Plutoniumvondsten dwingen tot intensievere grenscontroles

De recente vondsten van gesmokkeld plutonium bewijzen dat een controlesysteem dat vijftig jaar lang goed heeft gewerkt, gebreken is gaan vertonen. Inspecties bij de kernwapenstaten en controles aan de grenzen kunnen het geschonden vertrouwen herstellen, vindt R.J.S. Harry.

Volgend jaar april wordt in New York vergaderd over de verlenging van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV). Dit verdrag beoogt de verspreiding van kernwapens tegen te gaan. Aanvullende regels voor de beveiliging tegen diefstal en sabotage zijn apart overeengekomen. De recente vondsten van gesmokkeld plutonium - onontbeerlijk voor de aanmaak van kernwapens - geven aan die NPV besprekingen een extra lading. Vijftig jaar lang is er met plutonium zeer zorgvuldig omgegaan, maar nu is het toch op de zwarte markt gekomen. Waarschijnlijk zijn de transacties uitgelokt door undercover-agenten, een echte zwarte markt bestaat er nog niet voor plutonium. Maar hoe dan ook, de vondsten bewijzen wel dat er in de de nucleaire industrie mensen bereid zijn plutonium naar buiten te smokkelen. Aan nog strengere beveiligingsmaatregelen valt nu niet meer te ontkomen.

Plutonium is een bijprodukt van kerncentrales. Het ontstaat door de bestraling van uraan met neutronen. In Nederland ontstaan zo dagelijks in de reactoren van Dodewaard en Borssele enkele honderden grammen. Dit plutonium is echter niet zonder meer beschikbaar. Het zit ingesloten in keramische splijtstoftabletten. Die zitten opgeborgen in de splijtstofelementen, die weer opgesloten zitten in het reactorvat. Het plutonium kan alleen uit de bestraalde splijtstof afgescheiden worden in een speciale chemische fabriek, een opwerkingsfabriek. In Europa staan twee opwerkingsfabrieken, in La Hague (Frankrijk) en de nieuwe fabriek Thorp in Sellafield (Engeland). Het gezuiverde plutonium kan weer gebruikt worden in een kerncentrale, maar het kan ook als grondstof voor een kernwapen dienen.

In Duitsland is dit jaar al viermaal een gesmokkeld monster van kernwapenmateriaal door de autoriteiten onderschept. De eerste vondst op 10 mei in Tengen, kwam pas laat in het nieuws. Het was zes gram van kernwapenkwaliteit, en de vondst was op verschillende manieren opmerkelijk. Zo weinig materiaal kan alleen als een monster bedoeld zijn, maar voor normaal gebruik was het wel een erg groot monster. Ook de vermenging in ongeveer zestig gram kwik is enigszins bizar. Dit kwik geeft aanleiding tot verdere speculaties over het zogenaamde red mercury - een stof waaraan allerlei wonderlijke eigenschappen worden toegeschreven. Het is waarschijnlijk pseudo-wetenschappelijke flauwekul waarmee geprobeerd wordt veel geld te verdienen. De isotopen-samenstelling van het in Tengen gevonden plutonium (99,75 procen Pu-239) wees op een isotopen-verrijkingsproces, dat alleen in Rusland op plutonium werd toegepast. Voor een kernwapen wordt zo zuiver mogelijk plutonium van alleen de isotoop 239 verlangd. Voortgezet onderzoek aan de sporen van onzuiverheden in de monsters van het gesmokkelde plutonium, kunnen verder behulpzaam zijn om de herkomst te bepalen. Zoals archeologen aan de moderne verfijnde analyses van potscherven kunnen vaststellen uit welk gebied zij oorspronkelijk komen, zo kan ook de herkomst van splijtstof door nauwkeurige analyses worden vastgesteld.

Midden juli werd 0,8 gram tot 87 procent verrijkt uranium aangetroffen bij een handelaar. Met deze stof kan een eenvoudig kernwapen worden gemaakt. Een geavanceerde kernwapenstaat kan misschien al met minder dan 10 kg een bom maken. Anderen hebben zeker de dubbele hoeveelheid nodig.

Op 10 augustus werd in een Lufthansa vliegtuig dat van Moskou in München arriveerde, een monster bruin poeder aangetroffen, dat 350 gram plutonium bevatte. Het plutonium zelf was niet van 'kernwapenkwaliteit', het bevatte slechts 87 procent Pu-239. Het is waarschijnlijk plutoniumoxide, vermengd met uraanoxide. Dat mengsel kan in bepaalde types reactoren worden gebruikt. Voor een kernbom moet dit plutonium eerst van het uraan gescheiden worden. Maar dan is de gevonden hoeveelheid nog steeds tienmaal te klein voor een kernwapen.

Op 16 augustus werd in Bremen een monster van 0,05 mg plutonium onderschept. Het materiaal was waarschijnlijk van een oude brandmelder uit het Sovjet-tijdperk afgepulkt. Het betrof hier een operatie van twee verschillende geheime diensten en in de hieropvolgende discussies werd gesteld dat de geheime diensten door hun ijver zelf de Duitse plutonium-markt gecreëerd zouden hebben. Deze vier vondsten zijn niet allemaal even verontrustend, maar ze bewijzen wel dat er ergens iets mis is gegaan. Hoogstwaarschijnlijk is het plutonium afkomstig uit Russische nucleaire installaties, of uit de Russische kernwapenindustrie.

Het tegengaan van de verspreiding van kernwapens is altijd een belangrijk politiek doel geweest. Het NPV is in 1970 van kracht geworden. Het verdrag is nu door 164 staten getekend, dat is inclusief de vijf kernwapenstaten: de VS, de voormalige Sovjet-Unie, Frankrijk, Engeland en de Chinese Volksrepubliek. Belangrijk onderdeel van het verdrag zijn de inspecties van de International Atomic Energy Agency (IAEA). De IAEA ziet toe op het vreedzame karakter van alle civiele nucleaire activiteiten in de aangesloten landen. Er zijn bijvoorbeeld zeer ver gaande regels opgesteld voor de 'boekhouding' die de kerncentrales moeten kunnen overleggen van de hoeveelheden splijstof die ze naar opwerkingsinstallaties sturen. Voor de vijf kernwapenstaten zijn de inspecties beperkt tot enkele belangrijke installaties (zoals bijvoorbeeld de centrifugeverrijking van Urenco in Engeland).

Hun militaire activiteiten zijn helaas uitgezonderd van de inspecties en het is precies over de beveiliging van de militaire splijtstof dat nu gerede twijfel bestaat, vooral in de voormalige Sovjet-Unie. De EU en de VS hebben al anderhalf jaar geleden samen meer dan anderhalf miljard dollar beschikbaar gesteld voor de situatie daar, en ze hebben technische hulp aangeboden. Van de fondsen uit de VS is nu 58 miljoen dollar besteed. Navrant is dat daarvan slechts 1 miljoen in Rusland werd gespendeerd, de rest ging op aan Amerikaanse apparatuur, salarissen en reiskosten van de deskundigen.

Internationale inspecties in de kernwapenstaten kunnen helpen het geschonden vertrouwen te herstellen. Omdat de smokkel van radioactieve stoffen en van splijtstoffen blijft toenemen, moeten ingrijpende controlemaatregelen aan de grenzen genomen worden. Dat is moeilijker, duurder en minder effectief dan een sluitende controle bij het beperkte aantal installaties voor kernwapenmateriaal in de wereld, maar er zit niets anders op. De recente plutoniumvondsten bewijzen het.

Hierbij moet wel worden aangetekend dat het terroristische gevaar van plutonium voor de gezondheid vaak schromelijk wordt overdreven. Plutonium is zeer giftig, maar dreigen met het toevoegen van plutonium aan het drinkwater van een grote stad is nauwelijks geloofwaardig. Plutonium is slecht oplosbaar in water, en er zijn vele, veel giftiger stoffen bekend, die veel eenvoudiger te verkrijgen zijn. Het grootste gezondheidsrisico bestaat bij inademing van plutoniumstof. Maar de stofdeeltjes moeten wel ongeveer 1 microgram wegen om na inademing op den duur longkanker te kunnen veroorzaken.

Het grootste gevaar dat van plutonium uitgaat, blijft de mogelijkheid een kernwapen te produceren. De dreiging met een kernwapen is nu niet meer beperkt tot een individuele staat, een aantal staten zou kunnen samenwerken om een kernwapen te krijgen. Een organisatie van kwaadwillenden die in een of meer staten een veilige uitvalshaven hebben, kan proberen dit machtsmiddel te verwerven. Maar het maken van een kernwapen is niet eenvoudig. Pas met het bezit van ongeveer 10 kg plutonium of 25 kg sterk verrijkt uranium kan geloofwaardig met een kernwapen gedreigd worden. Maar omdat het bezit van slechts één kernwapen politiek en strategisch erg riskant is, zullen staten eerder zelf een produktiecapaciteit willen opbouwen. Een reden temeer om bij de komende besprekingen over de verlenging van het NPV extra aandacht te besteden aan het toezicht op de vreedzame toepassingen van kernenergie in niet-kernwapenstaten, aan de nucleaire activiteiten van kernwapenstaten en de beveiliging tegen diefstal en sabotage.