Leraren scheikunde, verenigt u

Proefwerken maken, nieuwtjes bijhouden, vakliteratuur zoeken: leraren scheikunde werken in hun eentje. Maar daarin brengt het interactieve computernetwerk ChemNet verandering.

Nu Nederland zich opmaakt massaal de elektronische snelweg op te draaien, dienen zich ook in het voortgezet onderwijs de eerste gebruikers aan. Vooraan in de rij staat ChemNet, dat vanaf volgende maand gaat proefdraaien met een interactief computernetwerk, in eerste instantie voor scheikundedocenten. Langs dit net kan de abonnee, thuis en op school, een nieuwtje binnenhalen, post versturen, chemicaliën bestellen, een proefwerk of prakticum downloaden, een mening ventileren of met een collega overleggen.

De meeste docenten op een middelbare school raken wat hun vak betreft ietwat vereenzaamd. Behalve met hun sectiegenoten - soms maar één - is de docent op zijn vakblad aangewezen, en een jaarlijkse kringvergadering. ChemNet haalt de scheikundedocent uit zijn isolement.

ChemNet is een idee van de vakwerkgroep chemmic, vijf jaar geleden opgericht met als doel het gebruik van de computer in het scheikunde-onderwijs te bevorderen. Er is een redactie benoemd die hard aan het werk is het computernetwerk rubrieksgewijs met pasklare informatie te vullen. Die moet de individuele docent helpen bij zijn dagelijkse arbeid. Uitgangspunt is daarom hem vooral niet te overvoeren. ChemNet-redacteur en scheikundeleraar Bert Klompmaker: “Wat heb je eraan iemand de Library of Congres binnen te leiden, die optiek van 'meer is beter' willen we juist vermijden. Zie ons maar als informatiemakelaars die de docent een bijgewerkt archief aanbieden. Op internet verdwalen we toch allemaal?”

Zolderkamertje

De technische ondersteuning bij het opzetten van ChemNet komt van PDC, het Parlementair Documentatie Centrum. Dit 'derde geldstroominstituut' van de Rijksuniversiteit Leiden heeft ruime ervaring in het opzetten en onderhouden van informatiesystemen. De filosofie van PDC is dat de gebruiker de informatie vooral overzichtelijk moet krijgen opgediend, in plaats van dat hij moet zoeken zonder te weten wat er zoal is. Dit Standaard Informatie Model (Sim) wordt onder andere toegepast bij het op de hoogte houden van de leden van de Eerste Kamer.

Het 'opdienen' vindt plaats zodra de docent met behulp van een modem contact zoekt met ChemNet. PDC-projectadviseur Hans Nielen: “De centrale ChemNetcomputer vergelijkt de actuele versie van het standaardpakket met die in de computer bij de docent en stuurt het verschil door. Tegelijk worden over en weer boodschappen en bestellingen uitgewisseld, bijvoorbeeld een eerder besteld artikel uit het Chemisch Weekblad of een vraag die je aan een collega van een nascholingscursus wilt stellen. Die krijgt die vraag te zien zodra hij weer met ChemNet belt.”

Het systeem vereist dus een regelmatig contact met het netwerk. Daar staat tegenover dat je niet on line hoeft te werken met bijbehorende hoge telefoonrekeningen. Binnen een paar tikken ben je helemaal bij en kun je aan de slag: nieuwtjes nalopen, post afhandelen, een mening op het net gooien, enzovoort. Klompmaker: “ChemNet is er voor en door de docenten. Die moeten ook zelf met tips komen, hun ervaringen via het net met anderen delen. De truc is om niet langer in een eenzaam kabinet of zolderkamertje zelf het wiel te moeten uitvinden, maar om juist van elkaars kennis te profiteren. Die sociale functie is zeer wezenlijk.”

Voorlopig bestaat de redactie van ChemNet uit drie docenten die daartoe elk voor twee dagen per week van hun gewone werkzaamheden zijn vrijgesteld. Die tijd hebben ze hard nodig. In overleg met het PDC moeten ze de standaardrubrieken vullen en bijhouden, een on line helpdesk verzorgen, deskundigen in het hoger onderwijs zoeken die 'professor post' willen spelen en met uitgevers en fabrikanten onderhandelen. De 'standaard' die ze zo neerzetten kan dan later als vertrekpunt dienen voor een NatNet, BioNet of TechNet.

De overzichtelijkheid en helderheid van het ChemNetmateriaal worden streng bewaakt. Nielen: “De redactie zal ter wille van de toegankelijkheid elektronisch moeten redigeren. Daarbij is ons uitgangspunt een hyperpadachtige, driedimensionale menustructuur met toelichtingen achter de eigenlijke tektst - wat is bitumen, wie was Lavoisier - die apart kunnen worden opgeroepen. Foto's en diagrammen zijn geen probleem, wel geluid en bewegende beelden. Dat vergt bij de docent met een doorsneecomputer - op wie ChemNet zich nadrukkelijk richt - teveel geheugen.”

Vervuiling

Een belangrijk doel van ChemnNet is het entameren van discussies. Daarvoor dienen de elektronische 'forums' waar iedereen, gevraagd en ongevraagd, zijn mening kwijt kan, of het nu over tweede-fase-profielen, de zwaarte van het eindexamen of de kinderziekten van een nieuwe lesmethode gaat. Klompmaker: “Nu roept het ministerie van bovenaf een of andere commissie in het leven die dan een kant en klaar voorstel in het veld dropt. Bij ChemNet kunnen de docenten van begin af aan meepraten. Alleen moet de redactie waken voor vervuiling door de forums te onderhouden en zo af en toe met samenvattingen te komen. Op babbelboxen zit niemand te wachten.”

Overigens creëert iedere docent op den duur vanzelf zijn eigen ChemNet. Hij beslist welke forums er in zijn standaardpakket mogen blijven, en of hij ongevraagde post van een uitgever wel wenst te ontvangen. Klompmaker: “Natuurlijk heeft de redactie een zekere machtspositie. Maar als je het vertrouwen dat de abonnee in je heeft gesteld niet waarmaakt, ben je hem kwijt. Wat dat betreft kun je ons vergelijken met een krant, met dit verschil dat ingezonden brieven ongecoupeerd en zonder vertraging worden geplaatst.”

De organisatie van ChemNet draait inmiddels twee jaar. Men heeft onderdak bij de KNCV, de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging in Den Haag. Inmiddels is een omvangrijke haalbaarheidsstudie uitgevoerd met als uitkomst een hoopgevende belangstelling vanuit het veld. De aanloopkosten van het project worden opgebracht door een tiental bedrijven en het ministerie van onderwijs. De steun vanuit het bedrijfsleven is ingegeven door het slechte imago van de chemie en het geringe aantal leerlingen dat scheikunde in het vakkenpakket kiest.

Maar vanaf 1996 zal ChemNet financieel op eigen benen moeten staan. Nielen: “Dat is ook wel zo gezond. Je afhankelijk weten van subsidies is een bom onder ieder project. Je geen zorgen hoeven maken om de prijs/kwaliteit verhouding breekt je op zodra de subsidie bij een andere politieke wind opeens wegvalt.”

Inkomsten komen allereerst van de deelnemende docenten. Die betalen eenmalig ƒ 75,- voor het ChemNet softwarepakket en per jaar ƒ 300,- voor een abonnement. Daarvoor kan men zowel thuis als op school onder hetzelfde postbusnummer werken. Elke volgende abonnee uit een vakgroep betaalt de helft. Bij iedereen loopt permanent een tellertje. Klompmaker: “In het abonnementsgeld zit ƒ 50,- aan krediet. Dat wordt aangesproken zodra je meer wil dan de 'appetizers' en het standaardpakket. Een lesbrief of een tijdschriftartikel of toegang tot een databank kost in de regel extra. Rood staan mag, maar met mate.” Voor niet-abonnees is er een on-line variant, bereikbaar via VideotexNet.

Uitgevers en leveranciers moeten betalen om op ChemNet te mogen. Die hebben dat er graag voor over. Voor een uitgever biedt een netwerk aantrekkelijke mogelijkheden tot produktdifferentiatie en een handelsonderneming in chemische apparatuur kan potentiële klanten snel en efficiënt bedienen. Op het moment wordt er links en rechts druk onderhandeld. Omdat ChemNet vooroploopt, is het voor de redactie niet altijd eenvoudig tegenover uitgeversgiganten commercieel staande te blijven. Klompmaker: “Het is behoorlijk ambitieus wat we willen. Gelukkig worden we op onze missies vergezeld door PDC en PTT-Telecom.”