Herdenking geallieerde operatie Market Garden; Dankbaarheid overheerst ondanks mislukking

Morgen vijftig jaar geleden begon in Nederland de gecombineerde lucht- en grondoperatie met de codenaam Market Garden van de geallieerden tegen de Duitse bezetter. Oud-strijders en ooggetuigen halen herinneringen op. “Het sneuvelen van zoveel militairen lijkt nutteloos, maar het had wel degelijk zin. Ze zijn niet voor niets zijn omgekomen want wij leven door hun bloed.”

Het was mooi weer op zondag 17 september 1944 toen zo'n 2.500 Britse en Amerikaanse jagers en transporttoestellen in twee grote golven op Nederland kwamen aanvliegen. De nacht daarvoor waren er al heel wat zware bombardementen uitgevoerd op de Duitse luchtafweer op de Zeeuwse eilanden en bij de Moerdijkbruggen.

Gerard Thuring was twaalf jaar en woonde in het Brabantse Raamsdonksveer. “We hebben drie dagen met open mond op het dak van ons huis gezeten om al die vliegtuigen te zien overkomen. Duizend Douglassen. Ongelooflijk.” Een inwoner van Den Bosch dat ook in de aanvliegroute lag, schreef in zijn dagboek: “De daken zien zwart van de toeschouwers. De een joelt en juicht, de ander is sprakeloos en heeft een brok in de keel, men zoekt naar oranjedoeken, handen worden geschud, tranen weggepinkt.”

De gecombineerde lucht- en grondoperatie waarvan men in Brabant het allereerste deel te zien kreeg, droeg de codenaam Market Garden. Ze zou met de operatie Veritable van februari 1945 de grootste militaire luchtlandingsactie worden uit de geschiedenis. De luchtvloot kwam uit Zuid-Engeland en East-Anglia. Een van de vliegvelden daar was Greenham Common, een basis waar de Britse vredesbeweging in de jaren '80 langdurig gedemonstreerd heeft tegen de komst van Amerikaanse kruisraketten, zoiets als de Duitse V1-raket maar dan met een atoomlading. In Nederland waren zeven verschillende landingszones geselecteerd. Drie bij Wolfheze (bij Arnhem), drie bij Groesbeek (bij Nijmegen), een bij Overasselt aan de Maas alsook een bij Veghel en een bij Son, een paar kilometer ten noorden van Eindhoven.

Bij het begin van Market Garden was de toen 23-jarige Jan Driessen net terug in Nederland. Als luitenant in het Amerikaanse leger maakte hij op donderdag 14 september de bevrijding mee van Maastricht en op 17 september van Heerlen waar hij een meisje leerde kennen dat later zijn vrouw werd.

In 1940 woonde Driessen in Den Haag. Binnen een jaar moest hij echter vluchten omdat hij had meegedaan aan demonstraties tegen de NSB. Op zijn vlucht kwam hij in Frankrijk terecht waar hij gedurende de oorlog “een heerlijk leventje” had. Maar toen de geallieerden in hun opmars Parijs voorbij waren, sloot Driessen zich bij hen aan en trok hij mee naar het noorden.

Na 1945 ging hij niet terug naar Den Haag, maar vestigde zich in Veghel waar hij eigenaar van een buizenhandel werd. Het ging hem goed. Na veertig jaar hield Driessen de handel voor gezien en verhuisde naar Zuid-Frankrijk. Na een paar jaar was hij weer terug in Veghel waar hij in 1983 het bevrijdingsmuseum 'Bevrijdende vleugels' (“dat is echt géén oorlogsmuseum”) van de grond had getild. De dankbaarheid aan de bevrijders zit hem in de botten. Dertig jaar eerder had hij “met mijn jachtvrindje”, dokter Kerssemakers, ook al een comité opgericht als eerbetoon aan de oude strijdmakkers. Dat waren de Amerikaanse parachutisten, in dit geval de mannen van de 101st Airborne Division die vijftig jaar geleden bij zijn woonplaats Veghel en bij kasteel Heeswijk uit de lucht kwamen vallen. “Dat waren echte elitetroepen, zoals de Duitsers de SS-pantsereenheden hadden.”

Sindsdien is zijn grote held de Amerikaanse luitenant-generaal Harry Kinnard, een destijds 30-jarige kolonel uit Dallas die samen met ambassadeur Dornbush de Amerikaanse regering vertegenwoordigt bij de Market-Gardenherdenkingen. Kinnard toonde in september 1944 zoveel moed dat hij daarvoor in 1946 werd onderscheiden en benoemd tot Ridder der 4e Klasse der Militaire Willems-Orde.

Jan Driessen springen de tranen in de ogen als hij over zijn museum vertelt. “Ik ben een gedreven mens. Zo'n museum is natuurlijk een dure hobby, maar ik heb daarin mijn levensgeluk gevonden want de oorlogsjaren waren the best years of mij life. Het was zo'n prachtige mannenwereld. Die kerels met wie ik heb gevochten, moet ik trouw en dankbaar blijven. Vandaar dat ik hier dag en nacht mee bezig ben. De jeugd van de toekomst kan hier iets van leren. En als ik ze dat niet meer doorvertel, wie doet het nog wel.”

In Arnhem coördineert dr. Paul Meulendijk de circa zeventig onderdelen van het herdenkingsprogramma van de Slag om Arnhem. Fietstochten, wandelingen, taptoes, bronzen herinneringsplaquettes, multiculturele markten, vliegevenementen, battlefield-tours, eucharistievieringen, veteranenbijeenkomsten, eredefilés, koninklijke hoogheden. Het kan niet op en het programma heeft iets van een actie tot Arnhem-promotie. “Ik ben hier al tweeënhalf jaar dag en nacht mee bezig. Als dit achter de rug is, kan ik eindelijk aan mijn pensioen beginnen”, aldus de voorzitter die vijftig jaar geleden zijn heil bij de Arnhemse vrijwillige brandweer zocht om zo buiten de Arbeidsdienst te blijven. “Ik ben een en al Arnhemmer”, zegt hij. “Ik ben hier geboren en heb hier op school gezeten. Tijdens mijn studie ben ik een tijd weggeweest, maar ben weer teruggekomen. Als medisch specialist heb ik in het St. Elisabeth Gasthuis gewerkt. Dat is het katholieke ziekenhuis dat bij de strijd om Arnhem zo'n belangrijke rol heeft gespeeld.”

De coördinator denkt dat de nederlaag die de geallieerden bij Arnhem leden de naoorlogse geschiedenis van Europa sterk heeft bepaald. “Was 'Arnhem' gelukt, dan waren Montgomery en de Britse legers eerder in Berlijn geweest dan de Russen die in september nog bij Stalingrad zaten. Dan zou Berlijn geen verdeelde stad zijn geworden en zou ook de DDR niet zijn ontstaan.”

Aan gemeenschappelijke Market Garden-evenementen in Brabant en in het gebied van Nijmegen, doen Arnhem, Ede, Heteren en Oosterbeek/Renkum niet mee. De reden is heel eenvoudig, zegt Meulendijk. “Wij hebben alleen iets te herdenken, niets te vieren, want de slag om Arnhem was een tragedie en er kwam geen bevrijding. Alleen maar narigheid.” Volgens dokter Meulendijk is er wel eens gepraat over een gemeenschappelijke aanpak van de herdenkingen, “maar elke burgemeester was zo ambitieus en trok er voor zijn eigen gemeente zo hard aan dat er niet van kwam. Da's maar goed ook, want zo'n herdenking zou totaal verwaterd zijn. Vandaar dat in onze publikaties bewust niets gezegd wordt over Market Garden. Aan de historische visie die hier leeft, daar heb ik mij aan aangepast.”

Over de Slag om Arnhem wil Meulendijk niet meer zeggen dan dat het “geen heldenslag” was. “Dat willen we er ook niet van maken. We houden hier ook geen oorlogsherdenking maar een plechtigheid waarmee wij de veteranen bedanken voor hun vriendschap jegens ons. Daarnaast hebben we ook een boodschap voor de jeugd. Die komt er op neer dat geweld vreselijk is, maar af en toe toch gebruikt moet worden om nog groter kwaad te bestrijden. Die overtuiging is terug te vinden in het boekje Een brug naar de toekomst dat de oudste leerlingen van de basisscholen en alle brugklassers van ons hebben gekregen.”

In het Brabantse dorp Gemonde, dichtbij St. Michielsgestel, heeft de Nijmeegse dokterszoon Carel ten Horn een uitgebreide collectie van oude Amerikaanse legervoertuigen. Ze zijn stuk voor stuk in een prima conditie en kunnen zo de straat op. Zo is Ten Horn in juni nog met enkele Rotary-vrienden met één van de wagens naar Normandië geweest. “Dat was een geweldige en ook wel dure reis want zo'n wagen loopt één op twee. Onderweg hadden we veel plezier met elkaar, maar het hoogtepunt was het defilé in Bayeux. Een onvergetelijke ervaring. Al dat enthousiasme van de bevolking. Maar het was eigenlijk ook nogal gênant want ik ben helemaal geen bevrijder. Ik ben zelfs nooit in militaire dienst geweest: daar was ik te klein en te licht voor, maar ik heb wel beroemde militairen in de familie. Zien jullie dat portret - naast die van Churchill, Eisenhower en Rommel. Dat is mijn voorvader Gustav Carl Horn, de Zweedse opperbevelhebber uit de dertigjarige oorlog die in 1625 in de Slag van Nordlingen het Duitse leger heeft verslagen.”

De doorgaans niet-toegankelijke collectie in Gemonde draagt de naam Freeland-museum. Zij herinnert aan ervaringen die de verzamelaar, die tevens uitvinder van de Kijkshop-formule en oud lid van de raad van bestuur van V & D Nederland is, in september 1944 in zijn geboorteplaats Nijmegen heeft gehad. “Op 19 september zaten we in de kelder van ons huis aan de Oranjesingel. Buiten woedde de oorlog. Op een gegeven moment hoorden we een geweldig gestommel en zagen we twee paar benen de trap afkomen. We dachten dat het Duitsers waren en dat ons laatste uur geslagen had want een oom, een chirurg was kort tevoren bij ons geweest en had gezegd dat de Duitsers alle huizen aan de Oranjesingel in brand zouden steken en daarbij de bewoners in de kelders zouden opsluiten. Maar het waren twee Amerikanen. Ze zeiden: er moeten jerries (Duitsers) hier in huis zitten, maar dat was niet zo. De jongste had medelijden met ons, dat zag je aan zijn ogen.”

Dertig jaar later kreeg hij een album te zien met foto's die de zoon van dokter Beynes tijdens de gevechten om Groesbeek heeft gemaakt. Op een van de foto's ziet hij het gezicht terug van de jonge Amerikaan die hij in de kelder in Nijmegen als de eerste bevrijder zag. Na lang speurwerk wordt de naam achterhaald. Het is de op dat moment vermoedelijk 22-jarige Fred W. Freeland, technisch sergeant van het 505de parachutistenregiment van de 82ste Airborne-divisie. Hij blijkt op 3 januari 1945 te zijn gesneuveld in het Ardennenoffensief. Op dat moment heeft Ten Horn de naam voor zijn museum. Daar hangt Freds foto. “Hij is voor mij een soort oudste broer geworden.”

In zijn verzameling heeft Ten Horn ook de jeep waarvan generaal James Gavin, onder wiens leiding de Waal-crossing bij Nijmegen plaatsvond, gebruik maakte. De stoel naast de chauffeur is iets verhoogd, een ingreep die nodig was omdat de inmiddels overleden Gavin bij de luchtlanding bij Nijmegen aan de rug gewond was geraakt. Ten Horn vertelt over de nog altijd bestaande grote rivaliteit tussen de 82ste en de 101ste Airborne-divisie. “Die gaat zover dat de manschappen en veteranen van deze Airborne-divisies bij de herdenkingen van deze week niet op hetzelfde adres kunnen worden ondergebracht. Anders zouden ze elkaar meteen op hun bek slaan.”

Gerard Thuring uit Raamsdonksveer werd pastoor. Eerst in Son, later in Groesbeek. Naast zijn geestelijke ambt, houdt hij zich met schrijven bezig. Vooral over de oorlog in het Rijk van Nijmegen. Bijvoorbeeld over de Amerikaanse Waaloversteek bij Nijmegen op 20 september 1944 als ook over de verdwenen Amerikaanse begraafplaatsen in het Rijk van Nijmegen. Destijds lagen die kort achter de frontlijn of dicht bij een veldhospitaal en “markeerden ze de plaatsen waar jonge mensenlevens geofferd werden voor de vrijheid waarin wij nu mogen leven”. Thuring is ook al jaren doende om de namen uit te vinden van alle geallieerde soldaten die in Noordwest-Europa zijn omgekomen. Zo zouden er in de Nijmeegse regio nog zo'n tweehonderd vermisten zijn. “Hier is de oorlog nooit helemaal tot een eind gekomen”, vindt hij, “want bijna elke week vind je nog resten terug. Soms vind je ook nog lijken. Vorige week nog een vermiste Amerikaan. We kenden zijn geschiedenis al. Op de plek waar hij werd gevonden, stonden vier vermisten geregistreerd. We konden hem meteen thuisbrengen aan de hand van zijn Airborne-schoenen. Verder was er niets dat wat botjes.” Het was de tweede luitenant W.E. Utecht uit Marysville (Kansas) die vanmiddag in aanwezigheid van zijn familie op het Amerikaanse oorlogskerkhof Margraten in Zuid-Limburg is begraven.

Als hij een tijdlang roerloos naar buiten heeft gekeken, zegt Thuring: “Ik begrijp echt niet dat zo'n groot en zo'n beschaafd en christelijk volk als het Duitse zo massaal achter Hitler heeft aangelopen. Ik ben bang dat zoiets nog eens gebeurt. Daarom ben ik ook absoluut geen pacifist want het kwaad moet worden bestreden. Het sneuvelen van zoveel militairen lijkt nutteloos, maar het had wel degelijk zin. Ze zijn niet voor niets zijn omgekomen want wij leven door hun bloed. Het enige wat ik nog voor die gesneuvelden kan doen, is bidden en ervoor zorgen dat hun namen voor altijd bewaard blijven.”

Een teer punt bij de herdenkingen zijn de Duitsers. In het bevrijdingsmuseum in Groesbeek dat op Thurings initiatief is ontstaan, mag anders dan tien jaar geleden, tegenwoordig Duits worden gesproken. Thuring heeft echter een paar vervelende ervaringen met vertegenwoordigers van Duitse veteranenorganisaties die op een of andere manier bij de herdenkingen betrokken wilden worden. “Ik heb er hier twee gehad. Uiteindelijk bleken het jodenhaters te zijn. Individueel mogen de Duitsers komen, maar niet als organisatie.”

Carel ten Horn is tijdens de herdenking in Normandië “met grote aarzeling” naar een Duits kerkhof geweest. “Het deed ons heel wat toen we zagen dat er allemaal jongens zag liggen van onze eigen leeftijd. Na een halve eeuw moet er over het graf heen verzoening mogelijk zijn. Als straks alle herdenkingen voorbij zijn, gaan we als comité naar de Duitse militaire begraafplaats in IJsselstein bij Venray om daar een krans te leggen.”