Een eenzame ceder op de zonneweg; Mystieke landschappen van de Hongaar Csontváry in de Kunsthal

De Hongaarse schilder Csontváry dacht met zijn schilderijen de wereld te verbeteren. Hij huurde in Boedapest en Parijs hallen af om bekendheid te geven aan zijn mystieke, de natuur verheerlijkende werk. Maar toen hij in 1919 stierf was hij vergeten, tot mevrouw Chroesjtsjov een kleine halve eeuw later zijn rehabilitatie bewerkstelligde. “Een naïef met een arendsoog, die als miniaturist èn als expressionist te werk ging.”

Csontváry; t/m 6/11 in de Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Geopend: di t/m za 10 -17, zo 11-17u.

Ooit werd hem verteld dat hij de beste schilder van de wereld was en hij nam het klakkeloos aan. Het verbaasde hem alleen dat deze status hem zo snel ten deel viel. Minstens twintig jaren dacht hij er nog voor nodig te hebben. Maar dat wil niet zeggen dat de loftuiting van die journalist onverwachts kwam. Al veel eerder had God zelf hem ingefluisterd dat hij 'de grootste schilder van de zonneweg zou worden, groter dan Rafaël'.

Nu hangt het werk van diezelfde, in Nederland onbekende 'schilder van de zonneweg' in de Kunsthal in Rotterdam. Geen Hongaar die ooit iets onaardigs over zijn werk zegt, en geen vreemdeling die het waagt die Hongaar tegen te spreken. Tivadar Csontváry-Kotszka (1858-1919) wordt thuis op handen gedragen.

In het zuidelijke Pécs, de tweede stad van Hongarije en zoveel lieflijker dan Boedapest, kreeg hij een eigen museum in een neo-classicistisch gebouw. Daar hangen zijn reusachtige of juist intieme landschappen, zijn bijbelse vertellingen, zijn Oosterse reisverhalen. Zijn werk is ook opgenomen in het Nationaal Museum van Boedapest, bovenop de burcht van Boeda, in gezelschap van impressionisten als József Rippl-Rónai en Károly Ferenczy, die hier, helaas, zelden of nooit te zien zijn. Dankzij een WVC-bijdrage van 72.000 gulden kon onlangs menige Csontváry gerestaureerd worden. De net geopende tentoonstelling met tachtig van zijn honderd nagelaten schilderijen is een Hongaarse dankbetuiging.

Ter kennismaking met deze gelovige en goedgelovige Hongaar hangt bij de entrée een autobiografische notitie, een leven in een regel of vijftig die door een lief kind geschreven lijken. Hoe hij opgroeide als dokterszoon, hoe hij het thuis in het Slowaakse Kis-Zeben zo naar zijn zin had temidden van jachthonden, wolven, vossen en uilen, hoe hij door wanprestaties van school moest, graag op jacht ging en naar de concerten van zangvogeltjes luisterde, hoe hij van München naar Parijs trok om er te leren schilderen, zich niet door de Franse schilderkunstige nieuwlichters liet intimideren, hoe hij toch maar dorpsapotheker werd en zich met honderd kronen als maandelijkse pacht uit die apotheek uiteindelijk vrijmaakte om aan Gods opdracht gehoor te geven.

Curieus is dat hij op 17-jarige leeftijd een verhandeling schreef over het kweken van zijderupsen en die vervolgens naar de minister van landbouw stuurde met het nadrukkelijke verzoek, het bevel bijna, deze methode als verplichte leerstof op scholen te introduceren. Andere ministeries ontvingen later voorstellen om instituten op te richten waar genieën gekweekt konden worden.

Csontváry dacht niet gering over zichzelf, zijn mystieke visies en zijn natuurverheerlijkende schilderijen zouden de wereld verbeteren, verbroederen. Hij wilde eigenlijk niets liever dan op geestelijk vlak samensmelten met Attila, de zegevierende Hunnenkoning, die ten onrechte als voorganger van het Hongaarse koninkrijk vereerd werd. Hij zag zichzelf als een kunstenaar-heerser met politieke invloed. Misschien liggen in deze grootheidswaan en in zijn obsessionele religiositeit al de eerste symptomen van een geestesziekte besloten, die zich 35 jaar later zou openbaren.

Dekzeilen

Csontváry was een zonderlinge en mateloos gedrevene eenling. Rond de eeuwwisseling, in ongeveer tien jaar tijd, is zijn oeuvre bij elkaar geschilderd, meestal buiten, in weer en wind, bij nacht en ontij, op het formaat van een plaatjesboek of op lappen van twintig, dertig vierkante meter. Later zou zijn familie deze lappen van de hand doen - als handige dekzeilen voor karrevrachten. Van zijn 'verwaaide en door de regen gestriemde doeken', zoals een tijdgenoot schreef, is het fanatieke schilderplezier af te lezen. Geen berg was te hoog, geen stad te lelijk. Dissonanten kwastte hij weg. De werkelijkheid kende op linnen haar eigen mystieke wetten.

Een eenling ook, omdat hij in zijn naieve schilderstijl niet tot simpele plaatjes verviel, maar door zijn nauwgezette manier van kijken verre verten en diepe diepten kon suggereren. Een naïef met een arendsoog en veel vakkennis, die als miniaturist èn als expressionist te werk ging. En altijd weer was daar de verf, die zich buiten de grenzen van Hongarije blijkbaar vrolijker en exotischer gedroeg dan daarbinnen.

Csontváry reisde de Middellandse Zee rond, van Sicilië naar de Libanon, van de Dalmatische kust naar Egypte. Hij ziet kalme meren en baaien, verzonken in kommen van kale heuvels; pastelgetinte, Italiaanse kustplaatsen, waar bootjes tegen de kade dobberen of het nachtelijk reilen en zeilen van een elektriciteitscentrale, waar de maan datzelfde blauwige schijnsel werpt als op de doeken van René Magritte.

In Jeruzalem bidt een bont gezelschap van vrouwen, mannen en kinderen, allen weggelopen uit een kinderboek, bij de Klaagmuur. In Athene laat hij 's avonds paardekoetsjes aan de voet van de Akropolis voorbijrijden. Of er duikt zomaar eenzame ceder op, die als een tot het uiterste getergd mens naar de hemel klauwt; de ceder als symbool van het Hongaarse nationaal bewustzijn, schreef een landgenoot, een bewustzijn dat door invallen, oorlogen en landje-pik gesterkt werd. Illusies vol symboliek verdrongen de werkelijkheid.

Kelder-kroegen

Meestal beperkte Csontváry zich tot het natuur- en het stadstafereel, vaak bevolkt met summier aangeduide figuranten. Maar dan zijn we al halverwege de tentoonstelling, die juist met sterk academische tekeningen begint. Portretten van oude heren, waarbij elke groef als een voor in het gelaat is getrokken. Je komt ze nog tegen, die verdrietige mannen, in de kelder-kroegen van Boedapest; ze hebben van alles teveel meegemaakt, alleen drank biedt nog troost. Een Fremdkörper in deze serie is het portret van een jong meisje met een grof gezicht en een mooi, naakt bovenlijf. Ze poseert op een ligstoel, exact diagonaal op het papier gezet.

Dat naturalisme wordt kort daarna, in de volgende zalen dus, al losgelaten, maar niet helemaal. Misschien was het de verf die Csontváry vrijer, maar ook onevenwichtiger deed werken dan het potlood. Een minuscuul Hongaars landschapje met onverzettelijke heuvelruggen van een bijna mismoedig makende donkerte is een juweel vergeleken met het knullig geschilderde gezicht op Mostar, het stadje in Bosnië-Herzegovina waar de afgelopen tijd geen steen op de andere mocht blijven staan.

Als apotheose van Csontváry's oeuvre hangen in Rotterdam nu ook twee van zijn 'dekzeilen', panorama's van het Hoge Tatra-gebergte met zijn overrompelende welvingen, en het metersbrede, tot ruïnes vervallen Griekse theater in Taormina, onder vurig avondlicht, aan de voet van de besneeuwde Etna. Het is als geen ander doek een echo van wat de schilder in natuur en cultuur verheerlijkte.

Csontváry huurde hallen af in Parijs en Boedapest om met deze toonbeelden van harmonieuze, goddelijke volmaaktheid zijn werk bekendheid te geven. Vergeefs! Van zijn heroïsche idealen over een nieuwe wereldorde kwam bij zijn leven niets terecht. Hij ging in kroegen het 'plein air' schilderen en zijn kosmische ideeën uitdragen, de kwast had hij eraan gegeven. De Eerste Wereldoorlog woedde, men kon hem vanuit Duitsland geen lappen linnen meer sturen. Ook het geld raakte op, zelfs zijn bed moest hij in Boedapest afstaan.

Vergeten, zo stierf in 1919 de Hongaarse Van Gogh, de door God gezondene, die op doek en palet 'de zonneweg' weerspiegeld zag. Maar niet helemaal vergeten, want de architect Gedeon Gerlóczy kocht kort na zijn dood al zijn resterende werken op. Daarna gooiden weliswaar de communistische regimes met hun voorgeschreven 'sociaal realisme' weer roet in het eten, maar uiteindelijk was het mevrouw Nina Chroesjtsjov, een voormalige boerin en echtgenote van de toenmalige Russische partijleider die in 1963 tijdens een bezoek aan Székesfehérvár, niet ver van Boedapest, zijn rehabilitatie bewerkstelligde. Prachtig vond ze die zorgeloze, Oosterse landschappen die ze op de tentoonstelling daar gezien had, aldus het gastenboek.

Gelukkig maar, nu mochten ook andere mensen van Csontváry houden. Dat deden de Hongaren al in het geniep. De laatste decennia houden ze zich niet meer in. Een liefde, niet langer uit protest voor wat 'entartet' en 'geniaal Hongaars' was, maar een totale liefde, die buitenstaanders - Nederlanders bijvoorbeeld met een schilderkunstige continuïteit van eeuwen - soms niet helemaal begrijpen.