Haïti als 'killing field'

GROTE WOORDEN, maar nog geen daden. Dat is de stand van zaken nu president Clinton vannacht een soort laatste waarschuwing, overigens zonder ultimatum, heeft gegeven aan de Haïtiaanse junta. Een Amerikaanse armada ligt al dagen lang voor de kust van de eilandstaat, wachtend op het presidentiële bevel om de militairen in Port-au-Prince uit de macht te zetten en met de terugkeer van de gekozen president Aristide de prille democratie in Haïti te herstellen. Clinton meende vannacht dat Haïti onder commando van generaal Raoul Cédras een 'killing field' was geworden, en vergeleek daarmee expliciet het brute junta-optreden met de massale moordpartijen van de Rode Khmer in Cambodja in de jaren zeventig. Cédras van zijn kant liet weten liever te willen sterven dan zijn kinderen achter te laten met een onteerde naam.

Er is een krachtige moralistische ondertoon in de affaire, maar tegelijkertijd is er sprake van ouderwetse kanonneerbootpolitiek. Het herstel van de democratie in een klein, straatarm land met een generaties lang gemaltraiteerde en geïntimideerde bevolking is natuurlijk een lofwaardig streven. Een ruim gedefinieerde Veiligheidsraadresolutie plus hulptroepen uit veraf gelegen streken als Bangladesh en België moeten bovendien de indruk wegnemen dat het hier om traditionele Amerikaanse Realpolitik in de Latijnsamerikaanse achtertuin gaat. Maar juist die selectieve accentuering van de presidentiële motieven doet vele Amerikanen weer twijfelen aan het belang van de onderneming. Wat dat betreft waren de argumenten van het Witte Huis bij de inneming van Grenada (Reagan) en Panama (Bush) de gemiddelde Amerikaan meer vertrouwd.

VASTSTAAT DAT Clinton, zo kort voor de Congresverkiezingen, een succes hard nodig heeft. Dat betekent tegelijkertijd dat de president nu niet meer, zoals zo vaak bij eerdere gelegenheden, op zijn schreden kan terugkeren. Als de junta volhardt, zullen de mariniers wel aan land moeten gaan, wil de geloofwaardigheid van de Amerikaanse buitenlandse politiek overeind blijven. Men mag dan hopen dat anders dan met de arrestatie van generaal Noriega in Panama het geval was, het aantal civiele slachtoffers zeer beperkt blijft en dat Cédras niet de kans krijgt om dagenlang vanuit een diplomatieke schuilplaats een lange neus naar zijn achtervolgers te maken. Ook mag men de Amerikaanse invasietroepen toewensen dat zij doelmatiger te werk gaan dan destijds in Grenada waar de Amerikanen de tijd namen ondanks de afwezigheid van enige tegenstand van betekenis. Kortom, ook in het geval van een invasie blijft er de mogelijkheid van tegenvallers en teleurstellingen die het thuisfront raken.

VAN EEN WAT grotere afstand bezien rijst al gauw de vraag: waarom is juist Haïti uitgekozen om Amerika's politieke doelstellingen met kracht van wapens na te streven. Er zijn toch nog wel een paar andere crises in de wereld waar de mensenrechten en de democratie in het geding zijn. Maar misschien moet wat dat betreft een eventuele terugkeer van Aristide worden gezien als een hoopvol teken aan de wand.