Jaloers op de oorlog van anderen; Adriaan van Dis over zijn autobiografische roman Indische duinen

Levend in de luwte schreef Adriaan van Dis een roman over een familie die na repatriëring uit Nederlands-Indië in een Noordhollands duindorp het verleden opzij probeert te duwen. “Er zitten grote autobiografische kanten aan het boek, maar ik wil dat het gelezen wordt als een gewone roman over vreemdelingen die in een land komen dat het te druk heeft met zichzelf.”

Adriaan van Dis: Indische Duinen. Uitg. Meulenhoff. 320 p. Gebonden ƒ 54,90, Paperback ƒ 39,90 Verschijnt op 24 september

Zijn 'gelofte van armoe', noemt hij het spottend. Een beslissing die hem 'nachten vol plotseling opkomende pensioenvrees' heeft gekost. Adriaan van Dis, tot twee jaar geleden presentator van Nederlands opvallendste literaire talkshow, zal niet meer terugkeren op de televisie. Vorige maand verbrak hij de besprekingen over een nieuw programma, en besloot hij om alleen nog van en voor de pen te leven. Volgende week verschijnt Indische duinen, de eerste roman die hij als 'monnik van de kunst' publiceert.

“Televisiemaken laat zich niet combineren met het echte schrijven,” zegt Adriaan van Dis (Bergen N.H., 1946) in zijn van boeken uitpuilende 'doorgangshuis' in Amsterdam-Zuid. “Ik was per jaar een uur of acht op het scherm, een inspanning die niet te vergelijken is met een volledige baan bij de Shell, de universiteit of de gemeente Enschede - om maar wat betrekkingen van Nederlandse schrijvers te noemen. En toch zorgde het voor grote belemmeringen. Zo had ik het gevoel dat het beeld van de keurige, welgeklede televisiemeneer het onbevangen lezen van mijn reisverhalen en novellen in de weg stond. En dan was er de onrust die het optreden op de televisie veroorzaakte: al die rompslomp, mensen die aan je kop zeuren, meninkjes achteraf. Je moet wel de huid van een politicus hebben om je daar van af te kunnen sluiten.”

Niet dat er een periode van rust intrad toen Van Dis in mei 1992 zijn laatste programma in de Amsterdamse IJsbreker had gepresenteerd. Nog geen vier maanden later onthulde Vrij Nederland dat hij in zijn reisreportage Het beloofde land (1989) - waarvan een eerdere versie in deze krant was verschenen - zonder bronvermelding fragmenten uit een Zuid-Afrika-studie van de Amerikaanse antropoloog Vincent Crapanzano had geciteerd. Heel Nederland viel over de plagiaris heen, of zoals hij het zelf in een interview over de beschuldigingen formuleerde: 'Het jachtseizoen is geopend'.

De Amerikaanse antropoloog kreeg schadevergoeding, Het beloofde land een inlegvel met literatuuroverzicht, en Adriaan van Dis voorziet inmiddels alles wat hij schrijft van een bronnenlijst - ook zijn nieuwe, autobiografische roman. “Ik loop niet als een boeteling met een hoofd ingesmeerd met as,” zegt hij. Maar “om er verder niet omheen te hoeven draaien” wil hij aan het begin van het gesprek wel een mea culpa kwijt.

“Ik heb een fout gemaakt - die voortkwam uit onzekerheid. Ik had zoveel aantekeningen voor Het beloofde land verzameld dat de keuze eigenlijk te groot werd; toen ik vervolgens het boek van meneer Crapanzano las heb ik daaruit stemmen gehaald die ik mijn personages in de mond heb gelegd. Dat was plagiaat, dat zal mij nooit meer gebeuren, ik heb mijn les geleerd, en ik ben de mensen die mij erop hebben gewezen diep dankbaar. Het heeft louterend gewerkt, en misschien ook geleid tot een grotere concentratie op het schrijverschap. Ik laat mij niet meer opjagen en door tijdgebrek of werkdruk in zo'n situatie brengen.”

Na de plagiaataffaire bracht Van Dis schrijvend een tijd in de luwte door, ondermeer op het Westafrikaanse eiland Gorée. “Je kunt een paar dingen doen als zoiets gebeurd is: je borst natmaken en het publiek tegemoet treden, of je hoofd onder de dekens stoppen; ik heb mijzelf een schrijfschema van één bladzijde per dag opgelegd, en daar heb ik mij aan gehouden. Het verblijf op Gorée was heel interessant, zoals dat heet. Het isolement als een van de weinige blanken in een kleine Afrikaanse gemeenschap was compleet en ik kon werken zonder stemmen op de achtergrond die beoordeelden wat ik schreef. Zo ontstond een novelle die uiteindelijk in zeer bewerkte vorm de kern is geworden van een grotere roman.”

Indische duinen, de zoektocht van een man naar de verborgen geschiedenis van zijn familie, is Van Dis' achtste boek. Hij schreef toneelstukken, verhalen, drie grote reisverhalen (“'romans' noem ik ze tegenwoordig maar”) en twee novellen. In Nathan Sid, zijn debuut uit 1984, verzamelde hij tragikomische jeugdherinneringen over een uit Indië gerepatrieerd gezin; in het dromerig-poëtische Zilver (1988) beschreef hij de (seksuele) ontwikkeling van een jongetje zonder familie. Het waren bescheiden boekjes, zeker vergeleken met het driehonderd bladzijden tellende Indische duinen. “Ik geloof nog steeds in de kunst van het doorhalen,” zegt Van Dis. “Ook in dit boek zijn zeker honderd bladzijden gesneuveld. Het heeft te maken met mijn angst om te vervelen, de aarzeling om mensen mijn gedachtenspinsels te laten zien.”

Die aarzeling heeft hij met zijn nieuwe boek overwonnen. Van Dis zou Indische duinen het liefst betitelen als een psychologische roman (“als dat niet zo negentiende-eeuws klonk”), maar het is voor alles een zeer persoonlijk verhaal vol zwarte humor over de haat-liefdeverhouding van een zoon tot zijn vader en de rest van zijn familie. De hoofdpersonen zullen de lezers van Nathan Sid bekend voorkomen: de strenge KNIL-vader met een oorlogssyndroom die de discipline er bij zijn zoontje met de liniaal in slaat, de gesloten moeder die houvast zoekt bij astrologie en antroposofie, de drie halfbloed halfzusjes die met hun moeder in het Jappenkamp hebben gezeten, en de ik-figuur, net na de oorlog geboren in het Noordhollandse duindorp waar zijn familie bij terugkomst uit Nederlands-Indië terecht is gekomen. In Indische duinen zien we de personages - met uitzondering van de vader, die doodging toen zijn zoontje elf was - vijfendertig jaar ouder terug; aan het sterfbed van de oudste zuster. Indische duinen is in veel opzichten een herschrijving van Nathan Sid, maar dan veel harder en somberder van toon, en pessimistisch over het familieleven.

“Nathan Sid is geschreven vanuit het perspectief van een kind. De volwassen schrijver had de regie, maar hij wilde het kind niet laten klagen. Een kind klaagt niet, trapt niet tegen de zandkastelen van zijn jeugd, het is zijn geaccepteerde decor. Maar op een gegeven moment wordt zo'n kind 47 jaar oud en kijkt het met andere, realistischer ogen naar zijn jeugd. Dat maakt misschien een sombere indruk, pessimistisch is het niet. Indische duinen heeft hele gemene kanten, maar uiteindelijk blijkt het toch een document van genegenheid te zijn.

“Eigenlijk had ik Nathan Sid helemaal niet willen uitgeven; toen ik er heel voorzichtig stukjes van in het Cultureel Supplement publiceerde, vermomde ik het zelfs als eetrubriek. Ik heb het altijd een beetje een geaborteerd boek gevonden - schattig en aandoenlijk, maar met daarachter iets te veel begrip. Nu wilde ik een bozer boek schrijven, een boek dat niet doordrenkt is van het begrip en het aanpassingsvermogen dat zoveel kinderen van kampslachtoffers hebben opgebracht om hun ouders niet teleur te stellen.”

Een boek over tweede-generatie oorlogsslachtoffers?

“Ja, hoewel ik daar heel dubbel tegenover sta. Aan de ene kant mag ik graag een pets verkopen aan de hele industrie die klaar staat om de oorlog uit de kast te halen als de oorzaak van alle problemen die kinderen van kampslachtoffers maar kunnen hebben. Aan de andere kant zijn er problemen die dit soort kinderen gemeen hebben. Met Indische duinen heb ik een case-study willen schrijven van een typisch tweede-generatieslachtoffer, maar ik wilde niet vervallen in begrippen als 'Freud' en 'analyse' en al die andere enge woorden uit de wereld van de hulpverlening. De ik-figuur is bezig zichzelf te ontrafelen - zonder dat het er duimendik bovenop ligt.”

Het leven van de hoofdpersoon vertoont grote overeenkomsten met de biografie van de schrijver Van Dis. Waarom heeft u Indische duinen een roman genoemd en geen autobiografie?

“Er zitten grote autobiografische kanten aan het boek, maar ik wil dat het gelezen wordt als een gewone roman, over een gezin van repatrianten dat in een land komt dat het te druk heeft met zichzelf om moeiteloos vreemdelingen op te nemen. Over immigranten die hun nieuwe land omarmen, en het verleden opzij duwen - om het daarna als een soort mythologie te beleven. Het hoort dus bij de immigrantenliteratuur van Nederland.

“Ik wilde niet vastzitten in het keurslijf van de autobiografie. Ik heb dingen bedacht en verhevigd om de herinneringen die ik had een goede plaats te geven. Ik wilde met vormen experimenteren, mensen een eigen stem geven, heen en weer gaan van heden naar verleden en omgekeerd. Het is een boek geworden vol associaties, waarbij ik mijzelf heb moeten temmen om de lezer niet al te veel in de war te brengen. Het is al ingewikkeld genoeg met al die ooms en tantes, stiefvaders en halfzusters; de familieverhoudingen overtreffen die bij Couperus!”

Van Dis vertelt dat hij het ongepast ten opzichte van de betrokkenen vindt om in gesprekken over Indische duinen het autobiografische te benadrukken; maar over de verhouding met zijn vader, die de basis vormt voor het boek, wil hij wel praten. “Want mijn vader, die is van mij, en bovendien dood.

“Mijn vader is gestorven toen ik elf was. Het was het Grote Verraad: hij stierf toen ik hem juist zo hard nodig had. Ik heb hem altijd maar gehaat, dat leek mij het makkelijkste, want het was een bizarre man die mij elke dag een pak slaag gaf. Maar tijdens het schrijven van het boek begon ik ontzettend van hem te houden, en nu ik het af heb, kan ik me niet eens meer voorstellen dat ik hem ooit heb weggeborgen in een groot blik met het etiket 'haat'. Net als de hoofdpersoon van het boek ben ik denk ik verliefd geweest op mijn vader - een mooie man die lekker rook, goed kon koken en prachtig kon vertellen, maar die mij sloeg, zoals een andere vader zijn kind een opbouwend woord of een aai over de bol geeft.

“Wat mijn ideeën over mijn vader heeft veranderd, is gek genoeg de oorlog in Mozambique, de oorlog van de kinderen [beschreven in het reisverhaal In Afrika uit 1991 - PS]. In de ouderloze jongetjes die getraind waren voor het gevecht en voortdurend tegen hun gevoelens in flink moesten zijn, herkende ik mezelf. Mijn geschiedenis was niet te vergelijken met de hunne, maar zo was ik ook als jongetje: kunstmatig hard gemaakt, door mijn vader klaargestoomd voor de volgende oorlog. Dat die zou komen, dat wist hij zeker, zoals iedereen in de jaren vijftig. De verhalen over voorraadkasten vol zeep en koffie zijn bekend, maar bij ons ging het verder: de krant werd gelezen als een geheime boodschap waarin stond hoe ver de vijand al was opgerukt.”

U schrijft over verstikkende familieverhoudingen en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Beschouwt u Indische duinen als een roman in een typisch Nederlandse traditie?

“Ik dacht eerlijk gezegd dat de familie de laatste jaren juist een heel Europees thema was geworden. Welk buitenland schrijft er niet over? Nederlanders hebben te veel de neiging om ergens het etiket 'typisch Nederlands' op te plakken. Toen ik met een aantal Nederlandse schrijvers vorig jaar op tournee was in Frankrijk, bleek dat ze daar heel anders tegen onze literatuur aankijken dan wij. Nederlandse boeken getuigden in hun ogen van grote maatschappelijke betrokkenheid, waren niet navelgericht, en hadden een hoog realiteitsgehalte. Wat het typisch Nederlandse van Indische duinen betreft: het milieu dat ik schets is in ieder geval buitengewoon on-Nederlands. Bij ons thuis werd altijd over 'die Hollanders' gepraat, alsof we er niet bij hoorden - wat misschien ook wel zo was.

“En dan de oorlog: er is kennelijk veel plaats in onze hoofden en in onze literatuur om daarover door te zeuren - hoewel dat in het geval van Nederlands-Indië nog vrij weinig gebeurd is. Ik heb die oorlog niet meegemaakt, maar juist daarom werd hij deel van mijn leven; het was een verleden waar met grote geheimzinnigheid over gesproken werd en waar ik niet bij hoorde. Zo werd ik jaloers op de oorlog van anderen. Mijn boek gaat dan ook meer over de verhouding van de buitenstaander tot zijn familieleden dan over wat er feitelijk in de oorlog gebeurd is.”

Heeft u veel Indië-literatuur gelezen?

“Kousbroeks grote werk natuurlijk, Het Oostindisch kampsyndroom. Maar weinig romans, ik ben niet zo'n tempo-doeloeman die wil weten hoe het was, hoe het ging, of wat er van over is.”

Welke auteurs hebben u als schrijver beïnvloed?

“Ik praat niet snel over beïnvloeding; maar ik ben een groot bewonderaar van Hugo Claus en Gerard Reve. Ik houd erg van Michel Tournier, die prachtig over het kind kan schrijven, en Breyten Breytenbach, die tegelijk met zijn kindertijd de geschiedenis van zijn land beschrijft. Allemaal geweldige stilisten. Ik heb me altijd verlustigd in iets wat goed geschreven is en kijk minder naar waar het over gaat. Stijl is het belangrijkst, daarom ben ik ook eerder een poëzie- dan een romanlezer.

“De stijl van Indische duinen is de minst gekunstelde van al mijn boeken. Zilver is een soort prozagedicht en ook Nathan Sid is misschien gemaniëreerd. Maar in dit boek heb ik mijzelf ingehouden: het moest zo helder mogelijk, strak als een zweep.”

U gebruikt veel ongewone woorden en woordcombinaties: foptolken, kistkleren, een lokettiste die een jongenshoofd tussen haar borsten stempelt en een tante die haar rabbelzak leegt. Waar komt dat allemaal vandaan?

“Misschien heeft dit soort taal te maken met mijn kennis van het Afrikaans, waarin het vanzelfsprekend is om woorden aan elkaar te plakken. Maar belangrijker is denk ik mijn dyslexie: ik vergeet moeilijke woorden, en moet er dan naar zoeken. Soms maak ik dan een woord dat helemaal niet blijkt te bestaan.”

Bent u een langzaam of een snel schrijver?

“Ik schrijf met horten en stoten; soms komt er een heleboel in een keer, soms stokt het volkomen. Ik ben een worstmachine met van tijd tot tijd een steen tussen het vlees. Dan draai je en draai je, en sijpelt er hoogstens iets smerigs uit - totdat er weer een geweldige worst uitkomt. Toch zijn die stenen wel belangrijk: wat er daarna uitkomt is meestal compact en goed. Als je hakt in rots wordt het altijd beter dan als je snijdt in koek.

“Ik kan het ook kosmischer uitdrukken. Ik heb sterk de indruk dat mijn boeken mij gedicteerd worden: ik hoor stemmen en accenten, en die schrijf ik op. Soms moet ik er lang naar zoeken, alsof ik op een krakerige radio naar een zender speur, maar op den duur ontvang ik ze allemaal. Mijn schrijven heeft iets mediamieks. Ik krijg ook altijd last van hysterische verbeelding. Toen ik bezig was met de passage over mijn kinderverlamming, kreeg ik pijn op de plek waar ik veertig jaar geleden pijn had toen ik uit het ziekenhuis kwam.”

Zoals Flaubert...

“...van wie wordt gezegd dat hij arsenicum proefde toen hij de zelfmoord van Madame Bovary beschreef. Ja, ik geloof daar heilig in. Ik onderga het schrijven zoals ik een goed boek onderga, of een spannende film. Zo behoor ik ook tot de mensen die in de bioscoop sidderen bij elke boeman die achter het gordijn vandaan komt.”

U bent van huis uit journalist. Heeft dat invloed gehad op uw schrijven?

“Ik heb alles van de journalistiek geleerd: doorstrepen, niet vervelen en to the point komen. Er zijn schrijvers die zeer veel woorden gebruiken om hun hoofdpersoon de deur uit te krijgen, of de kleinste handelingen beschrijven wanneer hij de trap afgaat. Zo'n schrijver ben ik niet, dankzij de krant.

“Wat je ook leert in de journalistiek is je te verplaatsen in andere mensen, jezelf uit te vlakken voor hun verhaal. Misschien ben ik wel romans gaan schrijven omdat ik dat eigenlijk niet wilde. Ik wil zelf ongestraft de regie kunnen voeren.”

Mist u de journalistiek?

“Ik heb moeite gehad om mezelf los te scheuren. Het trekt nog steeds, maar ik moet thuis blijven. Liever een tijd armoe en bescheidenheid dan weer weglopen in het snelle succes. Voortaan wil ik met een schrijfblokje naar bed en leven in een lege wereld. Verslaafd zijn aan maar één ding: de schrijftafel.”