Verdeelde Veiligheidsraad verlengt sancties tegen Irak

NEW YORK/ KOEWEIT, 15 SEPT. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft gisteren de sinds vier jaar bestaande sancties tegen Irak verlengd. Maar binnen de Raad groeien de tegenstellingen over deze kwestie.

Van de permanente leden van de Veiligheidsraad, die over vetorecht beschikken, drukten met name de Verenigde Staten en Rusland gisteren diametraal tegenovergestelde standpunten uit. De nieuwe Russische VN-ambassadeur, Sergei Lavrov, achtte de tijd gekomen om rekening te gaan houden met de medewerking van Irak op het gebied van vernietiging van zijn massa-vernietigingswapens en permanente controle op zijn bewapeningsprogramma's. Rolf Ekeus, chef van de VN-commissie die Irak de afgelopen jaren heeft ontwapend, noemde de Iraakse houding gisteren “goed”.

Volgens Lavrov zou de Raad een periode van zes maanden moeten instellen om het door de VN geïnstalleerde controlemechanisme, dat volgende maand operationeel wordt, te testen, waarna in principe conform de resoluties van de Veiligheidsraad het olie-embargo zou moeten worden opgeheven. Zijn positie wordt min of meer gedeeld door China en Frankrijk, twee andere permanente leden van de Raad.

Maar de Amerikaanse VN-ambassadeur, Madeleine Albright, stelde dat versoepeling van de houding jegens Irak de kans op naleving van “alle eisen van de VN” - die zijn gekoppeld aan het import-embargo tegen Irak - in gevaar zou brengen. Zij sprak van een “verbijsterend falen” van Irak om te voldoen aan de door de VN gestelde bestandsvoorwaarden aan het eind van de oorlog om Koeweit.

Daarbij wees ze op de Iraakse weigering Koeweits onafhankelijkheid en zijn grenzen te erkennen, om Koeweitse en andere gevangenen te repatriëren en om Koeweitse bezittingen terug te geven. Voorts beschuldigde ze de Iraakse president Saddam Hussein van een voortdurende terreurcampagne tegen zijn tegenstanders. Volgens haar is er “overtuigend bewijs” dat de Iraakse autoriteiten betrokken waren bij onder andere de moorden op een Duitse journaliste in Koerdisch Noord-Irak en op een Iraakse dissident in Libanon. (Reuter, AP, AFP)