De climenole

Op weg naar Japan - het is zijn derde reis - komt Kapitein Gulliver terecht op het zwevende eiland Laputa. De notabelen daar houden één oog op het zenith gericht en hebben het andere naar binnen gekeerd. Er is altijd een bediende in de buurt die zijn ogen in de gewone stand heeft en die gewapend is met een climenole of wakkerhouder. Dat is een stok met aan het ene eind een opgeblazen varkensblaas waarin wat droge erwten rammelen. Als naar het oordeel van de bediende een hoge Laputaan op het een of ander opmerkzaam moet worden gemaakt, tikt hij hem licht aan met de climenole: op zijn ogen of zijn oren als hij moet kijken of luisteren, en op zijn mond als hij iets moet zeggen. Gulliver vergelijkt de climenole met een zachte dorsvlegel.

Ik zou graag meer uit dit spannend avontuur willen navertellen - hoe Gulliver zich een pak naar de dracht van het land wil laten maken waarop er een kleermaker verschijnt die met sextanten, passers en gradenbogen de maat neemt, aan de slag gaat en een kledingstuk construeert dat tegelijkertijd te nauw, te wijd, te kort en te lang is - maar dan kom ik niet aan de actualiteit toe. Want ik heb de indruk dat de problemen rond de verhuizing van het departement der kunsten (van Rijswijk naar Zoetermeer) nog niet helemaal zijn opgelost.

In deze krant van 29 augustus heeft de heer A.A.M. Horrevorts, directeur van een management-adviesbureau voor overheden een artikel gepubliceerd waarin hij uitlegt dat de verhuizing niet nodig is en veel geld kost. Hij beroept zich op het rapport van de Commissie Wiegel die dat al in 1982 heeft bewezen; en dan voegt hij er zelf nog een aantal argumenten aan toe waarvoor ik geen ander woord heb dan overstelpend. Dat ook een leek in het departementale management veel van dat alles kan bedenken doet niets af aan de waarde. Juist dat iemand als de heer Horrevorts dit artikel heeft geschreven is veelbetekenend: je zou zeggen dat hij, als overheidsadviseur, daarmee zijn eigen glazen ingooit. Want er zal, veronderstel ik, na dit besluit tot de verhuizing veel te adviseren zijn.

Maar de kous is nog niet af. In het programma Het Capitool heeft afgelopen zondag mevrouw Hedy d'Ancona, oudminister van WVC gezegd dat ook zij er niets van begrijpt: “Volstrekt overbodig en zeer onverstandig.” Ze herinnert zich de vorige verhuizing, 1982, die tachtig miljoen gulden heeft gekost. De tien miljoen die Staatssecretaris Aad Nuis ons in het vooruitzicht heeft gesteld, moeten dus, geïndexeerd, en met verwerking van tussentijdse loonsverhogingen van verhuizers tot adviesbureaudirecteuren, met een factor van tien worden vermenigvuldigd. Dit zegt mevrouw d'Ancona niet met zoveel woorden; deze raming heb ik zelf op papier gekregen.

Nadat ook de vroegere minister de Commissie Wiegel heeft genoemd, komt ze tot het ergste. Het duurt, herinnert ze zich, “zeker vijf tot zes jaar voordat de ambtenaren aan elkaar zijn gewend.” Degenen die zich alleen hebben opgewonden over de economische kanten, de platte belastingcenten per slot van rekening, worden door mevrouw d'Ancona met hun neus op het menselijk vraagstuk gedrukt. Wat doen de ambtenaren in die vijf of zes jaar terwijl ze bezig zijn aan elkaar te wennen? Aan wat van de ene ambtenaar moet de andere wennen? Bestaat er de waterdichte garantie dat het wennen inderdaad na pakweg zes jaar tot een goed einde is gebracht? En wat als het wennen mislukt? Heeft de Staatssecretaris daar een antwoord op?

Sinds het bericht van de voorgenomen verhuizing heb ik nog niemand gesprokendie het een goed idee vond, en ik heb niets gelezen waaruit onomstotelijk blijkt dat de kunsten in Zoetermeer zoveel beter af zullen zijn dan in Rijswijk. Zijn we niet te lankmoedig, laten we niet teveel 'langs onze ziel gaan' (zoals de afstamming van dit woord aangeeft) zijn we niet te overkantelijk? Het ligt te dicht voor de hand om weer een prijs in te stellen, de gouden climenole voor de bestuurder die met de onbegrijpelijkste beslissing het meeste geld heeft uitgegeven; en behalve dit heeft zo'n prijs het nadeel dat er weer een aanleiding tot een ludieke gebeurtenis mee wordt veroorzaakt. Maar we zouden dringend kunnen vragen: 'Leg het eens uit, daal af van Laputa en verklaart u zich nader, want we begrijpen er nog steeds geen bal van.' In die bewoordingen zou ik het niet zeggen, maar daar komt het wel op neer.