Klucht van Tabori over jonge Hitler subtiel uitgevoerd

Voorstelling: Mein Kampf van George Tabori door Theater Antigone. Regie: Horst Hawemann. Spel: Guy Van Sande, Dries Smits, Hans Royaards, Tania Poppe e.a. Gezien: 15/9 Theater Bellevue, Amsterdam. T/m 18/9 aldaar; tournee t/m 27/9.

Zegt de ene jood tegen de andere jood: 'Door schaamte en schande wordt men wijs.' Vraagt die ander: 'Hoe komt het dan dat ik dom gebleven ben?'

Mein Kampf van de joods-Hongaarse schrijver George Tabori, verschenen in 1987, zit boordevol met zulke grappen. Tabori, die een groot deel van zijn familie in de gaskamers van Auschwitz verloor, maakte van zijn gevoel voor humor een superieure vorm van overlevingskunst. De humor in Mein Kampf is charmant, aandoenlijk en poëtisch, maar ook wrang en agressief. Dat laatste blijkt alleen al uit de titel, die op een wel heel directe manier verwijst naar een boek waaraan de meeste mensen liever niet herinnerd worden. Maar die titel, hoe cynisch ook, verwijst net zo goed naar Tabori's worsteling met zijn eigen biografie en de zin en onzin van de geschiedenis.

Zijn tragikomische alter ego in het stuk heet Schlomo Herzl, en ook die naam heeft iets provocerends. Want in tegenstelling tot de historische figuur Theodor Herzl is Schlomo geen strijdbare zionist. Wàs hij maar een strijdbaar man! Kon hij zich maar verweren tegen zijn vervolgers en onderdrukkers! Zijn ouders zijn in pogroms om het leven gekomen en Schlomo, een arme bijbelverkoper, droomt van een oudtestamentische wraak op de moordenaars. Hij komt echter niet verder dan wat wilde fantasieën. Schlomo Herzl is een geboren verhalenverteller en tevens het prototype van de beschaafde, beschouwelijke jood die zich meer thuisvoelt in de wereld van de schone letteren dan in de vijandige wereld om hem heen.

In Mein Kampf stelt Tabori een paar delicate vragen. Hebben de joden door hun lijdzame vredelievendheid en hun culturele preoccupaties geen vrij spel gegeven aan de krachten van het kwaad? En: wat heeft het voor zin om aan mooie humanistische idealen vast te houden wanneer de geschiedenis keer op keer bewijst dat tirannen dat humanisme aan hun laars lappen?

Adolf Hitler, de tiran in Tabori's klucht, is hier nog jong, een jaar of achttien, en in de voorstelling van het Kortrijkse Theater Antigone ziet hij er nóg jonger uit. In Tiroler Lederhosen en witte kniekousjes komt hij het Weense tehuis voor dakloze mannen binnenwandelen, waar Schlomo Herzl een bed gehuurd heeft. In de vormgeving van Hartwig Dobbertin lijkt dat asiel een beetje op een bunker, en ook wel op een slachthuis. Hitler - en wat dat betreft strookt de voorstelling met de historische feiten - is een naïeve maar mateloos ambitieuze jongeman uit Braunau-am-Inn, naar Wenen gekomen om toelatingsexamen te doen voor de Academie voor Beeldende Kunsten.

Aanvankelijk heeft dit opvliegende provinciaaltje nog iets aandoenlijks. Vaak blijft hij in een woedeaanval steken. Dan hapt hij naar adem en jammert hij klagelijk, terwijl Schlomo hem op schoot neemt en hem vergeefs tot kalmte maant. Echt gevaarlijk wordt Hitler pas na zijn nederlaag op de kunstacademie. Het miskende, botweg afgewezen schilder-genie vlucht in grootheidswaan en aan Schlomo vertrouwt hij zijn allereerste vernietigingsutopieën toe. “Ik wil verschrompelde mensen om me heen hebben”, zegt hij hijgerig. “De wereld zou hoekig moeten worden, een kubus. En dan die schrompelmensen over de rand duwen... Wat vind jij daarvan?” “Weer eens wat anders', antwoordt Schlomo laconiek. In die scène, een van de mooiste uit de voorstelling, zien we achter de onhandige motoriek van de jonge Hitler al de stramme, onverbiddelijke contouren verschijnen van de Hitler zoals wij hem kennen.

Gelukkig heeft Guy Van Sande niet naar een realistische nabootsing van de dictator gestreefd. Zijn Hitler is weliswaar een gestoorde kerel, maar toch niet zo heel uniek. Dat komt mooi overeen met de bedoelingen van de schrijver. Tabori wil Hitler van zijn demonische imago ontdoen, want als menselijk wezen is hij veel bedreigender. Elk moment, houdt hij de toeschouwer voor, kan er wéér zo'n gekleineerde kleine man naar de macht grijpen om op zijn beurt andere kleine mensen de grond in te stampen.

'Hitler' zit voortdurend kreunend op de wc omdat hij last heeft van constipatie. Als Tabori ons iets duidelijk maakt, dan is het wel dat de wortels van het fascisme te vinden zijn in zulke banaliteiten als verstopte darmen. Deze Hitler althans blijkt immuun voor liefde, humor en poëzie - drie waarden die Schlomo hem vergeefs tracht bij te brengen. De consequente toepassing van het gebod 'Heb uw vijanden lief als uzelve' leidt niet, zoals Schlomo heimelijk had gehoopt, tot een loutering van de vijand.

De twee hoofdrolspelers hebben ieder een totaal verschillende speelstijl, maar dat brengt de voorstelling niet uit balans. Integendeel. De stramme slapstickstijl van Van Sande contrasteert wonderwel met de rustiger, meer naturalistische stijl van Dries Smits als Schlomo Herzl. De humor ontaardt nergens in al te flauwe kolder en de personages zijn meer dan eendimensionale symbolische figuren: Hitler is hier geen duivel en Schlomo geen saaie engel.

De vrouwelijke rollen van Gretchen (Tania Poppe) en de Dood (Mieke Verheyden) zijn minder sterk ingevuld. In die scènes zakt de voorstelling dan ook in. Maar het sterke slotbeeld, waarin Schlomo als een Pierrot een spoor van bloedrode tranen op zijn gezicht tekent, verzoent weer met deze zo subtiel geënsceneerde uitvoering van Tabori's autobiografische klucht.