De literaire voorproevers; Critici die hun smaak niet vertrouwen

Met welke criteria selecteert de literatuurcriticus zijn boeken? Welke invloed heeft hij op de waardering voor een schrijver? In hoeverre laat hij zich leiden door andere critici, door de uitgever en door wat schrijvers zelf in interviews beweren? In het proefschrift 'In het licht van de kritiek' onderzocht Suzanne Janssen de Nederlandse literatuurkritiek.

Suzanne Janssen: In het licht van de kritiek. Handelseditie. Uitg. Verloren, 277 blz. Prijs ƒ 49,-

'My little hate-letter to the critics', heeft de Amerikaanse auteur T. Coraghessan Boyle zijn satirische verhaal Sorry fugu (Foute fugu)eens genoemd. Het is een prikkelende parabel omdat diede criticus voor de verandering niet afschildert als een gemankeerde schrijver die bij ruzie thuis zijn woede op onschuldige boeken koelt, maar iemand die zijn eigen smaak niet vertrouwt.

In het verhaal maakt de Italiaanse restauranthouder Albert zich grote zorgen over de komst van culinair recensent Willa Frank. Frank vindt nooit iets lekker; ze laat een spoor van inderhaast gesloten restaurants achter zich. Twee keer komt Frank - 'die met haar adjectieven zwaaide als een knots' - in het gezelschap van een onbehouwen man, bijgenaamd De Papil, naar Alberts restaurant. Twee keer raakt het duo het eten nauwelijks aan.

De derde maal grijpt Albert in met de moed van een man in doodsangst. Met een mooie truc weet hij Frank in de keuken te krijgen, waar hij haar in een bijna erotische scène zijn lekkerste gerechten voorzet. “'Hier,' zei hij, 'hier,' zijn stem zacht als die van een minnaar. 'Mondje open.' ”

Willa Frank bekent uiteindelijk dat zij zich in haar kritiek altijd heeft laten leiden door de papillen van haar lompe metgezel. “Ik denk dat ik mijn eigen smaak niet vertrouw, dat is alles. (-) Iets lekker vinden, echt lekker vinden en daar rond voor uitkomen, is een groot risico. Want stel dat ik het mis heb?” De voorproever van de krant heeft zelf een voorproever in dienst genomen.

Jargon

Boyles portret komt sterk overeen met het beeld dat Suzanne Janssen in haar proefschrift In het licht van de kritiek schetst van de Nederlandse literatuurkritiek. Janssen (30), docent Kunst- en Cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, onderzocht in de geest van de Franse kunstsocioloog Pierre Bourdieu de 'ongeschreven regels' van de literatuurkritiek en de invloed daarvan op de praktijk van het recenseren. Haar conclusie luidt: de criticus is een soort Willa Frank. Hij neemt 'het zekere voor het onzekere', proeft met de papillen van De Papil. In het jargon van de kunstwetenschappen heten die papillen alleen anders; ze heten (helaas) 'buiten-tekstuele indicatoren van kwaliteit'.

De twee belangrijkste vragen die in het onderzoek worden gesteld, zijn: hoe autonoom is de criticus als hij een boek voor bespreking selecteert en zijn oordeel daarover vormt en in hoeverre kan de schrijver in dat proces van meningsvorming 'interveniëren'? Om tot een antwoord te komen las ze een pakhuis vol recensies in landelijke en regionale bladen na 1965. Dat deed ze onder meer voor case-studies over de dichter Rutger Kopland, de schrijver, essayist en vertaler Jacq F. Vogelaar en Judicus Verstegen, een ondanks dertien overwegend goed ontvangen romans vergeten auteur uit de jaren zestig en zeventig. Daarnaast onderzocht ze welke boeken er - in 1970 en 1991 - besproken en genegeerd werden. Ook inventariseerde ze de 'nevenfuncties' van auteurs: hoe actief stelt hij of zij zich op in het literaire wereldje?

De criticus, concludeert Janssen, is in zijn werk niet het autonome individu dat hij vaak beweert te zijn of graag zou willen zijn. Ze betwist niet dat de intrinsieke kwaliteit van een werk of oeuvre meetelt. Maar het materiaal dat ze verzamelde laat zien dat de criticus zijn oordeel en selectie mede baseert op die 'buiten-tekstuele indicatoren van kwaliteit'.

Het aanzien van de uitgeverij waar de schrijver publiceert of het tijdschrift waaraan hij verbonden is, de prijzen die een auteur wel of niet heeft gekregen, diens niet-literaire activiteiten, de uitspraken die de schrijver over zijn werk heeft gedaan, het oordeel van andere critici en het succes van een auteur bij het publiek - het zit allemaal in het hoofd van de criticus als hij bepaalt welk boek hij bespreekt en als hij zijn oordeel velt.

Vooral de mening van de collega-voorproevers telt zwaar, oordeelt Janssen. Die blijkt 'de ultieme toets' voor het 'gelijk' van een criticus. “Wanneer een criticus bij herhaling tot afwijkende keuzen en oordelen komt, kan zijn betrouwbaarheid als beoordelaar van literatuur in twijfel worden getrokken en zet hij zijn positie als criticus op het spel.”

Janssen concludeert daarom dat er sprake is van een mechanisme dat ze 'orkestratie' noemt. Uitspraken over een werk of oeuvre hebben de neiging steeds meer op elkaar te gaan lijken. Dat is een dwingend mechanisme. Eens 'dissidente' critici gaan zich vroeg of laat conformeren aan de visie van de rest. Of doen er op den duur maar het zwijgen toe.

Canonisering

In de canonisering van Rutger Kopland bijvoorbeeld, heeft Trouw-criticus Tom van Deel een doorslaggevende rol gespeeld. Janssen vond Van Deels beweringen regelmatig - naar de geest ongewijzigd - terug in andere besprekingen. Critici die gereserveerd op Koplands eerste bundels hadden gereageerd, konden zich daar later - blijkens hun recensies - niets meer van herinneren. Ze hadden het 'altijd al gezegd'. Of ze gaven de pijp aan Maarten, zoals K.L. Poll, P.M. Reinders en Boudewijn Büch. Anderen moesten Kopland voortaan maar bespreken, het was vechten tegen de bierkaai. Resultaat: bijna geen kritische noot meer te horen.

Het feit dat het verloop onder critici buitengewoon groot is, verandert daar niets aan. Janssen telde in 1978 174 recensenten en in 1991 200. Maar nieuwe critici, constateert zij, doen zelden iets anders dan oude reputaties bevestigen. En ook zij bespreken wat de collega's bespreken. Met meer critici is de diversiteit van de besprekingen zelfs afgenomen. In 1978 kreeg tien procent van de titels veertig procent van de recensies, in 1991 was dat opgelopen tot zestig procent. 'Orkestratie' is hier gewoon een ander woord voor verschraling.

Janssen ziet hierin ook een bewijs dat critici zich meer laten paaien door de afdeling marketing van uitgeverijen. Die zijn, veel meer dan vroeger, bedreven in het creëren van aandacht voor een beperkt aantal schrijvers in het fonds. Critici gaan daar in mee, waardoor andere auteurs een snellere dood sterven.

Deze conclusies zijn even prikkelend - wees dwarser, nieuwe critici! mondje open! - als bekend en betwistbaar. Dat maakt het tot een debat-stimulerende studie, temeer daar met name de case-studies relatief stekelig geschreven zijn. Ze bevatten tal van passages waarin het literaire bedrijf met een wat ironische blik wordt bekeken. Gevraagd om een toelichting op haar motieven, zegt Janssen: “Het heeft mij altijd verbaasd dat mensen die zo diep nadenken, geen oog hebben voor de mechanismen waar ze zelf mee te maken hebben.” Licht spottend voegt de Rotterdamse daar aan toe: “Misschien moet dat ook wel om plezier in je werk te houden.”

Dezelfde ironie is te bespeuren in het antwoord op de vraag of ze haar onderzoek ook ontluisterend zou willen noemen. “Nee, ik vind het wel vermakelijk om te zien hoe mensen het volledig participeren in een bepaald wereldje ongelooflijk serieus nemen. En hoe dat een soort blindheid oplevert. Aan de andere kant kan ik het me ook wel voorstellen. Verregaande reflectie werkt maar verlammend.”

Dat deze reflectie op het métier volgens Janssen ontbreekt, is een van haar betwistbare stellingen. Veel gezaghebbende critici hebben zich in essays, lezingen of interviews wel degelijk over dit probleem uitgesproken. Daaruit blijkt ook dat Janssen de literatuurkritiek te rigide reduceert tot een 'sociale context'. Dezelfde critici laten zich bij de argumentatie in hun essays in de eerste plaats leiden door wat Aad Nuis 'een stem in je hoofd' noemt.

De 'verschraling' is onder critici wel degelijk een thema. Niet voor niets heeft Robert Anker gepleit voor een 'Vergeet-me-niet-prijs'. En niet voor niets schrijft Herman de Coninck in Intimiteit onder de melkweg: “Ik vermoed dat de Hollandse poëziekritiek er minder trendmatig uit zou zien als Tom van Deel op de Veluwe woonde, Guus Middag in Vlissingen, Ad Zuiderent in Friesland en Robert Anker op Schiermonnikoog. Misschien mag Rob Schouten dan in Amsterdam blijven.”

Oog voor niet-literaire overwegingen heeft men ook. De criticus is ook maar een mens. De Coninck stelt dat de positief veranderde receptie van Jean-Pierre Rawie's poëzie wel eens te maken zou kunnen hebben met diens bijna-dood, een paar jaar geleden. En wat betreft de 'orkestratie' - was het niet Aad Nuis die, als gastcriticus aan de universiteit van Groningen, zei: 'Het echte ambacht leer je door afkijken'?

Anderzijds wijst In het licht van de kritiek uit, dat die reflectie niet wil zeggen dat er iets verandert. De vraag is ook wat de kritiek precies zou kunnen doen. Janssens verwijt dat de critici zich laten leiden door de status van de uitgeverij, bij voorbeeld, is een loos verwijt. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de popmuziek, kent de literatuur in Nederland geen werkelijk interessante independents. Het lekkerste haal je hier niet bij de kleintjes, maar bij de groteren.

Gevoeligheden

Echt overtuigend - en stekelig - is Janssen als ze de vraag stelt wat een schrijver kan doen om de meningsvorming te beïnvloeden. Uit de drie case-studies blijkt zonneklaar dat de criticus zo zijn gevoeligheden heeft. Je kunt er wat lessen voor de beginnende schrijver uit destilleren.

Les 1: Heb interessante opvattingen over je werk en ventileer die in interviews en essays.

Les 2: Doe aan 'produkt-differentiatie'. Schrijf essays of kritieken, vertaal, zit in tijdschriftredacties. Doe in elk geval meer dan het schrijven van romans en gedichten.

Les 3: Eerlijkheid duurt 't kortst.

Een criticus hoort niet graag dat deze handigheidjes van de auteur zijn oordeel over hem positief beïnvloeden. Maar Janssen toont aan dat dit wel zo is. Critici hebben sterk de neiging om te refereren aan uitspraken van de auteur. Bij Kopland zag Janssen hoe in recensies bepaalde karakteriseringen letterlijk waren overgenomen uit een Kopland-nummer van Bzzlletin. Ze kwamen uit de mond van de dichter zelf. Dat gold ook voor Jacq Vogelaar, die niet te beroerd was om zijn oudere, min of meer onbegrijpelijke werk toe te lichten en in het juiste kader te plaatsen. Judicus Verstegen liet dat na en dat heeft zijn 'carrière' volgens Janssen geen goed gedaan. Zij vond in de archieven geen toelichtende artikelen van, en nog geen handvol interviews met de schrijver, die sinds 1982 niet meer publiceert. De drie interviews die hij wel gaf, gingen met name over de vraag of zijn debuutroman Legt uw hart daarop uit 1967 nou wel of geen plagiaat was van Hermans' Nooit meer slapen. Verstegens reactie op de geconstateerde overeenkomsten was even eerlijk als - carrière-technisch - onhandig: “Ik schrok me rot.”

Janssen citeert Pierre Bourdieu om Verstegens houding te omschrijven. Hij miste “de combinatie van sluwheid en naïviteit, van berekening en onschuld, van oprechtheid en kwade trouw, die vereist wordt voor het 'mandarijnenspel', het gecultiveerde spel met de culturele erfenis dat 'scheppen' altijd identificeert met het creëren van een 'afwijking' van algemeen bekende vormen en formules die alleen voor ingewijden zichtbaar is”. Met andere woorden: Verstegen had z'n PR slecht voor elkaar. Janssen, desgevraagd: “Er zijn vele manieren om zalig te worden. Maar je vergroot je overlevingskansen als schrijver wel als je er nog wat bij doet.”

Toch is het de vraag of hiermee werkelijk, zoals Janssen wil, alle verborgen regels van de literaire kritiek zijn blootgelegd. Zo ontbreekt in haar onderzoek een belangrijke 'buiten-tekstuele indicator van kwaliteit'. Hij ligt zo voor de hand dat zelfs een buitenstaander als Janssen wil zijn, er blijkbaar overheen kijkt. Geen criticus ontkomt helemaal aan het motto: “Bespreekt Nederlandsche waar, dan helpen we elkaar.”

Soms leidt dat tot een lichte vorm van welwillendheid die de romans in kwestie niet altijd verdienen. Blijkbaar is ook dat een dwingend mechanisme. Soms wordt iets van dit mechanisme zichtbaar. Zoals bij het afscheid van Kees Fens, in 1978, als criticus Nederlandstalige literatuur. “Het is,” zei hij toen, “een troosteloze ervaring wanneer je beseft hoeveel moeite je in de loop der jaren hebt besteed aan boeken die al lang zijn vergeten.”

Veelzeggend is ook de reeks 'Gevallen boeken' in deze krant, over romans die ten onrechte in de ramsj liggen. De schrijvers die daarin tot nu toe aan het woord kwamen, kozen opvallend weinig Nederlandse literatuur. De Slegte ligt er vol mee, maar daar lijken zij niet mee te zitten. Hoe verhoudt zich dat tot al die 'actuele' aandacht voor Nederlandse literatuur in de media? Stof genoeg dus, voor een onthullend literatuursociologisch onderzoek.