HET RODE KRUIS

Leo van Bergen. De zwaargewonden eerst? Het Nederlandsche Roode Kruis en het vraagstuk van oorlog en vrede 1867-1945. Rotterdam, Erasmus Publishing, 544 blz., ƒ 79,50

Promotie Erasmus Universiteit Rotterdam, 14 september. Promotor prof.dr. J.M.W. Binneveld.

Wat maakt Artsen zonder Grenzen, Greenpeace en Amnesty International tot moderne organisaties? Drie dingen: geen leden, maar girale donateurs; een kleine, platte organisatie, gericht op concrete en snelle actie; en een groot gevoel voor publiciteit, waardoor de organisatie in actie zichtbaar wordt en identificatie met de actievoerders mogelijk wordt.

Deze vorm van inzet voor een goed doel past bij een samenleving, die individualistisch, egalitair en massacommunicatief van karakter is geworden. De ambitie om langzaam in de hiërarchie van een partij of vakbond naar boven te klimmen en de bereidheid om in het gelid van een sport- of zangvereniging te staan wordt nog ieder jaar kleiner en een uniform wil al bijna helemaal niemand meer aan.

Verenigingen met leden en een bestuur bestaan uiteraard nog steeds - en sommige zoals de ANWB of de omroepen zijn zelfs erg groot - maar in de meeste gevallen zijn de leden niet meer dan vaste klanten of enigszins geprivilegeerde gebruikers van diensten. Het lidmaatschap levert wat op. Zodra dat niet meer het geval is, wordt het lidmaatschap opgezegd, zoals de NVSH heeft gemerkt toen rond 1970 anticonceptie vrij verkrijgbaar werd. Binnen enkele jaren waren er van de eerst meer dan 200.000 leden geen 20.000 meer over.

Het Nederlandse Rode Kruis is een traditionele organisatie met moderne trekken. Het kent leden (meer dan een miljoen), die in feite donateurs zijn en daarnaast ook donateurs, die alleen voor bijzondere acties geld geven. Er zijn vrijwilligers om het echte werk te doen (zo'n 20.000), maar er zijn ook professionele krachten en er is een groot en zeer ingewikkeld bestuursapparaat, dat ten dele los staat van de leden en de vrijwilligers.

De organisatie heeft een fantastische naamsbekendheid, maar er hoort geen gezicht bij. Persoonlijke identificatiemogelijkheden zijn er niet en het beeld van de organisatie is daarmee in overeenstemming: een beetje stoffig, een beetje deftig, een beetje rijk, maar nog altijd goed dat ze er is met haar dekens, tenten en eerste hulp bij ongelukken en rampen.

Voor het meer dan honderd jaren oude Rode Kruis is het moeilijk de organisatorische tijdgeest, die in Artsen zonder Grenzen zo vanzelfsprekend tot uitdrukking komt, te volgen. Waarom lang gekoesterde tradities en een geliefde identiteit opofferen voor een onzekere toekomst van iets wat dan eigenlijk geen Rode Kruis meer genoemd kan worden? Zoiets doe je alleen als de traditie zelf zijn kracht en vooral zijn aantrekkingskracht lijkt te verliezen en die vrees is er bij het Rode Kruis minstens net zo als bij andere organisaties, die hun vorm in een andere tijd en onder andere omstandigheden hebben gekregen.

Toch vraag ik me, na het boek van Leo van Bergen over de eerste 75 jaar van het Rode Kruis gelezen te hebben, wel af of dit type maatschappelijke organisaties ooit kan ontsnappen aan de keuzes die er ten tijde van hun oprichting zijn gemaakt. De enige troost die daaraan ontleend kan worden, is dat ooit wat nu modern is - Greenpeace, Artsen zonder Grenzen, Amnesty - ook weer definitief gedateerd zal blijken te kunnen worden als typisch voor deze tijd. Het feit dat wij ons nog geen voorstelling kunnen maken van de kenmerken van een volgende generatie maatschappelijke organisaties - dat wij ons dus niets 'moderners' kunnen voorstellen - is daar zelfs het beste bewijs voor. Hoewel ik in dit historische proefschrift veel herkende van wat de geschiedenis tot het eigen karakter van het Rode Kruis heeft gemaakt, gaat het boek vooral over een kant van het Rode Kruis die ik niet kende en waar het Rode Kruis van nu ook niet erg gelukkig meer mee zal zijn. Het probleem wordt op de omslag al zichtbaar.

We zien het 'hoofdcomité' (bestuur) van het Rode Kruis in 1917 bijeen: twee rijen zwaar besnorde heren met de rode kruis-band om de bovenarm. Twaalf van de achttien dragen een militair uniform, in het midden zit Prins Hendrik, de voorzitter, met de sabel tussen de in glimmende rijlaarzen gestoken benen. Het Nederlandse Kruis was er niet om zieken en gehandicapten een vakantie te bezorgen, ouden van dagen naar de kerk te rijden, eerste hulp bij ongelukken te leren geven of bloedbanken draaiende te houden, maar tot 'het verleenen van hulp aan zieke en gewonde krijgslieden in tijd van oorlog'. Zo stond het geformuleerd in het eerste artikel van het Koninklijk Besluit uit 1867 en zo luidde aanvankelijk ook de naam van de vereniging die in 1894 de naam van het Nederlandsche Roode Kruis zou aannemen.

Willem III had zelf het initiatief genomen tot het oprichten van de vereniging met het oog op de 'belangen van vloot en leger' en de nauwe band met het koninklijk huis is sindsdien gebleven. Het voorzitterschap van het Rode Kruis was zowat de enige echte functie, die Prins Hendrik heeft mogen bekleden, en ook nu nog is Prinses Juliana beschermvrouwe en zit Prinses Margriet in het bestuur.

Het bestuur van het Rode Kruis heeft van het begin af een hoog dubbele-namengehalte gehad en bestond bovendien lang hoofdzakelijk uit hoge militairen. Voor een Nederlandse vereniging is dat uitzonderlijk, maar het paste wel in de ontwikkeling die het Rode Kruis ook in veel andere landen doormaakte. Henry Dunant ging het nog vooral om een onbaatzuchtige en uit humanitaire motieven gegeven hulp aan de slachtoffers van het slagveld, maar zijn initiatief werd al snel overgenomen of minstens ondersteund door vaak openlijk oorlogszuchtige regeringen, die belang hadden bij een goede en liefst goedkope zorg op en bij het slagveld. Het beeld van de oorlog was in de negentiende eeuw gaan veranderen. De motieven werden in toenemende mate nationalistisch, het wapentuig werd perfecter en dus dodelijker, de soldaten steeds meer recruten uit de burgerbevolking. Er vielen meer slachtoffers, en dat was schadelijk voor de gevechtskracht van het leger; de slachtoffers waren steeds meer gewone tot soldaat gemaakte burgers, wier familie eisen ging stellen aan de geneeskundige verzorging, die door de voortgang van de medische wetenschap ook zelf snel beter werd. De tijd was rijp voor een belangrijke civiele uitbreiding van de Geneeskundige Militaire Dienst, die nooit de omvang kon hebben die nodig was in tijden van oorlog (in de Eerste Wereldoorlog waren er alleen al aan Duitse zijde meer dan 200.000 helpers van het Rode Kruis werkzaam) en naar zijn aard minder geschikt was voor de zorg voor zwaargewonde of herstellende soldaten. Zelfs in het Rode Kruis zelf schreed de militarisering zo ver voort, dat de vraag 'zwaargewonden eerst?' niet meer met een vanzelfsprekend ja werd beantwoord.

Humanitaire motieven werden binnen het Rode Kruis overschaduwd door militaire en nationalistische motieven. De verbinding met en de onderschikking aan de Geneeskundige Militaire Dienst werd uitdrukkelijk gezocht, het Rode Kruis had zijn eigen uniformen en de wenselijkheid van een dienstplicht bij het Rode Kruis voor bijvoorbeeld vrouwen werd door het hoofdcomité op veel momenten gevoeld. Nationalistische gevoelens lijken slecht te passen bij een zo neutrale organisatie als het Rode Kruis, maar Van Bergen laat onthutsend duidelijk zien met hoeveel maten tegelijk hier wel werd gemeten. Het idee van de onschendbaarheid en de neutraliteit van Rode Kruishelpers was door de Nederlandse arts dr. J. Basting aan Dunant gedaan en het is nog altijd een heilig principe.

Toch hield dat destijds in de praktijk vaak niet meer in dan dat men zich niet met het krijgsbedrijf zelf bemoeide en het Rode Kruis-teken niet misbruikte voor bijvoorbeeld het vervoer van wapens. De nationale Rode Kruis-organisaties waren echter wel in eerste instantie bedoeld voor de zorg voor de eigen mensen en een verkeerd begrepen neutraliteit kon er in de Tweede Wereldoorlog toe leiden dat het Nederlandse Rode Kruis met instemming van de bezetter wel meewerkte aan het verlenen van medische hulp aan het Oostfront, maar op geen enkele wijze zonder dezelfde instemming bereid was hulp te verlenen aan de mensen in de kampen. Die instemming bleef uit en dus stelde men zich neutraal op en deed niets. Van Bergen is uiterst scherp in zijn oordeel over de slappe opstelling van het Nederlandse Rode Kruis in de oorlog, zelf had ik meer het gevoel dat het gewoon weer een voorbeeld is van die al zo vaak beschreven mengeling van incompetentie, naïveteit, angst, meeloperij en collaboratie, die natuurlijk veel meer de regel was dan de individuele moed en het brede verzet die het beeld van Nederland in de Tweede Wereldoorlog zijn gaan bepalen. Het was november 1944 toen het Nederlandse Rode Kruis ondergronds ging. Het Rode Kruis was bedoeld voor hulp aan 'den zieken en gewonden krijgsman', om Willem III nog maar eens aan te halen, maar Nederland heeft die in eigen land tussen 1867 en 1945 nauwelijks gehad: de oorlog duurde voor het Nederlandse leger welgeteld vijf dagen. Dit geluk is voor het Rode Kruis 75 jaar een probleem geweest, want het is moeilijk steeds maar vrijwilligers voor te bereiden voor een situatie die niet intreedt. Ook toen al stond het Nederlandse Rode Kruis klaar achter de slagvelden elders in de wereld, maar het was weer Basting die er al heel vroeg en vergeefs op aandrong het werk van het Rode Kruis uit te breiden tot de zorg voor alle zieken en hulpbehoevenden, tot echt vredeswerk dus en niet alleen maar tot oorlogswerk in vredestijd. Na de Tweede Wereldoorlog is dat steeds meer de hoofdtaak van het Rode Kruis geworden en de basis voor de continuïteit in het vrijwilligersbestand. Omdat oorlogshandelingen zich bovendien sinds de Frans-Duitse oorlog van 1870 welbewust tegen burgers keren, is bovendien het verschil tussen militaire en burgerslachtoffers vervaagd. Wat gebleven is, is de uitermate grote voorzichtigheid van het Rode Kruis in de omgang met ook de gruwelijkste regimes.

Leo van Bergen heeft een zeer goed gedocumenteerd en levendig geschreven proefschrift afgeleverd over de dilemma's en paradoxen waar het Nederlandse Rode Kruis in de eerste driekwart eeuw van zijn bestaan me heeft geworsteld. Gaandeweg het boek verandert hij van een neutrale waarnemer in een steeds kritischer en uiteindelijk ook boze beoordelaar. Hij ergert zich aan de zelfingenomen houding van het bestuur, het kennelijke onvermogen om fouten te erkennen en de eeuwige pogingen om een feitelijk nietsdoen om te zetten in claims op terreinen die al door anderen bezet zijn.

Het zal wel zo zijn, maar het lijkt me minder typisch voor het geüniformeerde bestuur van het Rode Kruis dan voor veel van de in dezelfde tijd ontstane bewegingen en organisaties. Marxisten en socialisten, maar ook psychoanalytici en de katholieke kerk, ze hebben allemaal aan het eind van de negentiende eeuw hooghartige en hiërarchische organisaties opgebouwd, die slecht van ervaringen leren.