Leren van gescheld; De ascetische kunstopleiding van De Ateliers

De reputatie van De Ateliers, de kunstenaarsopleiding die vroeger Ateliers '63 heette, heeft bijna mythische proporties aangenomen. Dit komt niet alleen door de faam van de docenten en ex-studenten, maar ook door de grote geslotenheid van het instituut. Toch worden De Ateliers nu door de toenemende concurrentie gedwongen uit hun schulp te kruipen. “De enige luxe die we onze deelnemers toestaan is het atelier en de gesprekken die wij met ze voeren”, zegt docent Marien Schouten.

Tentoonstelling De Ateliers 1985-1993. Met onder andere Maddy Arkesteyn, David Bade, Rob Birza, Henk Jonker, Krijn de Koning, Erik van Lieshout, Mike Tyler en Ben Zegers. Paleis voor Schone Kunsten, Brussel. Tot 9 oktober. Prijs catalogus Bfr 700,-

De behuizing van kunstenaarsinstituut De Ateliers is koud en kaal. Het gebouw aan de Amsterdamse Stadhouderskade ligt er weinig uitnodigend bij, met zijn strakke façade en dikke metalen deur. Binnen wordt het weinig beter. Er is niemand te zien. Aan de wanden is geen kunstwerk te bekennen en iedere stap wordt luid weerkaatst in de holle ruimte. De enige vage associatie met kunst wordt opgeroepen door een onbestemd getimmer, ergens aan het einde van de gang. De veelgehoorde vergelijking van de opleiding met een klooster lijkt op het eerste gezicht dan ook zo gek nog niet. En ook het verwijt aan De Ateliers dat het zijn studenten van de buitenwereld zou isoleren en buitenstaanders angstvallig buiten de deur zou houden, wordt bij binnenkomst begrijpelijk.

In de meer dan 25 jaar dat De Ateliers - voorheen Ateliers '63 - in zijn huidige opzet bestaat, heeft de reputatie van het instituut bijna mythische proporties aangenomen. Dat komt in de eerste plaats door de faam van de docenten en de oud-studenten; zo wordt er les gegeven door Jan Dibbets, Toon Verhoef, Carel Visser, Stanley Brouwn en Marien Schouten. En kunstenaars als Rob van Koningsbrugge, Sigurdur Gudmundsson, Marlene Dumas en Philip Akkerman, zijn er hun carrière begonnen, net zoals Adam Colton, Han Schuil, Jan van de Pavert, Joep van Lieshout, Rob Birza en Erik van Lieshout. Daar komt de geslotenheid van het instituut nog eens bij, waarvoor de docenten zo'n twintig jaar geleden uitdrukkelijk hebben gekozen. Door die geslotenheid komt geen museumdirecteur, galeriehouder of journalist het gebouw binnen zonder eerst te zijn uitgenodigd. Dat gebeurt maar zelden, en dan nog alleen maar voor een gesprek met de docenten of Marcel Vos, de directeur - de ateliers zelf blijven verboden terrein.

Juist die combinatie van succes en afzondering heeft de kunstwereld in de loop der jaren steeds nieuwsgieriger gemaakt naar de opleiding. Het gevolg daarvan was een aanhoudende stroom geruchten over de Ateliers en hun werkwijze. Zo zouden jonge kunstenaars er door hun docenten in de richting van formalistische, conceptuele kunst worden gestuurd, en zouden Ateliers-kunstenaars vooral succesvol zijn omdat de docenten goede betrekkingen onderhouden in de kunstwereld. Stedelijk-Museum-directeur Rudi Fuchs is bijvoorbeeld voorzitter van de Stichting de Ateliers en een goede vriend van docent Jan Dibbets. Hoewel de docenten onder aanvoering van Dibbets dergelijke verhalen meestal afdoen als 'lulkoek', is vooral het verwijt van formalisme niet helemaal ten onrechte. Wie de lijst van oud-Ateliersstudenten tot het einde van de jaren tachtig bekijkt ziet dat de bekendsten, zoals Rob van Koningsbrugge, Han Schuil, Marien Schouten en Jan van de Pavert, vooral kunstenaars zijn die werken op eenzelfde conceptuele, formalistische manier als de Ateliers-docenten. Marlene Dumas en Rob Birza zijn daarop eigenlijk de enige uitzonderingen.

Techniek

Samen met de Jan van Eyck Akademie in Maastricht, de Rijksakademie in Amsterdam en de nog in een experimentele fase verkerende Ateliers Arnhem, is De Ateliers een van de vier postacademische kunstopleidingen in Nederland. De term 'postacademisch' is verwarrend: op de instituten worden niet alleen studenten aangenomen die al een gewone kunstacademie hebben afgerond, maar iedereen die met zijn werk door de selectieprocedure komt. Wat de studenten op deze postacademische academies precies leren, is niet altijd even duidelijk. Dat wordt nog eens versterkt door de instituten zelf, die alle vier nadrukkelijk iedere associatie met het begrip 'onderwijs' vermijden. Docenten en studenten worden consequent 'begeleiders' en 'deelnemers' genoemd, en aan geen van de vier instellingen worden diploma's of getuigschriften uitgereikt.

De docenten van de Ateliers hebben zich bovendien altijd sterk afgezet tegen het onderwijs op de reguliere kunstacademies. “Op academies heerst een onmogelijke, dodelijke sfeer die iedere vorm van creativiteit de kop indrukt,” zegt docent Toon Verhoef. “En ik kan het weten, want ik heb er zelf jaren lesgegeven. De nadruk ligt daar veel te veel op het goed natekenen van een model in mooie potloodlijntjes - daar heb je als kunstenaar tegenwoordig helemaal niks meer aan.” Jan Dibbets: “Er wordt veel te veel naar techniek gekeken; dat beperkt jonge kunstenaars op den duur enorm. Ik vind ook dat die techniek er zo snel mogelijk moet worden uitgeslagen; dat is zo ongeveer het eerste wat wij hier doen.”

De basis voor de Ateliers-filosofie werd gelegd door Edgar Fernhout, kleinzoon van Jan Toorop en zoon van Charley Toorop, die vanaf het midden van de jaren zestig tot zijn dood in 1974 de spil vormde van het instituut. Onder zijn leiding veranderde de in 1963 opgerichte instelling van een 'instituut waar op zaterdagmiddag de society-dames uit Haarlem, Bloemendaal en Aerdenhout fijn komen kleien', zoals het Vrije Volk in 1965 schreef, tot een volwaardige vervolgopleiding voor studenten van kunstacademies en kunstnijverheidsscholen. Het was ook Fernhout die het van het toenmalige ministerie van CRM gedaan kreeg dat dit ministerie de kosten van het instituut (het afgelopen jaar 1,3 miljoen gulden) volledig voor zijn rekening nam. “Het is hem gelukt met de belofte dat we nooit meer dan twintig kunstenaars zouden aannemen,” zegt Jan Dibbets. “Daardoor vormden we in de ogen van het ministerie geen bedreiging voor het reguliere kunstonderwijs.”

De Fernhout-filosofie van lesgeven is op het eerste gezicht eenvoudig. Zoals Carel Visser het in 1985 in een interview omschreef: “Je kan eindeloos praten over de vraag: wat is lesgeven? Vooral in de kunst. Hoe moet je dat doen? Moet je bijvoorbeeld zeggen: dit blauw moet je veranderen in geel? Fernhout zei: dat haalt niks uit. Op zo'n manier heeft het geen enkele zin. Ook waarderende opmerkingen als: wat heb je dat goed gedaan, hebben geen enkele zin. Het enige dat iets uithaalt is de leerling zodanige vragen stellen dat hij zelf steeds beter doorziet wat hij aan het doen is.”

In praktijk blijkt het allemaal wat ingewikkelder. Op het instituut krijgen twintig jonge kunstenaars voor een periode van twee jaar de beschikking over een eigen atelier, waar ze onder begeleiding van de kunstenaars kunnen werken. Aan faciliteiten is dat, op een technische werkplaats na, alles wat er is. “Wij geloven niet in uitgebreid geoutilleerde studio's, grote bibliotheken en een studium generale, zoals de Rijksakademie die heeft,” zegt docent Marien Schouten. “Dat leidt alleen maar af. De enige luxe die we onze deelnemers toestaan is het atelier, en de gesprekken die wij met ze voeren. Daar moeten ze het mee doen.” Voor de deelnemers zelf blijkt daarnaast ook het leren aan hetzelfde instituut van belang. Charlotte Schleiffert (27): “Je ziet elkaar veel en praat met elkaar en daardoor beïnvloed je elkaar weer. Het is heel belangrijk om met elkaar op te trekken.”

Ieder jaar vertrekken er tien deelnemers van de Ateliers en daarvoor komen er tien nieuwe in de plaats, die door de docenten uit de circa 300 aanvragen worden geselecteerd. “Die selectie gaat heel simpel,” vertelt Toon Verhoef. “Aspirant-studenten kunnen zich het hele jaar aanmelden. Ze brengen hun werk en dat wordt door alle begeleiders bekeken. Het selecteren gebeurt vervolgens puur op intuïtie, wat niet wegneemt dat we het opvallend vaak met elkaar eens zijn. Een groot deel van de aanmeldingen komt sowieso niet in aanmerking door gebrek aan kwaliteit. Verder worden mensen nog wel eens afgewezen omdat ze al te zeer 'volgroeid' zijn, al te veel een eigen hand van werken hebben ontwikkeld. Die kunnen we niks meer leren, dus daar beginnen we ook niet aan. Over het algemeen willen we er van de driehonderd aanmeldingen zo'n vijf graag hebben, de rest is meestal gokken.”

Confrontatie

Voor een jonge kunstenaar is het moment waarop hij op De Ateliers wordt aangenomen altijd reden tot vreugde. Kunstenaar Han Schuil (36): “Voor ik me op De Ateliers aanmeldde, had ik anderhalf jaar op een reguliere kunstacademie gezeten. Daar kon ik absoluut niet uit de voeten. De Ateliers leek me aantrekkelijk, omdat het kleinschalig zou zijn en je er je eigen atelier zou krijgen. Ik heb me toen aangemeld en moest mijn werk komen laten zien. Er vond een kort gesprekje plaats waarin ze vragen stelden: welke kunstenaars ik goed vond en wat ik precies met mijn werk wilde. Het zal niet langer dan tien minuten geduurd hebben. Daarna moest ik weg, en al na een minuut of vijf hoorde ik dat ik was aangenomen.”

Wanneer een kunstenaar tot het instituut is toegelaten, wordt hij geacht op zijn atelier te werken, maar eigenlijk kan hij doen wat hij wil. Om in zijn levens- en materiaalonderhoud te voorzien krijgt iedere deelnemer, zowel uit binnen- als buitenland, een stipendium van 15.000 gulden per negen maanden. Iedere dinsdag komen de docenten op atelierbezoek; dat is de enige dag waarop de deelnemers aanwezig moeten zijn. De docenten lopen ieder voor zich door de ateliers, kijken wat rond en praten wat met de deelnemers over hun werk. Dat levert voor de studenten een onverwachte confrontatie op, blijkt uit de verhalen die oud-studenten vertellen. Dibbets 'doet' ieder atelier in vijf minuten en maakt slechts enige kritische opmerkingen, Verhoef trekt er rustig een heel uur voor uit en beschouwt het werk op een meer filosofische manier, Carel Visser zag, zoals Han Schuil het uitdrukt, 'overal sokkels in - ook als je schilderde.'

“De docenten gaan heel verschillend met je om,” zegt Ronnie Nienhuis, 29 en ruim een jaar van De Ateliers af. “Jan Dibbets was tegen mij bijvoorbeeld vaak keihard. 'Je bent een amateur, klootzak!' riep-ie dan - een erger scheldwoord dan 'amateur' kende hij niet. We hebben dus ook vaak fikse ruzie gehad. Ik heb weleens meegemaakt dat-ie maar vijf minuten in m'n atelier was geweest, m'n werk tot de grond toe had afgebroken, de deur uitging, en dan nog éven zijn hoofd om de hoek stak: 'Hé Ronnie, ìk slaap wèl lekker vannacht!' Op zo'n moment kon ik 'm wel vermoorden, maar dat was precies waar het hem om ging; hij wilde me opnaaien, zodat ik nog beter mijn best zou doen.”

Erik van Lieshout, 26 en twee jaar geleden van De Ateliers gekomen: “Toen ik op De Ateliers kwam maakte ik Richard Prince-achtig conceptueel werk: enorme fotokopieën van soms wel een paar meter groot. Ik wist wel dat Jan Dibbets en Toon Verhoef daar absoluut niet van hielden; zelf twijfelde ik er ook nogal aan. Iedere dinsdag kwamen Jan en Toon dan weer langs, en maar schelden. Dat ik een klootzak was en dat ik eindelijk maar eens moest bepalen wat ik wilde met mijn werk. Dat deed ik dan, ik ging hard aan het werk en maakte van alles, maar dat werd op de dinsdag ook weer afgebrand. Dat maakte dat ik als een berg tegen die dinsdagen opzag; ik zat de halve ochtend op de wc. Maar doordat ik zo volstrekt alleen werd gelaten, heb ik wel goed leren omgaan met mijn eigen middelen. Soms zat ik weken te twijfelen over wat ik nou wilde, op m'n atelier, in m'n eentje.”

In de confrontatie ligt volgens Verhoef, Schouten en Dibbets juist de essentie van de Ateliers-methode. “Wij proberen het allerbeste uit de deelnemers te halen door ze met zichzelf te confronteren,” zegt Marien Schouten. “We dwingen ze in die twee jaar na te denken over wat ze willen met hun werk en met hun kunstenaarschap. Daartoe worden ze min of meer verplicht omdat ze, zeker aan het begin, zeer verschillende opinies over hun werk te horen krijgen. We denken dat ze daardoor steeds meer op hun eigen intuïtie leren vertrouwen. Dat is ook de reden waarom we geen galeriehouders of museumdirecteuren in het pand willen hebben. Want stel dat zo'n galeriehouder iets van één deelnemer koopt, dan is dat buitengewoon frustrerend voor de rest. Dan krijg je competitie binnen de groep, en dat willen we kost wat kost vermijden.”

De docenten vergelijken De Ateliers graag met een verfijnde machine, waar geen zandkorreltje tussen mag komen. “De relatie tussen de docenten onderling is bijvoorbeeld erg belangrijk,” zegt Jan Dibbets. “Ze moeten erg van elkaar verschillen om de begeleiding gevarieerd te houden, aan de andere kant moeten ze elkaars werk en de werkwijze van De Ateliers volledig accepteren. Ger van Elk wilde hier bijvoorbeeld 'marktgericht onderwijs' gaan geven. Hij wilde de studenten verkooptactieken leren en dat soort onzin. Dat was dus exit Van Elk.”

Nieuwe media

Hoe tevreden de docenten ook met de Fernhout-methode zijn, ze is niet ononomstreden. Zo wordt De Ateliers regelmatig stilistische eenvormigheid verweten door kunstenaars, galeriehouders en kunstdocenten. Al decennia lang heeft er geen vrouw meer tot het vaste docentenkorps van het instituut heeft behoord, en nog steeds werken bijzonder weinig deelnemers met 'nieuwe media' als video en film. Toen de fotograaf Craigie Horsefield een keer gastdocent was, vroeg Marcel Vos hem bijvoorbeeld van tevoren om de studenten niet te veel tot fotograferen aan te zetten, want dat konden ze niet gebruiken. “Ik had in die twee jaar af en toe wel eens een ander geluid willen horen,” zegt Ronnie Nienhuis. “Het is nu zo vaak allemaal hetzelfde. Op een gegeven moment werd ik doodziek van Toon die iedere keer weer begon over een nieuw schilderij dat als een 'nieuw geboren baby' ter wereld komt. Op zo'n moment denk ik: ontspan toch eens wat, maak je niet zo druk, kijk eens wat om je heen.”

Ondanks de kritiek die vaak op de Ateliers en 'de Ateliers-kongsi' wordt geleverd, vormt de 'Fernhout-methode' tegenwoordig ook de basis voor de begeleiding van de studenten aan de drie andere 'postacademische' instituten. Net als op de Ateliers krijgen de deelnemers een eigen atelier tot hun beschikking waar docenten vervolgens langs komen. Toon Verhoef: “Je kunt rustig zeggen dat de aanpak van De Ateliers voor de huidige Rijksacademie model heeft gestaan. Zij, maar ook de Ateliers in Arnhem nemen alles van ons over, tot en met de typografie van onze advertenties. Dat zou allemaal zo erg niet zijn, als zij de verschillen maar duidelijk naar voren zouden laten komen. En dat doen ze niet, waardoor iedereen denkt dat alle instituten precies hetzelfde zijn.”

De concurrentie tussen de vier instituten is de afgelopen jaren steeds groter geworden. In het licht van de bezuiningingen en de toenemende druk op werkloze kunstenaars om zich te laten omscholen, neemt de ruimte voor opleidingsplaatsen voor kunstenaars af. Het aanbod aan postacademische opleidingsplaatsen neemt daarentegen, met de komst van de Ateliers Arnhem, toe. Voor De Ateliers is deze ontwikkelingen het sein om zich ten opzichte van de concurrentie te gaan profileren als het enige originele postacademische instituut. Ze stellen dat een toenemend aantal opleidingen uiteindelijk betekent dat getalenteerde kunstenaars niet meer gezamenlijk kunnen worden opgeleid. Jan Dibbets: “ Met de komst van Arnhem zijn er wel 160 postacademische opleidingsplaatsen gekomen, terwijl wij denken dat er in Nederland niet meer dan twintig van die plaatsen nodig zijn, omdat er niet meer talent is. De echte talenten kunnen nu op vier verschillende plaatsen terecht, waardoor ze niet meer bij elkaar zitten. Terwijl dat nu juist zo belangrijk is: talenten komen het beste tot hun recht als ze elkaar stimuleren. Daarom hebben wij in 1990, toen Janwillem Schrofer opnieuw bezig was de Rijksakademie te reorganiseren, voorgesteld alle postacademische instituten tot één groot instituut om te smeden. Onze directeur Marcel Vos heeft daar in 1990 nog een gesprek met Schrofer over gehad, maar die wilde absoluut niet. Hij wilde zijn eigen instituut behouden en dreigde bij WVC op schoot te kruipen. Hij zag het gevaar van de versnippering niet.”

Dat de Ateliers de concurrentieslag niet langer aan zich voorbij laten gaan bleek allereerst uit de verhuizing van het instituut van Haarlem naar Amsterdam, twee jaar geleden. “Mensen willen nu eenmaal graag in Amsterdam zitten,” zegt Jan Dibbets. “Want hier zit alle kunst, niet in Haarlem.”

Een ander teken dat De Ateliers steeds meer uit hun kloostercel beginnen te klimmen is de tentoonstelling van kunstenaars die sinds 1985 aan De Ateliers zijn afgestudeerd, die nu te zien is in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. daarop is onder andere werk van Joep van Lieshout, Maddy Arkesteyn en Rob Birza te zien. Het vroeger zo gekoesterde formalisme is er nog steeds aanwezig, bijvoorbeeld in het werk van Krijn de Koning of Gladstone Thompson. Maar er is in Brussel ook kunst te zien die tot voor een paar jaar niemand met De Ateliers geassocieerd zou hebben, zoals een schilderij van een aan het spit gestoken neger van Erik van Lieshout, of een absurdistische marmottenkooi met levende marmot op minstens veertig centimeter hoge springveren, van David Bade. Dit wijst erop dat de Ateliers-docenten mee willen gaan in stroming van nieuwe, 'wildere' kunst, die aan het einde van de jaren tachtig in Nederland steeds belangrijker werd. Waar de Ateliers zich tot het begin van de jaren negentig afkeerde van iedere kunstvorm die niet in het straatje van de begeleiders paste, begint het eens zo ascetische instituut langzaam de deuren naar de grote wereld open te zetten.