Fatale worsteling met de engel

“Inderdaad beschouw ik God als de enige Persoon die gerechtigd is jegens Hugo Claus een aanklacht wegens plagiaat in te dienen, want het ziet ernaar uit dat deze veelarmige kunstenaar niet alleen probeert de Schepping 'nog eens over te doen', maar dat karwei in een eigen versie nog gaat voltooien ook.” Rubriek over boeken die om onbegrijpelijke redenen in de ramsj zijn gegaan.

Hugo Claus: Het verlangen. Uitg. De Bezige Bij. Prijs ƒ 8,90 bij de Slegte.

Een meesterwerk kan eigenlijk niet vallen, ook niet door in de ramsj terecht te komen; gebeurt dat laatste toch, dan maakt dat eerder alle boeken die in de Erkende Boekhandel mogen blijven tot omhooggevallen boeken.

Helemaal daar beneden dus, op de bovenste plank van het Modern Antiquariaat, vond ik laatst een stapeltje exemplaren van Hugo Claus' roman Het Verlangen, eerste en tweede druk (allebei uit '78, met verschillende omslagen) door elkaar heen. Van ƒ 25,50 voor ƒ 8,90. De eerste druk had ik destijds, niet lang na verschijnen, al eens afgeprijsd verworven, maar dat was een individueel gevallen exemplaar: 'licht beschadigd'. Waarom schafte ik me nu ook, alsnog, de tweede druk aan?

Bij het vergelijkend doorbladeren van de beide drukken zag ik achterin de tweede, anders dan in de eerste, een opmerking van de schrijver afgedrukt: 'Het verlangen is een parafrase van het verhaal van Jakob in Genesis'.

Het had iets van een door de advocaat of de uitgever van een benadeelde partij afgedwongen verklaring. Had God Zelf bij De Bezige Bij geklaagd over letterdieverij? Inderdaad beschouw ik God als de enige Persoon die gerechtigd is jegens Hugo Claus een aanklacht wegens plagiaat in te dienen, want het ziet ernaar uit dat deze veelarmige kunstenaar niet alleen probeert de Schepping 'nog eens over te doen', maar dat karwei in een eigen versie nog gaat voltooien ook. Uiteraard legt Claus (zo kennen we hem weer) pas op de allerlaatste pagina verantwoording af aan de auteur van Genesis.

Maar waarom überhaupt? Voor zover ik me herinner heb ik zestien jaar geleden, bij het lezen van de eerste druk, nergens aan het verhaal van Jakob hoeven denken - maar dat kan komen door de draaikolkachtige, de lezer letterlijk de 'dieper ik' insleurende verteltrant van Het verlangen. Na de matige ontvangst van de roman in de pers ergerde Cees Nooteboom zich ('Nederlanders willen altijd alles precies weten') aan de klacht van sommige critici als zou onduidelijk zijn wie nu precies de verteller is. 'In dit boek wordt verteld, en dan met handen en voeten, zoals op een groot orgel'. En zo is het. (Dat zou dan alvast een parallel kunnen zijn met de vertelwijze van de Schrijver van Het verdriet van Israel - alle registers open.) Had Claus zich in dezelfde mate geërgerd aan het schouderophalen van de recensenten, die met het boek niet goed raad wisten (zijn luchthartig klagen over niet-opgepikte verwijzingen in zijn werk naar de klassieken is bekend), en liet hij daarom die nadere verklaring bij de tweede druk opnemen? Of was het een min of meer willekeurige opmerking om de heren vervolgens ook op het andere verkeerde been te zetten?

Toen ik voorin die tweede druk ook nog eens, bij wijze van motto, vier citaten uit Genesis aantrof, besloot ik Het Verlangen te herlezen, maar niet dan nadat ik het verhaal van Jakob nog eens had opgezocht, hoewel Genesis niet in de ramsj ligt en ook overigens niet tot de Gevallen Boeken behoort.

Nam ik nu een totaal andere roman tot me dan in '78? Het verlangen bleek wel degelijk - ook - te lezen als een parafrase van (sommige delen uit) 'Jakob', al dient gezegd dat de parafrase beter bekt dan het oorspronkelijk: bij al z'n kwaliteiten blijft de bijbel toch een 'en toen, en toen, en toen'-boek. Met zijn eigenzinnige stilering van Vlaams kroeg- en speelholbargoens steekt Claus Céline, die hetzelfde deed met Parijs' argot, naar de kroon.

Hoofdpersoon Jaak (Jakob) maakt op uitnodiging van zijn kroegmaat Michel (die ergens zijn 'bewaarengel' wordt genoemd, maar eerder trekjes vertoont van de engel met wie Jakob worstelt, zij het hier voornamelijk verbaal) een reis van hun speeltafel in Gent naar het gokparadijs Las Vegas in Amerika. Hun beider lichtend voorbeeld is de inmiddels overleden gokverslaafde Rik de Both, kortweg Rikkebot, die aan hun stamtafel, maar ook in Amerika, zijn geërfde vermogen er doorheen joeg. Wat zijn mateloosheid betreft wordt Rikkebot afgeschilderd als een 'bodemloze put', maar hij staat ook voor de bijbelse waterput, genaamd Rechobot, die elders - in dit geval Las Vegas - moet worden aangeboord, 'zodat wij vruchtbaar kunnen zijn in het land'. De reis, of queeste, van de Gentse Jaak naar de Stad van de Belofte heeft veel van Jakobs vlucht naar zijn oom Laban in Haran, waar Jakob niet alleen een goed heenkomen vindt voor de toorn van zijn broer Esau, maar ook zijn kapitaal vergaart. De wijze waarop dit laatste gebeurt, leest nu, na alles wat we met Stier Herman enz. hebben meegemaakt, als een even curieus als dubieus staaltje genetische manipulatie, door Jakob bedreven met de kuddes van zijn schoonvader. Ik weet niet of we in Jaaks pogingen fortuin te maken in het kansspel per se een verwijzing moeten zien naar Jakobs biologisch gestuurde loterij met de genen van gespikkeld kleinvee. Maar verder komen we bijna alles - verschoven en vervormd - uit het verhaal van Jakob in Het verlangen tegen: een communistische Esau, een hoerige Rachel, de minstens zo hoerige Lea die op haar lijkt ... Zelfs de jakobsladder, waarlangs 'engelen Gods klommen', vinden we terug in een gokpaleis in Las Vegas, in de vorm van trappen waarvan in glitterpakken geklede dansers afdalen. Uiteindelijk worstelt Jaak met een van deze 'engelen', met fataal gevolg voor de engel: hij slaat hem dood.

Op de achtergrond, thuis, speelt de tragedie rond Jaaks twintigjarige dochter Didi (van Dina), die op haar achttiende 'een scheur in haar ziel' opgelopen heeft, en tot infantiliteit is vervallen, en als een peuter alleen nog met kleurkrijt kliedert. De oorzaak krijgt Jaak in Amerika te horen: terwijl er al heimelijk trouwplannen waren, liet Didi's minnaar, Markske van Zichem, een biseksuele wielrenner op z'n retour, haar plotseling vallen. Omdat Rikkebot weer eens geld nodig had om zijn goklust te bevredigen, 'verkocht' hij de tengere Markske van Zichem - praktisch zijn persoonlijk eigendom - aan de homoseksuele salamimiljonair Salomé. (Jakob nu had gehoord, dat Sichem zijn dochter Dina onteerd had. Genesis 34:5).

Wie zich mee wil laten slepen door een 'met handen en voeten' verteld verhaal, een van de beste Nederlandse romans van de laatste twintig jaar, die kan het stellen met de eerste druk van Het Verlangen. Wie daarbij van een geraffineerde onderstroom van bijbelse verwijzingen houdt, raad ik de tweede aan. Beide nog steeds, en al jaren, alleen in de ramsj verkrijgbaar: onbegrijpelijk.

'Wat zeiden ze nog meer?''