Pretentieloze musical met Motown-hits

Voorstelling: The Sound of Motown door Stardust Theatre. Choreografie en regie: Mabel Robinson. Spel: Rhetta Hughes, Britt Wilson, Jim Weaver, e.a. Muziek o.l.v. Fred Gripper. Decor en kostuums: Jan Aarntzen. Gezien: 15/9 in Luxor, Rotterdam. Aldaar t/m 2/10, daarna elders.

Wat er straks met die drie zwarte meisjes in die jurkjes in oranje-tinten gebeurt, is in een musical onder de titel The Sound of Motown natuurlijk van meet af aan duidelijk: die worden ontdekt, maken hits, worden wereldberoemd en krijgen achter de schermen zoveel ruzie dat er één de laan uit wordt gestuurd. Maar in dit geval treft dat lot nu juist de enigszins op Diana Ross gelijkende lead-zangeres, want het was niet de bedoeling er een biografie van de Supremes van te maken - alleen maar een show waarin veel oude hits konden worden verwerkt, volgens het procédé dat de Nederlandse produktiemaatschappij Stardust eerder Engelstalige succesvoorstellingen als A night at the Cotton Club en Josephine opleverde.

Het script, dat in het programmaboekje aan een zekere I.D.A. Washington wordt toegeschreven, is vóór de pauze dan ook vooral een vaardige samenvatting van de voorspelbare elementen uit de carrière van een meidengroep die in de jaren zestig, zoals de Supremes, onder contract stond bij de fabelachtige platenfirma Motown. Niet minder dan 25 nummers komen er in die eerste helft voorbij, soms alleen maar als illustratief fragment, soms in een medley, af en toe onderbroken door een ultrakort dialoogje, fleurig aangekleed (in één nummer dragen de zangeressen achtereenvolgens drie verschillende toiletjes!) en voorzien van levendige, hoewel niet spectaculaire mouvementen. Wie zich niet stoort aan de vettige lopende-band-arrangementen die bijna alle nummers gelijkluidend maken, en aan de onbedwingbare neiging van de vocalisten om alles te versieren met gospel-uithalen, kan aan deze pretentieloze revue aardig vertier ontlenen.

Na de pauze is het echter uit met de pret. Dan verplaatst de handeling zich naar het hedendaagse Detroit, waar de uit de groep gezette zangeres na dertig jaar blijkt terug te keren in een milieu van drugs en straatbendes. Wat haar bezielt, weet I.D.A. Washington - een pseudoniem, naar is doorgeschemerd, voor producent Henk van der Meyden - niet duidelijk te maken. En wat hij verder in dramatisch opzicht met haar moest beginnen, stond hem blijkbaar evenmin helder voor ogen. Plompverloren worden enkele bijfiguren tot hoofdpersoon verheven, terwijl de echte hoofdpersoon niet meer dan drie gemeenplaatsen nodig heeft om een ongehuwde moeder van de crack af te helpen en één feestdag genoeg lijkt om een gewapende bende uit het zicht te doen verdwijnen. Tenslotte gaat ze dood; wederom om volstrekt onduidelijke redenen.

Het heeft allemaal de emotionele diepte van een Diana Ross-concert, en het maakt die tweede helft ondraaglijk pretentieus en bespottelijk onhandig. Voor hoofdrolspeelster Rhetta Hughes, een goede zangeres, is er dan allang geen beginnen meer aan om in die warboel nog een geloofwaardig personage te spelen.