Buurman zingt rare liedjes

Ruth Almog: De zilveren bal. Met tekeningen van Annegert Fuchshuber. Vert. Benno Ehrlich, uitg. Ploegsma, 100 blz. 10 jaar en ouder. ƒ 24,95

Een van de typerende dingen van kind-zijn, is dat alles zomaar gebeurt. Het overzicht over de gebeurtenissen ontbreekt, door gebrek aan inzicht of informatie is de logica ver te zoeken en bovendien staat een kind vaak machteloos. Boeken die vanuit een kinderperspectief zijn geschreven verwaarlozen dat aspect vaak. Daar leeft de tienjarige in een logisch samenhangende wereld waarin raadsels er zijn om ze op te lossen en dat nog gebeurt ook. Op elk waarom is een antwoord.

De Israelische schrijfster Ruth Almog heeft het in De zilveren bal niet zo aangepakt. Het is een bijna slordig, kriskras verteld verhaal, waar niet zoveel kop of staart aanzit en waarin veel onverklaard blijft. Zoals het echt gaat dus, en dat werkt in dit geval juist mooi raadselachtig. De hoofdpersoon is een meisje, van een jaar of tien, elf - dat staat eigenlijk nergens - maar ze heeft de hele jeugdbibliotheek al gelezen en op het laatst begint ze flink te groeien. Ze wil het over een paar dingen hebben: haar naam, haar pianospelende buurmeisje en haar boze buurman. De naam is kort verteld, ze heet Pnina maar zo wil ze niet heten. Ze zegt dat ze het een rotnaam vindt, maar eigenlijk is ze bang voor die naam omdat haar door de Duitsers vermoorde grootmoeder ook zo heette. Het verhaal speelt vlak na de oorlog.

De buurman is ingewikkelder. Hij heeft in het begin een hekel aan haar en zij aan hem, later niet meer. Maar aan het gedrag van de oude meneer Daglicht blijft veel vreemds. Hij scheldt haar uit en zingt rare liedjes als ze voorbij komt. Er wordt van hem gezegd dat hij het verzet tegen de Engelsen steunt maar dat slaat waarschijnlijk nergens op. Hij is soms heel zacht en aardig en soms ook doldriftig en waarom zijn houding tegenover haar verandert is ook niet duidelijk. Dat is een kwaliteit van dit boek: de mensen zijn tegenstrijdig en onbegrijpelijk. Aan het eind van het boek is meneer Daglicht ergens anders gaan wonen. Zijn kleinzoon die een poosje bij hem heeft gewoond is gestorven.

Met het pianospelende buurmeisje heeft Pnina, of Jewel zoals ze zichzelf liever noemt, nauwelijks contact, maar toch is ze belangrijk omdat ze een rol in het hoofd van de vertelster speelt. Andersom blijkt dat uiteindelijk ook zo te zijn, maar dat maakt voor het verhaal geen verschil meer omdat het buurmeisje, als ze dat verteld heeft, meteen vertrekt. Het is allemaal heel klein van gebeurtenis, wat Almog beschrijft. Haar toon is fris en helder, er is niets opzettelijk duister aan haar manier van schrijven. Misschien kan alleen iemand die haar eigen herinneringen volledig vertrouwt zo schrijven. Het kan haar niets schelen dat sommige gedragingen onverklaarbaar blijven, dat het buurmeisje Rebecca gewoon uit het verhaal verdwijnt en nooit meer terugkomt, dat de eerst zo belangrijke kwestie van de naam op het laatst helemaal niet meer ter sprake komt en dat een nieuwe vriendin pas op de laatste bladzij van het boek wordt geïntroduceerd. Ze herinnert zich wat ze zich herinnert en daar moeten we het maar mee doen.

De zilveren bal uit de titel is een bal van zilverpapier die eigenlijk ook maar een kleine rol speelt maar toch tot hoofdrol gebombardeerd wordt. Pnina/Jewel vindt hem, is er blij mee maar voelt zich tegeljkertijd een dief en gaat zich onprettig voelen. “Net zoals wanneer je een nieuwe trui aanhebt, die opeens begint te kriebelen.” Ze legt de bal weer terug waar ze hem heeft gevonden en krijgt hem een paar maanden later opnieuw in haar bezit. Dat is alles. Maar het is genoeg, om niet te zeggen: veel.