Het modebeeld van winter '94/'95; Warm, warm, warm

Wat is er deze winter anders aan het beeld van de mode dat de bladen ons voorschotelen? Wat ligt er in de winkels dat er verleden jaar niet lag? Kortom, wat moeten we eigenlijk aan? Lagen en lagen over elkaar heen, en dikke, dikke truien. Het wordt winter en dat zullen we weten ook.

Probeer bij voorbeeld eens een kort blauw rokje te kopen, zo'n rokje dat je zo voor je ziet. Dat lukt niet. Blauw is maar nauwelijks een kleur deze winter en al helemaal niet voor een recht rokje. De winkels zijn daar streng in: een lange rok kan eventueel nog, in blauw, maar een korte niet. Zwart hebben ze en antraciet, vooral heel ontzettend veel antraciet, daar kun je werkelijk àlles in krijgen: jasjes, broeken, lange rokken, korte, vesten, truien, hoedjes, petten - antraciet is een kleur waar men niet langer zonder kan. Nu is er niets tegen antraciet. Maar wie een winkel binnen gaat, krijgt al snel de indruk dat dit de winter van het veelvuldige begrafenisbezoek wordt, zo antraciet is het allemaal, alleen afgewisseld met royaal donkerbruin, ecokleur - dat is de kleur van brintapap, of ongebleekt wc-papier - donkergroen en terug na lange afwezigheid: aubergine. Een toefje oranje of steenrood kan soms voor een kortstondige verademing zorgen.

Waarschijnlijk wordt het zelfs een enorm koude winter. Je zou denken dat de mode industrie over bepaalde inlichtingen omtrent het aanstaande weer beschikt. Iemand moet deze branche hebben verteld dat het ijzingwekkend gaat vriezen en dat vermoedelijk ook het aardgas voor het einde van het jaar op zal raken. Anders valt niet te verklaren hoe men zó veel truien aan de vrouw denkt te brengen. En zulke dikke. Voor sommige truien moet je een aparte kast aanschaffen want die passen helemaal niet tussen twee gewone planken. Je kunt net zo goed proberen om een shetlandschaap op te vouwen.

Veel van de aangeboden truien zijn mooi, daar niet van. Ze hebben vaak een col en niet van die nare strakke maar een beetje ruimzittende, ze zijn gebreid van heel zachte wol, nog zachter en lekkerder gemaakt met zijde of angora, ze hebben een ribbel in de lengte en ze vallen soepel. Het idee mouwinzet is bij de nieuwste wintertrui losgelaten - ook de niet al te handige zelfbreister kan er dus eentje maken. Gewoon vier rechte lappen aan elkaar naaien, boorden zijn niet nodig, de trui-van-nu loopt recht naar beneden tot even over de bil en houdt daar gewoon op. Makkelijker kan het niet.

Over de trui dragen we een met teddybont gevoerde bodywarmer, daar overheen een colbertje, daar weer overheen twee grote wollen dassen, erboven komt een stoffen hoedje, een alpino of een grote pet, aan de handen gebreide handschoenen, eventueel met erover heen een tweede paar maar zonder vingers. Nu niet te vroeg gepuft want zo zijn we er nog niet: de benen steken in vuistdikke maillots, over de voeten komt een extra paar sokken die omgeslagen worden boven de rand van een rijglaars met een hakje. Nog een rok vergeten. Die hoeft niet perse dik te zijn; tussen al dit wollen vertoon kan ineens een heel dunne rok van kreukelkatoen of zij hangen. Maar een lange omslagrok mag ook, of een strakke lange rok met een hoge split, of een superkort (omslag) rokje. Wie nu nog kan bewegen is een knapperd. Het beste is om ergens in de natuur peinzend voor zich uit te gaan zitten kijken, zonder zonnebril want die mag deze winter thuis blijven. Sophisticated is uit, natuur is in. En kou. Weg met Italië, leve IJsland.

Wat te doen als men niet in een koelcel werkt, jachtopziener is of altijd de winter doorbrengt op een Schots landhuis. Daar is aan gedacht. De vrouw die naar kantoor gaat, vermomt zich als man, in driedelig grijs. Elegante getailleerde colbertjes staan haar ter beschikking boven strakke nauwe-pijpen-broeken, eindeloos veel gilets, en witte overhemdbloeses. Hakken mogen, nee moeten, voor wie van de rijglaars afziet. Zeven centimeter is het minste zegt de Franse Marie Claire en de schoenenwinkels lijken dat wel zo'n beetje met haar eens. Dat wil zeggen voor de helft, want de schoenen hebben zich in twee partijen verdeeld. Er zijn de Robuusten, met ronde neuzen, dikke zolen en zware hakken, schoenen waarmee je alles vermorzelt en trotseert dat zich ongewenst op het trottoir bevindt, en er zijn de Verfijnden, lang en smal en aansluitend om de enkels, voor mensen met een auto.Het lijkt dit jaar dus, vooral voor de wat kouwelijk uitgevallen mens, nogal te doen. Geen radicale veranderingen, een heleboel van wat in de kast hangt kan nog best even mee. Toch, zou het nu werkelijk waar zijn dat het aanbod elk jaar dictatorialer wordt? Er is geen ontkomen meer aan zo langzamerhand. Wie een jurk wil heeft pech, aan jurken doen we niet deze winter. Wie rode schoenen wil, een roze vestje, een blauwe rok tot op de knie, die moet al ergens een speciaalzaak weten, want zichzelf respecterende modezaken hebben dat allemaal niet. Dat is nogal moedeloos makend. Zoiets als smaak is volmaakt overbodig geworden, want men kan er niets mee beginnen. De smaak moet aangepast aan het aanbod en moet zich dus beperken tot wol of acryl, tot zeer korte of zeer lange rok, tot bruin of brinta. Niets of niemand wil meer uit de toon vallen, eigenwijs zijn, of gewoon zichzelf blijven. Of men wil wel zichzelf blijven maar ziet zich ingehaald door een massale mode. Iederéén zal deze winter een leren jack met imitatie bontkraag blijken te dragen. Misschien is dat het probleem - dat de mode te smaakvol is. Er is niets tegen. Dat blauwe rokje zal wel geruisloos uitdraaien op iets in aubergine.