Eenwording in groepjes

Als was het een haar in de soep zo hebben de verzamelde Europese ministers van buitenlandse zaken dit weekeinde het rapport van de Duitse christen-democraat Schaüble c.s. over een Europa van de variabele geometrie met een vies gezicht naast de onderhandelingstafel gedeponeerd. Zweden, Noren en Finnen moeten zich nog per referendum over hun toetreding tot de Unie uitspreken en dan komt een mededeling uit Duitse mond dat zij slechts tot de voorhof van het Europese huis worden toegelaten, slecht uit. De bewindslieden, de Duitse incluis, wilden er dan ook liever zo weinig mogelijk woorden aan verspillen.

Vrijwel gelijktijdig lichtte het onderwerp als een komeet op aan het firmament van de Franse binnenlandse politiek. Premier Balladur had zich in een krante-interview voorstander getoond van een voortrekkersrol voor Europese landen die daartoe in staat en bereid waren. Die uitspraak werd in de reacties verbonden met de adviezen van Schaüble. Dat was voor president Mitterrand een goede gelegenheid om het idee onmiddellijk als verwarrend te bestempelen. Balladur werd eraan herinnerd dat hij wel presidentiële ambities mag koesteren, maar dat Frankrijks actuele buitenlandse politiek nog altijd het exclusieve terrein is van de huidige bewoner van het Elysée.

Voor wie de praktijk van de Europese integratie in ogenschouw neemt, heeft de hele discussie iets onwezenlijks. Overal smeden groepjes landen zich immers aaneen, binnen of buiten het raamwerk van Gemeenschap en Unie. Het verdrag van Schengen over de open 'binnengrenzen' en de consequenties daarvan, zeg de bestrijding van de criminaliteit en de afremming van de volksverhuizing der armen, is een goed voorbeeld van een falanx van Europese staten die verder wil(de) gaan dan hun directe partners. Dat de aanzienlijke vertraging die de uitvoering van het verdrag heeft opgelopen, de geloofwaardigheid van de onderneming niet ten goede komt, doet daaraan niets af.

Het verdrag van Maastricht is een toonbeeld van de variabele geometrie. Niet alleen verkreeg Ierland een religieus geïnspireerde voetnoot in de verdragstekst, Groot-Brittannië en Denemarken verwierven een 'opting-out' voor de economische en monetaire unie, Londen bleef ook nog eens buiten de sociale samenwerking van de Gemeenschap. Bovendien mag volgens het verdrag de EMU al ontstaan, zelfs als niet alle lidstaten daartoe willen of kunnen toetreden. In 1997 is nog een meerderheid vereist, maar als die niet voorhanden is, zal de EMU van 1999 af door een minderheid van lidstaten kunnen worden gevestigd. Niet zo toevallig zou dat wel eens het gezelschap kunnen zijn dat Schaüble heeft aangeduid.

In 'Schengen' is de variabiliteit in de Europese eenwording inderdaad veroorzaakt door de voortrekkers, maar in 'Maastricht' was zij het gevolg van een bewuste keuze van de achterblijvers - waaraan de partners zeer tegen hun zin zijn tegemoetgekomen. De kritiek op Schaüble mist, voorzover die kritiek van Britse kant komt, de nodige geloofwaardigheid.

Maar er is meer. Op het gebied van de defensie bestaat er al sinds mensenheugenis een groepje voorlopers, de West-Europese Unie. Dat gezelschap heeft als gevolg van het ontstaan van de NAVO jarenlang een sluimerend bestaan geleid, maar in de jaren tachtig is het door Frankrijks toenmalige gaullistische premier Chirac herontdekt als een instrument om het zelfgezochte Franse isolement te doorbreken zonder daadwerkelijk terug te keren in de schoot van de Atlantische militaire samenwerking. Inmiddels is het gezelschap uitgebreid en door de Europese Unie erkend als de kern van haar toekomstige veiligheidsbeleid. Maar dat betekent niet dat de contouren van dat veiligheidsbeleid zich al aftekenen. Daarover bestaat namelijk nog steeds een intrinsiek verschil van mening.

Omdat het met de WEU niet echt opschiet, hebben de Fransen nog iets anders bedacht, het zogenoemde Eurocorps. Begonnen als een Frans-Duits experiment omvat het 'corps' inmiddels ook Spaanse en Belgische eenheden. Nederland heeft er twee liaison-officieren gestationeerd. Veel heeft het niet om het lijf, maar het is een goed voorbeeld van een groepje leden van de EU dat op een bepaald gebied het voortouw neemt.

Wat de nauwere militaire samenwerking betreft heeft Den Haag het tot dusver bij de Britten en Duitsers gehouden, zowel in NAVO-verband als daarbuiten. De Nederlandse deelname aan de VN-operatie in Bosnië is nauwkeurig afgestemd met en vrijwel afhankelijk gemaakt van de Britten. Als Groot-Brittannië mocht besluiten zijn troepen terug te trekken, mag worden verwacht dat Nederland dat voorbeeld onmiddellijk zal volgen.

In het hoofdstuk van de Europese veiligheid komt nog een vorm van samenwerking voor die overigens weinig aandacht trekt. Dat is de onderlinge afstemming, min of meer onder Amerikaans auspiciën, door Frankrijk en Groot-Brittannië van hun nucleaire defensie. In deze tijd is dat geen publiek trekkend onderwerp meer, maar voor de betrokken landen zijn de kernwapens nog steeds een waarmerk van hun gezamenlijke exclusiviteit binnen het integrerende Europa. En voor Parijs een extra garantie dat ook onder ingrijpend veranderende omstandigheden de zogenoemde Frans-Duitse as in tact zal blijven.

Een van de wensen van de EU-landen is om een geïntegreerde buitenlandse politiek te ontwikkelen. Dat is geprobeerd ten aanzien van de Joegoslavische crisis, maar die poging is mislukt. Nu zijn drie EU-staten lid van de contactgroep voor Bosnië, samen met de VS en Rusland. Twee van die staten, Engeland en Frankrijk, zijn aanwezig in een dubbele kwaliteit, ze zijn permanent lid van de Veiligheidsraad van de VN en zij acteren als zelfbenoemde vertegenwoordigers van de Unie, hoewel de Unie als organisatie in de persoon van de Brit Owen nog eens rechtstreeks in de contactgroep is vertegenwoordigd. Nederland heeft inmiddels bezwaar gemaakt dat het buiten de groep wordt gehouden hoewel het land in het VN-detachement ter plaatse een relatief groot aandeel heeft genomen. (Duitsland bevindt zich in de tegenovergestelde positie.)

Frankrijk voerde deze zomer zijn eenzame act op in Rwanda. Hoewel door Parijs uitgenodigd, wenste geen van de partners zich met het Franse initiatief in te laten. Het was dan ook van korte duur.

Voor de leden van de Unie geldt het bekende: ze zijn alle gelijk, maar sommige zijn meer gelijk dan andere. De natuurlijke spanning tussen een onmisbaar voorwendsel en de soms harde werkelijkheid, wordt met de dag voelbaarder.