Vestdijk (1)

Als H. Br. Corstius impliceert (NRC Handelsblad, 3 september) dat Vestdijk verplicht op leeslijsten moet voorkomen en dus met tegenzin gelezen wordt, dan beschuldigt hij literatuur-docenten van een fnuikende aanpak: De middelbare scholier komt met veel animo voor literatuur naar school en zwaait vijf, zes of zeven jaar later af met het vaste voornemen nooit meer een boek ter hand te nemen. Daartussenin vindt dan het literatuuronderwijs plaats.

Zoals er docenten zijn die 'het' niet hebben en beter niet voor de klas hadden kunnen gaan, zo zijn er velen die 'het' wel hebben en met veel inzet hun vak uitoefenen. Voor diegenen is de ongenuanceerde beuzelpraat van H. Br. Corstius ronduit beledigend. En bovendien: wat geldt voor de docenten geldt evenzeer voor de leerlingen. Er is en blijft een deel aan wie iedere inspanning om literatuur tot leven te brengen verspild is, aangezien zij 'het' niet hebben, zoals er ook een deel is bij wie 'een schok van herkenning' zou kunnen plaatsvinden, misschien wel het enige na te streven nut van literatuuronderwijs.

In zijn stukje noemt H. Br. Corstius ondermeer G.K. van het Reve als een der schrijvers die ons 'de desolate eenzaamheid van de middelbare scholier' tonen. In Moeder en zoon beschrijft Gerard Reve zijn schooltijd op het Vossiusgymnasium. Voor hem 'een verschrikking', inderdaad. Maar die verschrikking werd niet alleen gegenereerd vanuit het docentencorps. Van de leerlingen schrijft hij: '(...) het leerlingenbestand was een verknipte troep, lelijk, pedant en ziekelijk, van zenuwlijders en psychopaten'. Van de docenten noemt hij een paar in meer of mindere mate kwaadaardige kneuzen, maar ook een aantal voor wie hij sympathie voelt, zoals zijn docent Nederlands, de dichter D.A.M. Binnendijk.