De moraal en het geweten

Het geloof van Philipse in een maakbare samenleving is mooi. Maar waarom zou de politiek die restauratiewerkzaamheden aannemen? Niet op grond van de heersende consensus dat dat een morele verplichting is, want die preekt juist calculerend burgerschap. Als we massaal een weinig sociale samenleving van Amerikaanse snit voorstaan met weinig belastingen, een uiterst beperkte sociale zekerheid en praktisch vrij vuurwapenbezit is er geen enkele morele verplichting voor de overheid om daar tegen te gaan.

Bodar zou waarschijnlijk het geweten der politici aanvoeren als drijfveer om de publieke moraal te beschermen. Moeten we Bodar gelijkgeven en in het geweten, al dan niet met God als noodzakelijke component, de boom van de kennis van goed en kwaad herkennen? Bodar wijst in zijn betoog ondermeer op de lange traditie van de Grieks-Romeinse joods-christelijke overlevering. Het geweten is echter, anders dan Bodars citaten suggereren, in het antieke denken nooit een 'hot item' geweest. De Homerische Griek had nog geen last van schuldcomplexen en een kwaad geweten. Het enige dat hem slapeloze nachten bezorgde was schaamte, een emotie die zijn oorsprong in de buitenwereld vindt (“Wat moeten de mensen niet van me denken”? in plaats van “Dit kan ik niet voor mijzelf verantwoorden”). Gevoelens van morele schuld, uitingen van het geweten derhalve, komen we pas tegen het einde van de vijfde eeuw voor Christus tegen. Ook daarna echter zou het geweten nooit het gewicht in de antieke moraalfilosofie krijgen die het christendom eraan zou toekennen. Dit is het, van oorsprong uit de antropologie afkomstige onderscheid tussen een 'shame- en een guiltculture', twee universeel voorkomende cultuurpatronen. Blijkbaar is het 'geweten' geen objectief altijd aanwezig orgaan, maar iets dat cultuurafhankelijk is en dus ook al geen bron voor morele rechtvaardiging.