Muurplant in de Maasstad

Muurplanten in Rotterdam, Stadsecologische Reeks nr 1, uitgave Natuurmuseum Rotterdam 1994, ISBN 90-73424-08-9, 63 pagina's, ill. Prijs: ƒ 14, 50. Ook te bestellen door dit bedrag plus ƒ 5 porto over te maken op postgiro 511071 van Natuurmuseum Rotterdam o.v.v. Muurplanten.

De tentoonstelling is van 15 t.m. 29 september te zien in het Natuurmuseum, Westzeedijk 345, 3015 AA Rotterdam, tel. 010-4364222. Op donderdagavond 15 en 22 september om 20.00 uur worden hier lezingen gehouden over respectievelijk de Rotterdamse en de Amsterdamse stadsflora. Toegang ƒ 2,50.

Op de pijlers van de oude Maasbrug groeiden de beeldigste varens. Dat blijkt uit een inventarisatie van Remko Andeweg, botanicus bij Gemeentewerken Rotterdam. Voor het onderzoek waagden alpinisten zich op de Maasbrugpijlers om, kort voordat de brug gesloopt zou worden voor de bouw van een nieuwe spoortunnel, het nodige plantmateriaal te verzamelen.

Deze muurvarentjes zijn nu - gedroogd en daarmee voor zeker vijf eeuwen veilig gesteld - te zien op een kleine tentoonstelling, die vandaag in het Natuurmuseum in Rotterdam geopend wordt rond het thema 'Muurplanten in de stad'. De tentoonstelling, die twee weken duurt, biedt volgens de organisatoren een kans om Rotterdam op een ongebruikelijke manier te bekijken. Tegelijkertijd verschijnt een boekje over het onderzoek als eerste deeltje in de Stadsecologische reeks. Hiermee volgt de Maasstad het voorbeeld van Amsterdam waar de wilde planten en de onvervalste stadsnatuur al eerder werden beschreven.

In totaal inventariseerde de Rotterdamse stadsecoloog tussen 1991 en 1993 zo'n 65 kilometer oude kademuur, van de Aelbrechtskolk en de Maasbrugpijlers tot de oude bassins van het drinkwaterleidingbedrijf in Kralingen. Hij trof 16 verschillende soorten muurplanten aan, waaronder 14 varens naast gele helmbloem en muurleeuwebek. Vooral de vondst van de zwartsteel (Asplenium adiantum nigrum), een zeer zeldzame varensoort en broertje van uw kamerplant, mag bijzonder heten. Enkele exemplaren werden zelfs met groeiplaats en al uitgezaagd en overgebracht naar de botanische tuin aan het Afrikaanderplein.

Muurplanten verlenen die speciale charme aan Middeleeuwse, Anton Pieck-achtige stadjes. Pas de laatste jaren worden ze ook op minder voor de hand liggende groeiplaatsen opgemerkt zoals havenkades en brugpeilers, en van zulke lokaties moet een stad als Rotterdam het hebben.

Het leven van een muurplant valt niet mee. De verticale ondergrond is hard en moeilijk doorwortelbaar, er zijn meestal weinig voedingsstoffen beschikbaar en de temperaturen kunnen sterk wisselen. Een flink deel van de inheemse flora ziet wel kans om ooit, bij toeval op een muur beland, met een of enkele exemplaren op een muur te overleven. Maar het vormen van een evenwichtige levensgemeeschap is voorbehouden aan de echte, gespecialiseerde muurplant. Echte muurplanten zijn vaak van oorsprong rotsplanten, die in ons rotsloze land op de muur een alternatieve groeiplaats hebben gevonden. De helft van deze groep bestaat uit varens. Hiertoe behoort ook de muurvaren, een soort die zozeer aangepast is aan het leven op de muur dat hij ook in rotsachtige streken liever op muren groeit.

De voorkeur gaat uit naar oude, ongestoorde muren. Pas als de voegen beginnen te verweren en onder invloed van water en vorst poreus en korrelig zijn geworden, ontstaan grote en kleinere barsten. Daarin hopen zich kleine beetjes materiaal op, zoals neergedwarrelde zand- en kleideeltjes en verweringsprodukten van de muur zelf. Dan verschijnen de eerste levende organismen, bacteriën en algen, en onder hun invloed daalt de zuurgraad van het muurmilieu. Dat laatste is essentieel, want nieuw gebouwde muren zijn zò basisch (pH 12 tot 14) dat geen enkele plant daar kan kiemen. Geleidelijk ontstaat op de muur een humeus laagje, waarin de eerste korstmossen tot ontwikkeling komen. Hun kussentjes houden meer materiaal vast en zo ontstaat een voedingsbodempje waarin varens of bloemplanten kunnen gedijen. Deze pionierssoorten hebben een 'matigende' invloed op het extreme milieu, zodat op den duur ook kieskeuriger plantesoorten een kansje kunnen wagen.

De mooiste muurvegetaties zijn te vinden op muren van 100 tot 500 jaar oud. Jongere muren zijn vaak al wel begroeid, maar vertonen nog niet wat ecologen een 'uitgebalanceerde leefgemeenschap' noemen. Muren ouder dan 500 jaar raken vaak zozeer begroeid dat zich daarop ook tal van gewone plantesoorten, inclusief bomen, kunnen vestigen.

Ouderwetse, zachte handvormstenen raken makkelijker begroeid dan de harde industriële bakstenen. Daarnaast speelt vooral de gebruikte metselspecie een grote rol. De vroeger gebruikte zachte kalkmortel verweert veel sneller en beter dan de moderne Portlandcementmortel, die na 1870 in zwang kwam, aanvankelijk nog gemengd met kalk, maar later puur gebruikt. Toevoeging van gemalen hoogovenslak (hoogovencement) zorgt voor een mortel die zo hard is dat er niets meer op wil groeien.

Cruciaal is ook een goede vochtvoorziening van de muren. Alleen zeer oude, dikke muren, beschaduwd en beschut, houden het regenwater lang genoeg vast, Vooral groeiplaatsen op het zuidwesten zijn gunstig. Maar een gestaag lekkende regenpijp kan eveneens tot mooie effecten leiden. Ook kademuren zijn wegens de hoge luchtvochtigheid in trek en daaraan heeft Rotterdam geen gebrek.

Eikvarentjes langs de Wijnhaven, tongvarentjes langs de Delftsevaart en zelfs een gebogen driehoekvaren in de Leuvekolk. Voor de liefhebber valt er heel wat te genieten in Rotjeknor.