Mitterrand

ZIEK EN LICHAMELIJK ERNSTIG verzwakt heeft Francois Mitterrand zich tegen het einde van zijn presidentschap ingespannen om zijn politieke en persoonlijke banier hoog te houden. In twee vraaggesprekken binnen een week, een met Le Figaro en een met France-2, besprak de president Europa, zijn politiek, zijn verhouding tot de premier van de tegenpartij, zijn ernstige kwaal, het leven, de dood, maar vooral zijn eigen geschiedenis die ook de geschiedenis van Frankrijk is.

Wie was de jonge Mitterrand in de woelige jaren dertig van het rechtse activisme, van het aanzwellende antisemitisme en daartegenover het Volksfront? Hoe reageerde de uit Duitse krijgsgevangenschap gevluchte milicien op het collaborerende Vichy-regime, zijn jodenwetten en ten slotte zijn bereidheid mee te werken aan de massadeportaties van joden?

Die vragen worden opgeroepen en gedeeltelijk beantwoord in het boek Une jeunesse francaise van Pierre Péan, voor interviewers en geïnterviewde wellicht de belangrijkste aanleiding voor hun tweegesprekken. Mitterrand heeft destijds de auteur uitgenodigd om zijn eigen visie op de gebeurtenissen te kunnen geven. Daartoe heeft hij ook ruim de gelegenheid gekregen. Maar na de deining die het geschrift heeft veroorzaakt, heeft hij, omdat hij “lijdt” onder “de eerlijke ongerustheid van de mensen aan de basis die om mij geven” er nog een televisie-optreden aan toegevoegd.

Het verhaal van Mitterrands jeugd is niet nieuw en de politieke gevarieerdheid ervan was ruwweg bekend. Maar Péan heeft er compromitterende foto's en belastende details aan toegevoegd en Mitterrand in eerste instantie laten verklaren hoe hij er toch toe heeft kunnen komen om zijn warme vriendschapsbanden met nazi-collaborateurs als Vichy-politiechef René Bousquet, Jean-Paul Martin en Pierre Saury tot diep in de jaren tachtig, dus tot in het Elysée, voort te zetten, ja deze figuren zelfs toe te laten tot zijn directe politieke entourage.

MITTERRANDS VERWEER, want zo mag het worden genoemd, heeft iets van een voortdurende strijd tegen het noodlot dat steeds weer een politieke en morele val voor hem opstelde. Hij was geboren en opgegroeid in een traditioneel, katholiek en provinciaal milieu. Racisme en antisemitisme waren er onbekend, maar het was een milieu waaraan de jonge Mitterrand zich heeft moeten ontworstelen. De oorlog, de krijgsgevangenschap hadden hem de weg gewezen en die weg had uiteindelijk naar het verzet en het socialisme gevoerd. Niets heeft hij overigens zijn oude omgeving te verwijten, en hij had dat al lang geleden achter zich gelaten.

Teruggekeerd uit gevangenschap bleek hij de nieuwe situatie in Frankrijk niet onmiddellijk op haar juiste waarde te hebben geschat. De figuur van Pétain had hem tijdelijk in de ban gekregen, de Gaulle was hem aanvankelijk niet vertrouwd geweest, van de jodenwetten had hij pas later vernomen. De pétainisten die hij na de oorlog zijn vriendschap had gegeven, waren officieel gerehabiliteerd geweest. Dat later nieuwe ernstige feiten over hun optreden aan het licht kwamen, was iets waarmee hij had te leven. Een nieuwe vervolging van Bousquet zou hij als president zeker niet in de weg hebben gestaan, maar daarvan was het niet meer gekomen.

EDWY PLENEL, journalist van Le Monde, verwijt Mitterrand een 'trou de mémoire', een leemte in zijn herinnering. Pierre Péan noemt Mitterrands uitspraken over zijn vriendschap met Bousquet “uitdagend”. De president zelf meent dat zijn geweten volstrekt rein is. Sprekend over de afrekening met Vichy zegt Mitterrand het als zijn plicht te zien een einde te maken aan een permanente burgeroorlog onder de Fransen. Maar met het ophalen van Mitterrands persoonlijke geschiedenis en daarmee van Frankrijks oorlogsverleden is in de Franse samenleving een twistappel geworpen die nog verstrekkende gevolgen kan hebben. Het is dan ook een vraag of Mitterrand nu wel de aangewezen autoriteit is om de breuk te helen die volgens hem de Franse samenleving verdeeld houdt.

Frankrijk wordt door Péans boek en de reacties daarop opnieuw geconfronteerd met zijn verleden. In het voetspoor van zijn gaullistische voorgangers houdt Mitterrand vast aan het formalisme dat de republiek niets te verwijten valt. Vichy was niet de republiek, meent de president, en de republiek behoeft zich dus ook niet voor de daden van Vichy te verantwoorden of te verontschuldigen.

Maar Vichy en de republiek (de derde, de vierde en de vijfde) werden en worden bestuurd en bewoond door denkende en handelende individuen, toegerust met een persoonlijk en gemeenschappelijk verleden en met samenbindende en verdelende ervaringen.

In wezen blijkt Mitterrand zelf een symbool te zijn van de continuïteit van de geschiedenis en daarmee van de niet aflatende plicht verantwoording af te leggen voor wat geschied is, onder welk statuut dan ook. Er is immers geen moment dat Frankrijk niet heeft bestaan.