verlangen naar nieuwe belevenissen en ervaringen: alsof de dichter ontwaakt uit een droomrijke slaap en de nieuwe dag voor zich ziet liggen. Drie lukraak gekozen citaten: 'Wij hebben alles al gedaan wat wij hier kunnen doen', 'Ik verzin wel weer iets nieuws/ als dat nodig is', 'Alles moet opnieuw uitgekozen worden'. Maar veel verder dan deze constateringen komt Wijnberg niet.

Blijkbaar wil hij steeds opnieuw gedichten schrijven die hardnekkig in de aanzet blijven steken. Dat is een mooie gedachte, waarbij men zich mooie poëzie voor kan stellen. Maar Wijnbergs uitwerking ervan, zo zonder enige noodzaak of bevlogenheid of humor, blijft bijster oninteressant. 'Het zou moeten zijn alsof/ hij kon proberen de redenen terug te volgen' lezen we. Van zulke omslachtige redeneringen wemelt het. 'Ik probeer zo duidelijk mogelijk te zijn'. En toch wil het maar geen poëzie worden.