De allerlelijkste Orpheus; Duizelingwekkende roman van Göran Tunström

Göran Tunström: De dief. Vert. Bertie van der Meij. Uitg. De Bezige Bij, 344 blz. Prijs ƒ 45,-

Dit boek is gek, riep ik hardop bij bladzijde 281 toen, na een sociaalrealistisch plattelandsverhaal, een inwijding in de wereld van de geest en een speurtocht met een priester in Ravenna, ook nog de complete tekst van een teruggevonden zesde-eeuws Gotisch handschrift werd opgedist. Dit boek weet niet van ophouden. Dit boek heeft geen besef van grenzen. Dit boek is geschreven door iemand, de Zweed Göran Tunström, die in zichzelf een onvermoeibaar verteller met een postmoderne tekstmonteur verenigt, iemand die net zo lief op Jan de Hartog als op Umberto Eco wil lijken. Een verrukkelijke combinatie overigens, al laat De dief de lezer wel enigszins duizelend achter.

Tunström (1937) is al veel in allerlei talen vertaald, hij schrijft romans en gedichten, hij ontving de Selma Lagerlöf Prijs, maar in Nederland was hij nog niet doorgedrongen. En als de Bezige Bij niet zo nieuwsgierigmakend Zweeds was geworden, met grote dichters als Lars Gustafsson en Tomas Tranströmer en met de onovertroffen poëtische verteller Törgny Lindgren, dan had dat nog lang zo kunnen blijven. De dief schijnt Tunströms bekendste boek te zijn en het heeft alles wat een leeslustige van een dikke roman verlangt: liefde, ongeluk, geestige toon, geleerdheid, spanning. Het type boek dat je zelfs op de fiets nog niet weg wilt leggen, maar ook weer niet zo alleen-maar-spannend dat je achteraf je verslaafdheid wilt verloochenen. Geen boek om je voor te schamen.

Al op de eerste bladzijde ligt het tempo duizelingwekkend hoog. Er stapt een man die niet zo erg deugt het verhaal in, compleet met een vader en diverse broers, er wordt een gezin in het vooruitzicht gesteld waar een neef in binnengesmeten zal worden, die wordt aangekondigd als 'de kleine held van deze vertelling', de krijgshistoricus Procopius krijgt een levensgeschiedenis van één alinea toebedeeld, 'maar daarover later meer'. Op bladzijde twee komt een schoolmeisje aangedrenteld wier lot door de schrijver meteen al beklaagd wordt waarbij hij vooruitwijst naar wat nog komen moet en uitroept: “Ach, Ida Pripp, had maar een omweg genomen langs de leverbloempjes!” En de lezer haast zich verder teneinde te begrijpen wat er dreigt en voor wie en waarom. Het citaat uit Rilke's gedicht 'Orpheus. Eurydike. Hermes.' zijn we in onbegrip voorbij gerend. Dat komt later vanzelf weer goed.

'De kleine held van deze vertelling' is Johan. De dief uit de titel is een onschatbaar waardevol boek, een Gotische zesde-eeuwse in zilver gevatte bijbel. Dit boek ontsteelt Johan zijn leven, althans dat is wat hij beweert. Een voorvader van hem heeft de Zilveren Bijbel een keer van een roemloos einde in de golven gered en zodoende voelt Johan er een speciale band mee. Hij besluit het boek te gaan stelen. Niet omdat hij een dief wil zijn, maar omdat hij, zelf omhooggekropen uit de modderpoel van het kinderrijke gezin van de slechte man en het schoolmeisje, ook zijn nichtje Hedvig wil redden. En dat kan alleen als hij haar iets te bieden heeft.

Hedvig en Johan. Samen één grappig diertje met twee koppen, zo worden ze beschreven. Ze slapen samen, ze denken samen, ze stellen zich samen te weer tegen de domheid, smerigheid en chaos van het gezin waar ze in opgroeien. “Tegen hun muur kun je jezelf nu en dan zien bloeien.”

Maar Hedvig verdwijnt in de onderwereld. Ze wordt een ijskoude afspiegeling van zichzelf, onbereikbaar en ellendig, tot ze zo gek is geworden dat ze opgesloten wordt. “Als ze er nog was, dan zat ze heel diep in dit stuk steen, in elkaar gekropen en zonder enige mogelijkheid er ooit nog levend uit te komen.” Aan Johan de taak om zijn Eurydike terug te voeren naar de wereld van de levenden.

Johan is de lelijkste Orpheus die er ooit bestaan heeft. Op zijn achttiende is hij, naar eigen zeggen, 'dwergachtig en verdroogd' al bruist er binnen in hem 'mijn genie'. Binnen in hem hongert alles naar kennis en naar studie: “Ik zou een 'ode aan de leeslamp' willen schrijven.” Als blijkt dat de Zilveren Bijbel niet zo maar te stelen is, kiest Johan ogenblikkelijk voor de andere weg: hij gaat Scandinavische talen studeren en specialiseert zich in het Gotisch en in het bijzonder in de kennis van het manuscript van de Codex Argenteum. “Ik wilde grijs worden als het boekenstof, onzichtbaar, om mij vrij als een virus te kunnen bewegen.”

Hij wordt steeds geleerder en Hedvig raakt steeds verder weg, ook al doet hij alles uitsluitend voor haar. Hij zoekt haar niet op, hij reageert niet op haar brieven uit de andere wereld: “dat ik nu beter ben, maar dat het bos om mij heen is en dat ik wil dat jij mij hier komt weghalen zoals je een keer beloofd hebt.” Eigenlijk is Johan niet ongelukkig, eigenlijk geniet hij, maar dat wil hij niet weten.

Dit gedeelte van het boek is een lofzang op de studie, op de leeszaal, op de hartstocht voor de obscuurste details, op de nieuwsgierigheid naar het nutteloze, op de rijkdom van alle cultuur die in de duisternis van de desinteresse verloren dreigt te gaan. Hier dwaalt het boek ver weg van het armoedige platteland en betreedt bibliotheken en kerken. Johan reist naar Italië en vindt in Ravenna een manuscript uit de Gotische tijd dat we, zoals gezegd, helemaal te lezen krijgen, en dat een samenvatting is van de hele roman.

Hier past ook een loftuiting voor de vertaalster, Bertie van der Meij. Niet alleen namelijk zijn al Tunströms vertelsels en uitweidingen met zwier en precisie vertaald, niet alleen de slechte gedichten van een dorpsgenoot, maar ook de quasi-zeventiende-eeuwse brief waarin over de redding van de Zilveren Bijbel wordt bericht, en nu ook nog weer het lange verhalende Gotische gedicht in die typische stijf-lyrische stijl van vertaalde dode talen. Bertie van der Meij beheerst blijkbaar elk register.

Het derde deel van het boek begint, net als de andere twee delen, met een citaat uit Rilke's 'Orpheus. Eurydike. Hermes.': “zij was reeds niet de blonde vrouw meer”. Wij houden ons hart vast.

Na jaren van studie kijkt Johan naar de sterk veranderde Hedvig op een moment dat dat niet had gemogen en stort haar terug in haar onderwereld. Hij heeft Hedvig niet gered. Hij is te laat, ook al krijgt hij nu eindelijk toegang tot de Zilveren Bijbel. “Eindelijk stond ik oog in oog met het voorwerp dat heel mijn volwassen leven, hoe weinig volwassen het ook geweest was, van mij gestolen had.”

Dat laatste is natuurlijk niet waar. Johan heeft wel degelijk een zinvol leven geleid, maar wel een van papier. Wat hij redde was een ander verloren leven, dat van de Gotische schrijver die de Zilveren Bijbel vervaardigde. Verhalen zijn taai en kunnen, in tegenstelling tot Eurydike, steeds weer uit de onderwereld bovengehaald worden. Is het leven van Orpheus vergeefs geweest? Welnee. Alleen het lot van Eurydike is beklagenswaardig.

Göran Tunström heeft mij vele uren ontstolen met zijn Boek. Maar ik ga hem niet, in navolging van zijn hoofdpersoon, voor dief uitmaken. Integendeel. Dat hij mij nog maar vaker moge beroven.