'Personeel krijgt steeds meer te zeggen over steeds minder'; Vreeman wil invloed werknemers oppeppen

DEN HAAG, 16 SEPT. De aantrekkende economie en stijgende winsten bij Nederlandse ondernemingen hebben twintig jaar oude thema's nieuw leven ingeblazen. Nadat beleidsmedewerker K. Korevaar van de Industriebond FNV afgelopen woensdag in deze krant de aftrap verrichtte door de Vermogensaanwasdeling (VAD) in een nieuw jasje te steken, komt Tweede Kamerlid en vice-voorzitter van de PvdA, R. Vreeman, met het idee om gekoppeld aan meer aandelenbezit voor werknemers ook de medezeggenschap van werknemers een oppepper te geven.

Beide thema's waren midden jaren zeventig onderwerp van fel debat. Een wetsvoorstel waarin de samenstelling van de ondernemingsraad opnieuw geregeld werd leidde begin 1976 bijna tot een breuk in het kabinet Den Uyl. Uiteindelijk werd een oplossing gevonden, die als “een politiek compromis van de bovenste plank” werd bestempeld. De ondernemingsleiding zou voortaan geen deel meer uitmaken van de OR, maar zou nog wel met de werknemersvertegenwoordigers overleggen binnen een nieuw instituut, “de overlegvergadering”. Toen de schriftelijke behandeling in de Tweede Kamer van de nieuwe Wet op de Ondernemingsraden (WOR) al een eind op streek was, sneuvelde in het voorjaar 1977 het kabinet Den Uyl over de grondpolitiek. De feitelijke val van het kabinet werd echter veroorzaakt door de splijtende ideologische thema's VAD en WOR. In beide gevallen ging het om de machtsvraag. Wie moet het binnen de onderneming voor het zeggen hebben en aan wie moeten de financiële vruchten van het ondernemen toevloeien? De twee arbeidspsychologen Korevaar en Vreeman pakken de draad weer op waar die twintig jaar geleden is blijven liggen, maar brengen de discussie wel op een hoger plan. Vreeman neemt de ideeën van Korevaar over en zet er de zeggenschapsvraag bovenop. “Zodra het aandelenbezit bij werknemers meer vorm krijgt”, zegt het Tweede Kamerlid voor de PvdA, “moeten we gaan nadenken over constructies waarin de zeggenschap van werknemers een nieuwe impuls kan krijgen. Als aandeelhouder kunnen werknemers de vergadering van aandeelhouders bezoeken. Ze kunnen daar meepraten over de hoofdstrategie van de onderneming waarin ze werken. Ze kunnen vragen stellen als: 'waarom fuseren wij met dat andere bedrijf? Waarom plaatsen we bedrijfsonderdelen over naar het buitenland?' Als mede-aandeelhouders hebben werknemers automatisch inspraak over de benoeming van de ondernemingsleiding en krijgen ze medezeggenschap over investeringsbeslissingen. En het is zelfs mogelijk dat ze als collectiviteit van aandeelhouders een plaats claimen in het toezichthoudende orgaan, de raad van commissarissen. Met werknemers in de vergadering van aandeelhouders krijg je meteen een andere verhouding tussen kapitaal en arbeid.”

Vreeman vindt het één van de “beslissende blunders” van de Amerikaanse vakbeweging dat ze het aldaar wijd verbreide aandeelhouderschap onder werknemers niet hebben gebruikt als zeggenschapsinstrument. Hij pakt er een boekwerkje, 'Which side are you on' van Thomas Geoghagan bij waarin dit wordt aangetoond. “In de VS worden werknemersaandelen voornamelijk gezien als individuele beleggingen, als spaargeld voor de oude dag”, zegt Vreeman. “Als Nederlanders sluiten wij meer aan bij de Duitse dan bij de Angelsaksische traditie. In Duitsland is de medezeggenschap van werknemers net als bij ons wettelijk verankerd. Maar de Duitsers gaan verder.” De vakbeweging moet volgens de oud-vakbondsvoorzitter “niet te defensief reageren op de ideeën over vermogensvorming door werknemers”. “Er ligt nu een nieuwe kans om het zeggenschapsdebat van de jaren zeventig terug te halen”, zegt hij. “De maatschappelijke- en krachtsverhoudingen zijn veranderd. Toen ging de discussie over distantie van werknemers versus medeverantwoordelijkheid, waarbij het eerste domineerde. Ik zou nu kiezen voor meer medeverantwoordelijkheid.”

En hij komt met concrete voorstellen. Vreeman: “Werknemersparticipaties in de vorm van aandelen zouden fiscaal nog aantrekkelijker kunnen worden gemaakt dan nu volgens de Wet Vermeend/Vreugdenhil het geval is.” Op grond van deze wet kunnen werknemers en werkgevers afspraken maken over vormen van loon, waaronder winstuitkeringen en werknemersaandelen, die zijn vrijgesteld van belasting- en premieheffing. Voor 1994 gaat het per werknemer om een totaal bedrag aan loon van maximaal 2568 gulden. Vreeman noemt dit “een begin van een nieuwe manier van denken, die best nog wat kan worden uitgebreid”.

Bovendien zou het kabinet volgens Vreeman moeten bestuderen of beschermingsconstructies verhinderen dat werknemers met aandelen worden toegelaten, individueel of collectief, tot aandeelhoudersvergaderingen. “Als dat het geval is”, zegt hij, “dan moet daar wat tegen worden gedaan. Dan moet er een wet komen die voorschrijft dat wanneer werknemers een bepaald percentage van de aandelen van hun bedrijf in handen hebben, ze ook automatisch toegang hebben tot de aandeelhoudersvergadering. Bovendien zou wettelijk kunnen worden geregeld dat wanneer werknemers een bepaald percentage, bijvoorbeeld 5 procent, van de aandelen in handen hebben, ze het recht krijgen om een vertegenwoordiger in de raad van commissarissen te benoemen. De betrokken werknemers hoeven niet zelf naar de aandeelhoudersvergadering te gaan. Ze hoeven ook niet zelf in de raad van commissarissen zitting te nemen. Die verantwoordelijkheid kunnen ze overdragen aan hun vakbond of aan het bestuur van een Stichting werknemersaandelen. Hier liggen nieuwe mogelijkheden tot belangenbehartiging voor de vakbeweging. Die zou werknemersaandeelhouders op dezelfde manier kunnen bijstaan als nu het geval is met OR-leden. Staatssecretaris Vermeend (financiën) en minister Melkert (sociale zaken en werkgelegenheid) moeten maar eens uitzoeken hoe een en ander in een wettelijk kader kan worden gegoten.”

Vreeman verwijst een paar keer naar het Duitse model. In Duitsland gaat de traditie van medezeggenschap voor het personeel terug tot 1848. Centraal staat een ondernemingsraad met ruime bevoegdheden. De werknemers zijn echter ook in de raad van commissarissen vertegenwoordigd. In bedrijven met meer dan 2000 werknemers hebben zij sinds 1976 zelfs evenveel gekozen vertegenwoordigers in de raad van commissarissen als de aandeelhouders.

De zeggenschap van werknemers over de eigen werksituatie neemt enorm toe, zo betoogt Vreeman. Maar de ondernemingsbeslissingen die de toekomstige werkgelegenheid in een bedrijf bepalen, raken steeds verder buiten beeld door de internationalisatie. “De werknemer krijgt steeds meer te zeggen over steeds minder”, constateert Vreeman. Door internationalisatie van zeggenschap (het instellen van een Europese Ondernemingsraad bij een Europees concern, of het sluiten van sector-cao's over de grenzen heen) probeert de vakbeweging daar wat aan te doen, maar volgens Vreeman zijn dat “moeizame, stagnerende processen”.

Wat hem nog het meest stoort is dat door de feitelijke terugdringing van de werknemersinvloed ook maatschappelijke vraagstukken als duurzaamheid en integratie van minderheden in de bedrijfstop steeds minder ter sprake komen. En dat was toch niet de reden waarom in 1906 de moderne Nederlandse vakbeweging werd opgericht. “De Nederlandse vakbeweging roept niet zoals de Amerikaanse vakbondsleider Jimmy Hoffa: 'the highest buck, haal eruit wat erin zit', maar is in maatschappelijke thema's als rechtvaardige inkomensverdeling, duurzaamheid en langdurige werkloosheid geïnteresseerd.”

De vakbeweging was volgens Vreeman jarenlang tegen vermogensvorming door werknemers en winstdelingsregelingen omdat dit kan leiden “tot het tegen elkaar opzetten van werknemers”. Dat argument kwam volgens Vreeman voort uit de discussie over prestatiebeloning. Winstdeling werd in het verlengde daarvan eveneens afgewezen. Een andere reden was dat verhoging van het basisloon werd geprefereerd omdat daaraan eventuele uitkeringen en pensioenregelingen gekoppeld zijn. Bij winstdelingen en aandelen is dat niet het geval. Net als de werkgevers onderkennen de werknemersvertegenwoordigers en ook Vreeman nu dat het voordeel van dergelijke resultaatgerichte beloningsvormen is dat de interne flexibiliteit wordt vergroot. Vreeman: “In slechte economische tijden geeft dat het bedrijf lucht. De winstdeling valt dan lager uit, maar er hoeven geen of minder mensen te worden ontslagen. Ik vind de plussen zwaarder wegen dan de minnen.”

Toen Vermeend zijn wetsontwerp over winstdelingsregelingen in elkaar zette sprak Vreeman hem aan. Vreeman: “Willem, zei ik, zo'n belasting- en premievoordeel is leuk voor individuele werknemers. Maar je moet er wat meer zeggenschapselementen inbrengen. Democratisering is een goed thema voor onze partij. Ik heb liever werknemerskapitalisme dan alleen kapitaalskapitalisme. De PvdA moet de partij zijn van de uitkeringsgerechtigden, de gewone werknemers en de kleine ondernemers.”