De open lucht maakt de Roemenen ongelukkig

Hoe gaat het de Roemenen? Vroeger was hun minimaal geluk dat van de armoede en het om de tuin leiden van de censuur. Zij leefden zonder de illusie van verandering. De nieuwe vrijheid bracht de eenzaamheid, schrijft Andrei Plesu.

Deze - enigszins ingekorte - rede hield hij gisteren in Amsterdam bij de afsluiting van een hulpactie voor de Universiteitsbibliotheek van Boekarest.

Mij is verzocht in kort bestek de balans op te maken van de vijf jaar die zijn verstreken sinds de Roemeense revolutie van december 1989. Ik haast me te verzekeren dat ik daartoe niet in staat ben. Je kunt geen balans opmaken van een marathon die nog maar net begonnen is. Uit het totalitarisme kwamen landen te voorschijn die herstellen, met uiteenlopende snelheid, al naar gelang de ernst van hun ziekte en de vitaliteit van hun weefsel. Wat wel kan worden gezegd, is dat de verwikkelingen van het herstel van binnenuit heel anders worden ervaren dan ze er van buiten uitzien. Noch de pedanterie van politicologen, noch de speelse versimpelingen van journalisten doen het drama van een natie recht, wegens de minieme nuances van de historische periode. Om te begrijpen is analytisch geduld nodig, politieke wijsheid, en een groot vermogen om met sympathie deel te nemen aan het lot van anderen. Die eigenschappen zijn tamelijk zeldzaam.

Als ik het huidige Establishment (Macht, zoals wij zeggen) zou vertegenwoordigen, zou ik zeggen dat alles op koers ligt. Dat er natuurlijk obstakels, crises en onvermijdelijke moeilijkheden zijn op ons pad, maar dat de vorming van een markteconomie en democratie onomkeerbare fenomenen zijn.

Als ik de oppositie zou vertegenwoordigen zou ik zeggen dat het land zich in een rampzalige toestand bevindt, dat er niets is veranderd en dat het in veel opzichten erger is dan in Ceausescu's tijd. De weg naar de markteconomie wordt gesaboteerd, en wel bewust, door een crypto-communistische regering, democratie is een farce, een grove pastiche van wat ze zou moeten zijn.

De regering vindt dat alles prachtig zou zijn als iedereen maar harder zou werken en de corruptie verdween. De oppositie vindt dat alles prachtig zou zijn als de regering maar zou vallen. Geen van beiden heeft gelijk.

Het gaat niet zo goed als de regering voorgeeft, maar ook niet zo slecht als de oppositie beweert. Het gaat wel minder goed dan we zouden willen en in 1990 hoopten, toen we allemaal de kinderlijke overtuiging deelden dat we in één klap het Paradijs zouden binnengaan. In ongelijke mate maar met symmetrische ijver dragen regering en oppositie bij tot een vertraging van het ritme van de veranderingen. Onze moeilijkheden zijn het resultaat van het gebrek aan een moderne en rijpe politieke klasse. We zijn getuige van eenongelukkig huwelijk. Aan de ene kant staat een regering met oude reflexen, niet in staat zich los te rukken van de samenwerking met vertegenwoordigers van de oude structuren en rudimentaire politieke bondgenoten die neigen naar gevaarlijke vormen van xenofoob nationalisme. Aan de andere kant staat een amateuristische oppositie die vasthoudt aan sentimentele leuzen en impopulair jacobijns gekanker, geblokkeerd door een achterhaalde manier van denken die voortkomt uit het dwepen met historische partijen. De oppositie ontbeert intuïtie en offensieve cohesie en is bereid zich tevreden te stellen met fragmentarische guerrilla-acties die vrijwel niets opleveren.

De waarheid is dat we niet waren voorbereid op de gebeurtenissen van december 1989. We waren, meer dan we dachten, aangepast aan het leven in een dictatuur. We hadden geen illusies over een eventuele verandering en we hebben nooit nagedacht over een normaal politiek alternatief. Voor het herstel van 'democratische' instincten die door 45 jaar totalitarisme zijn verstikt en de rehabilitatie van pluralistische politieke actie (na de paranoïde monotonie van de eenheidspartij) is tijd nodig; dat impliceert een lange episode van verwarring en vertekening.

Op het eerste gezicht hebben de Roemenen na de revolutie de ene neurose ingeruild voor een andere. Na vijf decennia van neurasthenie hebben we na een korte euforie de hysterie leren kennen. We waren ècht neurasthenici, in klinische zin: we leefden van dag tot dag in de schaduw van een diffuse angst, we waren depressief en we pendelden tussen wanhoop en verruwing. We waren gefrustreerd, we sliepen niet meer, we leefden afgescheiden van onszelf, voelden ons uitgeput en benard. We vegeteerden in een omgeving die zowel star als willekeurig was.

Tegen die achtergrond kwam het tot een explosie: de neurasthenie verdween als bij toverslag en we werden hysterisch. Het zwaartepunt van onze ziekte verschoof van de hersenen naar de ingewanden. We werden meegesleurd in een puberaal over-enthousiasme, in onbeheersbare agressiviteit, in expressionistische kreten en grimassen. We vervingen uitputting door rusteloosheid, excessieve voorzichtigheid door excessieve ongeremdheid. De pathologie van de stilte maakte plaats voor juichend geschreeuw. Natuurlijk moet dit alles worden gezien als morbide uitingen van de gestoorde orde van een organisme dat nog onder behandeling is. We kunnen niet genezen zonder door een lang en dramatisch vagevuur te gaan. Het kan nog steeds tot infectueuze explosies en een gevaarlijke terugval komen.

We kunnen terugvallen in de neurasthenie. Verzwakt door teveel agitatie, verpletterd door desillusies en schor van teveel tussenwerpingen en misbaar, kunnen we wegzinken in het metabolisme van de berusting. We hebben al geleerd halve stakingen te organiseren, sierstakingen die eruit zien als protesten maar evenveel bereiken als een wandelingetje. De regeerders tonen al onverschilligheid jegens het gegrom in de pers, en journalisten zelfgenoegzaamheid jegens de machthebbers.

Ontwikkelingen die tijdens de eerste post-communistische regering tot protestbijeenkomsten leidden geven nu nauwelijk aanleiding tot meer dan een kwaad pamflet. Met een minimale ingreep, een goed uitgedokterde injectie met een mengsel van vrees, desillusie en wantrouwen, kan de hysterie weer leiden tot neurasthenie en de opschudding plaatsmaken voor slaapzucht.

Een andere variant zou de aanpassing aan de hysterie kunnen zijn: we zouden Zuidamerikanen kunnen worden. We zouden ons sensueel kunnen nestelen in een soort carnaval: rusteloosheid, gewenning aan rampen en overleven in chaos, het schandaal als sport en overdreven opwinding. Het krampachtige en het mistige krijgen soms de status van het 'normale'. Wijsheid wordt veracht in naam van het temperament en rustig overleg wordt ondermijnd door propagandistisch radicalisme.

De derde variant: de neurasthenie kan worden ontregeld en de hysterie kan in het gareel worden gedrongen door een autoritair regime. Zo'n oplossing zou ons niet genezen, maar ons veranderen van zinloze zieken in functionerende zieken. We zouden worden gedwongen ons als te gedragen als 'hysterische neurasthenici'. De bevolking, uitgeput door de wanorde, de verwarring van het parlement en politieke demagogie, begint al te verlangen naar een ingreep van 'competente organen' en roept vol nostalgie om een ceausestische 'discipline'. Sommigen stellen zich een redding voor in de vorm van een militaire dictatuur, anderen rehabiliteren de fraseologie van de IJzeren Garde. Veel jongeren antwoorden in opiniepeilingen met krachtige uitspraken over orde en onverzettelijkheid.

Men zou denken dat ik alleen maar aan een negatieve afloop denk. Maar ik geloof ook in betere scenario's. Ik geloof in de regeneratieve kracht van mensen, in een bepaalde historische rechtvaardigheid. Ik denk ook dat Roemenië meer - en iets anders - is dan een land van slechtverzorgde invaliden, aids-kinderen en mijnwerkers die studenten in elkaar slaan. Dat imago, verzonnen door arrogante en oppervlakkige journalisten, projecteert in het absolute een ramp die wel realiteit is, maar ook episodisch, en die een land niet permanent kan bezoeken, zoals de erfzonde de mensheid. Ik geloof in de doelmatigheid van een steeds gedurfder ondernemingszin, in een herstel van de agrarische inertie, in de pers - ontegenzeggelijk vrij -, in het feit dat ik dit schrijf zonder risico's te lopen.

Ik kan niet zeggen of de Roemenen gelukkig zijn. Maar ze worden geconfronteerd met het probleem van het geluk. Ik kan dat illustreren door stil te staan bij de vraag hoe een schrijver het probleem van geluk tegenwoordig benadert. Zo'n schrijver vertelde me onlangs - en hij keek alsof het hem in verlegenheid bracht, alsof hij een nederlaag toegaf - dat hij eigenlijk vroeger, onder de dictatuur, gelukkiger was.

Ik trachtte - niet zonder irritatie - de anatomie van het zo nostalgisch door mijn vriend opgeroepen geluk te reconstrueren. Hoe zag het geluk van een Roemeense schrijver er voor 1989 uit? Het kwam op de eerste plaats voort uit een zekere financiële constante. Van salaris, regelmatige leningen en sporadische steun kon men fatsoenlijk leven. Het restaurant van de Schrijversbond bood toegankelijke oplossingen. Natuurlijk leidde niemand een leven van gemak en comfort, maar de staat bood toch het (middelmatige) gevoel van (belangstellende) bescherming: men kon leven van wat men schreef, of op krediet, hetgeen tegenwoordig niet meer kan. De Schrijversbond stort in, uitgeverijen kunnen geen boeken uitgeven die geen winst opleveren, het publiek is minder enthousiast en zoekt naar mogelijkheden in andere richtingen dan die welke door totalitaire verboden worden getolereerd.

Een andere bron van 'geluk' was de duidelijke status. Het beroep van schrijver was nauwkeurig gedefinieerd in het oog van de autoriteiten en het publiek. De recalcitrante, de neutrale en de zich aanpassende schrijvers wisten wat van wie te verwachten viel. De laatsten werden door de Macht verwend, de eersten werden vervolgd maar geadopteerd door hun gilde, het ontwikkelde publiek en eventueel door het Westen. De neutralen hadden in elk geval hun eer. De schrijver genoot al met al sympathie.

Deze sociale configuratie is ingestort. In plaats van de schrijver zijn het de politicus, de journalist en de ondernemer die in het middelpunt van de belangstelling staan. De vroeger duidelijk onderscheiden kampen overlappen elkaar volgens niet te voorspellen criteria: de vroegere recalcitranten zijn zich gaan aanpassen, vroegere conformisten zijn recalcitrant geworden en neutrale professionals lijken te zijn verdwenen. En de machthebbers houden zich niet met vervolging bezig; ze negeren liever.

Er waren ook andere manieren om 'gelukkig' te zijn: het geluk van het beduvelen van de censuur, het geluk met twee tongen te spreken, sleutelromans te schrijven, en tussen de regels meer te schrijven dan in de regels zelf. Het spel met de ideologische controleurs leverde een stilistische uitdaging op die niet zonder een bepaalde perfide zoetheid was. Dat is allemaal voorbij: het gilde is verdoofd, niet in staat een ander type vernuft uit te vinden afgezien van handige zinspelingen en insinuaties.

Laten we ook het geluk van het bemachtigen van een paspoort niet vergeten, noch dat van het reizen met het gevoel dat je, misschien voor de laatste keer, de begunstigde bent van een gave van de hemel. Dat geluk is ook verdwenen: het is plausibel, dus banaal geworden.

Als we al deze soorten geluk zorgvuldig bekijken, gaat het om het geluk van het strikt noodzakelijke, van de nooddruft en van het negatieve: een minimaal geluk in een context waarin het normale beschouwd wordt als een utopie en het absurde als normaal. Het communisme is erin geslaagd ons zo op te voeden dat het getolereerde, simpele overleven kan neerkomen op subliem geluk. Tegen die achtergrond kon mijn vriend zeggen “Ik was vroeger gelukkiger”, zoals een veroordeelde na een te lange gevangenschap kan zeggen: “Ik was gelukkiger in de gevangenis”. Gelukkiger wil zeggen: aangepaster, meer geïntegreerd in een orde die niets met individuele verantwoordelijkheid uitstaande heeft. Na decennia van collectieve slaap in slaapkamers met lage plafonds en kleine ramen kan een nacht in de open lucht je ongelukkig maken, of in elk geval bang: je bent alleen en zonder dak boven je hoofd, je bent overgelaten aan een lot waarover je nooit hebt nagedacht en waarvan je zelfs niet eens wist dat je het had.

Het nieuwe, dat de meeste mensen nog steeds ervaren als 'ongeluk', is de ervaring van de eenzaamheid. De gemeenschap van schrijvers was homogener onder de dictatuur. Men praatte en zweeg over dezelfde zaken, deelde hetzelfde historische lot, leefde samen in een configuratie die door iedereen met een relatieve wederzijdse duidelijkheid werd geaccepteerd. Nu is de cohesie van het gilde zo goed als onbestaand. Ieder van ons is teruggeworpen op zichzelf, met een absolute, een onherhaalbare roeping. Het is dramatisch, maar het is ook goed. Een creatieve natuur kan eenzaamheid alleen maar zien als een grote gave. Tot voor kort waren we wat de geschiedenis ons toestond te zijn. Vanaf nu zal wat we zullen zijn worden bepaald door wat we doen met onze nieuwverworven eenzaamheid.