Geeuwhonger naar investeringen werd Crédit Lyonnais bijna fataal

Al sinds begin jaren tachtig was het de bedoeling dat Crédit Lyonnais de grootste bank van Europa, of zelfs van de hele wereld, zou worden. Onder leiding van topman Jean-Yves Haberer werd de daarop gerichte strategie zonder enige terughoudendheid gevolgd. Crédit Lyonnais werd de bank met “de kracht om ja te zeggen”. De “ware geeuwhonger naar investeringen en deelnemingen” leidde echter tot tal van riskante financiële avonturen die de bank miljardenverliezen opleverden. De interne controle van de bank was volgens een enquêtecommissie van het Franse parlement volstrekt onvoldoende, waardoor filialen van Crédit Lyonnais geheel hun eigen desastreuze gang konden gaan.

De Franse minister van economische zaken, Edmond Alphandéry, kreeg vorig jaar augustus onweerlegbare gegevens over miljardenverliezen bij Crédit Lyonnais, de grootste bank van Frankrijk. Hij concludeerde dat de voor deze verliezen verantwoordelijke president van Crédit Lyonnais, Jean-Yves Haberer, het veld moest ruimen. De aandelen Crédit Lyonnais zijn vrijwel allemaal direct of indirect in handen van de Franse staat, maar Alphandéry begreep dat het toch niet eenvoudig zou zijn om Haberer te verwijderen. Zelfs de volledige steun van premier Edouard Balladur zou niet voldoende zijn om de topbankier weg te krijgen.

Alphandéry voorzag dat de socialistische president François Mitterrand nooit zijn vereiste goedkeuring zou geven aan het ontslag van bankier Haberer door de rechtse regering Balladur. Haberer had jarenlang met Crédit Lyonnais een strategie gevolgd die overeenstemde met de wensen van Pierre Bérégovoy, die tot de socialistische verkiezingsnederlaag van vorig voorjaar premier was, daarvoor herhaaldelijk minister van economie en financiën en in 1981 Mitterrands eerste secretaris-generaal in het Elysée.

Minister Alphandéry bedacht een list: hij verwijderde Haberer bij Crédit Lyonnais door hem te benoemen tot topman van een andere financiële staatsinstelling, Crédit National. Haberer legde zich met tegenzin neer bij deze degradatie en de minister stelde tevreden vast dat deze overplaatsing tot minder opschudding in de financiële wereld leidde dan een ontslag gedaan zou hebben.

Afgelopen voorjaar kwamen de definitieve cijfers van Crédit Lyonnais over 1993: een verlies van 6,9 miljard franc. De financiële toestand van de bank was zo slecht dat de Franse regering gedwongen was bij te springen met een kapitaalinjectie van 4,9 miljard franc (bijna 1,6 miljard gulden). Toen rees bij minister Alphandéry de vraag of de hiervoor verantwoordelijke bankier, Haberer, nog te handhaven was aan de top van die andere belangrijke financiële instelling Crédit National. Alphandéry vond dat Haberer nu weg moest, premier Balladur was het met hem eens en de zaak werd aan president Mitterrand voorgelegd. Die ging akkoord met het ontslag van Haberer onder de voorwaarde dat een commissie zou worden benoemd die het gevolgde beleid van de topbankier zou onderzoeken. Alle betrokkenen begrepen dat Mitterrand, door Haberer “de grote wijze van de natie” genoemd, een commissie van wijze mannen wilde die de voormalige bankier van Crédit Lyonnais eerherstel zou verlenen.

Het liep anders. Het parlement, de Assemblée Nationale besloot dat er een parlementaire enquête moest komen naar de oorzaken van de verliezen bij Crédit Lyonnais. Al na enkele maanden kwam de commissie in juli met een rapport dat allesbehalve een eerherstel bleek te zijn voor Haberer, die volgens getuigeverklaringen van 1988 tot 1993 als een monarch Crédit Lyonnais leidde. De enige troost die de bankier kan putten uit het rapport (inclusief verslagen van verhoren van getuigen 969 pagina's dik) is dat iedereen die de afgelopen dertien jaar ook maar iets met Crédit Lyonnais te maken heeft gehad forse kritiek krijgt.

Al sinds begin jaren tachtig was het de bedoeling dat Crédit Lyonnais de grootste bank van Europa, of zelfs van de hele wereld, zou worden. Onder leiding van Haberer werd de op dat doel gerichte strategie zonder enige terughoudendheid gevolgd. Crédit Lyonnais werd de bank met “de kracht om ja te zeggen”. Het leidde tot onderschatting van onroerend-goedrisico's, tot enorme investeringen in industrieën die slechts verlies brachten, tot kostbare overnemingen van buitenlandse banken (begonnen in 1981 met Slavenburg's Bank in Rotterdam) en tot de verliesgevende klandizie van financiële avonturiers als Bernard Tapie (die het korte tijd tot socialistisch minister bracht), Robert Maxwell, de Britse socialistische mediamagnaat die vlak voordat zijn imperium instortte zelfmoord pleegde en het Italiaanse duo Giancarlo Paretti en Florio Fiorini, dat miljarden leende van Credit Lyonnais Bank Nederland.

De interne controle van de bank was volgens de parlementaire enquêtecommissie volstrekt onvoldoende, waardoor filialen van Crédit Lyonnais geheel hun eigen desastreuze gang konden gaan. Het toezicht van de Franse staat als aandeelhouder ontbrak vrijwel geheel en het toezicht van de Franse bankcommissie had ook veel gebreken. Bovendien was er bij de leiding van Crédit Lyonnais veel “incompetentie” en “zorgeloosheid”. In zijn inleiding bij het rapport van de commissie schrijft voorzitter Philippe Séguin (de voorzitter van de Assemblée Nationale) dat dikwijls de bevestiging is waargenomen van de niet geschreven regel dat hoe hoger bedragen zijn waarover beslist moet worden, hoe “minder ernst en objectiviteit de overhand hebben bij het proces van besluitvorming”. De enquêtecommissie sluit nadrukkelijk niet uit dat er binnen Crédit Lyonnais sprake is geweest van corruptie, maar vindt een onderzoek hiernaar geen zaak voor parlementariërs, maar voor justitie.

De voorbeelden van rampzalige financieringen door Crédit Lyonnais zijn legio. Dochter Altus Finance, die volgens bankier Haberer mocht doen wat “Crédit Lyonnais niet wilde, niet wist of niet kon doen”, grossierde in verliesgevende operaties. Zo leverde een deelneming in de Banque Financière Parisienne zonder voorafgaand accountantsonderzoek een verlies op van een miljard franc. De riskante financieringen van een andere dochter, de Société de Banque Occidentale, de belangrijkste financier van Bernard Tapie, leidden waarschijnlijk tot een totaal verlies van 2,7 miljard franc.

Een voorbeeld dat de wijze van besluitvorming binnen Crédit Lyonnais typeert betreft de Canadese klant Olympia and York. De Canadese onderneming vraagt in juli 1990 of de Franse bank voor 50 miljoen pond wil deelnemen in het Londense onroerend-goedproject Canary Wharf. Een eerste studie, uitgevoerd in opdracht van de Centrale directie internationale zaken van Crédit Lyonnais, is zeer kritisch over het project. Er volgt een gesprek tussen Crédit Lyonnais en de leiding van Olympia and York. Daarna doet de afdeling onroerend goed van Crédit Lyonnais een nieuw onderzoek en concludeert ook dat het Londense project grote risico's met zich meebrengt. Desondanks gaat de Centrale directie internationale zaken een week later akkoord met de deelneming in Canary Wharf en levert daarmee een bijdrage tot de financiële problemen van Crédit Lyonnais zelf.

In het rapport van de enquêtecommissie volgt de ene desastreuze transactie op de andere. Haberer besloot in 1990 dat Crédit Lyonnais voor 40 miljoen dollar moest deelnemen in International Bankers S.A. (IBSA), een in Luxemburg gevestigde financiële instelling onder leiding van een voormalige president van Crédit Lyonnais, Jean-Maxime Lévêque. Eén van de grotere aandeelhouders van IBSA was de omstreden Libanese financier Samir Traboulsi, een nauwe relatie van de Franse minister van economie en financiën Pierre Bérégovoy. Omdat Crédit Lyonnais de belangrijkste aandeelhouder van IBSA was geworden, eindigde de Franse bank als gevolg van een “strategische vergissing” met verplichtingen voor 4,8 miljard franc, waarvan een derde “groot risico” vormde.

De Franse staat is als aandeelhouder van Crédit Lyonnais nauw bij het verliesgevende beleid betrokken. Officieel kan de bank een beleid voeren dat geheel onafhankelijk is van de Franse regering. Maar de parlementaire enquêtecommissie heeft de indruk gekregen dat dit onafhankelijkheidsprincipe vooral dient voor extern gebruik, met name tegenover de internationale financiële wereld en tegenover de Franse politiek.

Bankier Haberer heeft de commissie uitgelegd dat hij er in de praktijk niet over zou denken een strategie voor Crédit Lyonnais te veranderen zonder dat hij overleg voerde met de minister van economie en financiën. Die functie werd in de meeste jaren die door de enquêtecommissie zijn onderzocht bekleed door Pierre Bérégovoy, de man die op 1 mei 1993 zelfmoord pleegde, kort nadat hij was afgetreden als socialistisch premier omdat zijn partij bij de parlementsverkiezingen een grote nederlaag had geleden. Voor de benoeming van een president van Crédit Lyonnais zijn de handtekeningen nodig van de Franse premier, van de minister van economische zaken en financiën en van de president van de republiek.

De grote strategie van Crédit Lyonnais, in het rapport van de enquêtecommissie gekenschetst als “een ware geeuwhonger naar investeringen en deelnemingen”, was bepaald in overleg met minister Bérégovoy. Michel Sapin, die van april 1992 tot maart 1993 minister van economie en financiën was als opvolger van Bérégovoy (die premier was geworden), zei tegen de commissie: “Een minister van financiën kan het slechts goed vinden voor de Franse economie als er onder de staatsbanken één is die uit eigen intitiatief een offensiever strategie voorstelt. Als ik in de plaats Pierre Bérégovoy was geweest, had ik dezelfde houding aangenomen.”

Haberer vond dat er een grens was aan zijn onafhankelijkheid als bankier. Die grens werd bepaald door het “algemeen belang” dat werd vastgesteld door de regering die hem aan de leiding van de bank had gesteld. Zo stelde de enquêtecommissie vast dat de regering Crédit Lyonnais soms vroeg om ten behoeve van het “algemeen belang” aandelen te nemen in overheidsondernemingen die in financiële moeilijkheden verkeerden. Ook werd van Crédit Lyonnais ondersteuning verlangd voor maatregelen van het Interministeriële comité voor industriële herstructurering, die gericht waren op het voorkomen van faillissementen en het behoud van arbeidsplaatsen. Het gebeurde dat minister Bérégovoy persoonlijk Haberer opbelde om te zeggen dat een particuliere bank een onderneming niet verder wilde financieren en dat hij daarom medewerking van Crédit Lyonnais als bank van de Franse staat op prijs stelde. Haberer heeft tegenover de enquêtecommissie verklaard dat Bérégovoy nadat hij premier was geworden nog meer pressie uitoefende met “heel algemene aanbevelingen” dan toen hij nog minister was.

Maar tegelijkertijd was de regel dat de staat als aandeelhouder zich niet bemoeide met de kredieten die Crédit Lyonnais verleende aan “gevoelige” klanten als Bernard Tapie en Robert Maxwell. De enquêtecommissie heeft geen enkele aanwijzing gevonden dat minister Bérégovoy zich ooit heeft bemoeid met de financiering van zulke socialistische financiële acrobaten, van wie Tapie nauwe banden met president Mitterrand onderhoudt. Maar François d'Aubert, parlementariër van de huidige regeringspartij UDF en rapporteur van de enquêtecommissie, wijst er in een gesprek wel op dat zijn commissie bij het onderzoek geen toegang heeft gehad tot de persoonlijke documenten van Bérégovoy als minister en als premier. Om de papieren te kunnen inzien van de, na een schot door zijn eigen hoofd overleden Bérégovoy, zou een moeizame procedure vereist zijn geweest. En daarvoor bestond in verband met de “cohabitation” van de socialistische president Mitterrand met de rechtse regering Balladur weinig animo.

Als uitzondering op de regel dat Bérégovoy zich niet met individuele klanten van Crédit Lyonnais bemoeide is er alleen het geval van de Italiaan Giancarlo Paretti. Bérégovoy stelde vanaf 1989 alles in het werk om overneming van de Franse filmonderneming Pathé Cinéma door Paretti te blokkeren. De Franse filmwereld had bezwaar tegen overname door een buitenlander en er waren geruchten dat de door Crédit Lyonnais gesteunde Paretti mafia-gelden wit waste. Om de operatie Frans te doen lijken had Paretti Max Théret ingeschakeld, een politiek linkse financier die voordeed alsof hij de koper van Pathé Cinéma was. Bérégovoy blokkeerde de zaak met het argument dat er sprake was van een “gevaar voor de openbare orde” en voorkwam op die manier waarschijnlijk een financiële strop voor Crédit Lyonnais.

Volgens de socialitische ex-minister van economie en financiën Sapin deed Bérégovoy dit omdat hij fel bestrijder was van pogingen om crimineel verkregen gelden wit te wassen. Maar tevens staat vast dat Paretti, door de Fransman Théret bij zijn zaak te halen, juist iemand had gekozen die Bérégovoy op dat ogenblik bij voorkeur op afstand hield. Want in diezelfde tijd speelde het Pechiney-schandaal, waarbij ook Bérégovoy nauw betrokken was. Het schandaal betrof beurshandel met voorkennis, waaraan zowel Théret als Mitterrands vriend Roger-Patrice Pelat veel geld had verdiend.

Bérégovoy pleegde vorig jaar zelfmoord, enkele maanden nadat bekend was geworden dat hij een renteloze lening van de reeds overleden Pelat had ontvangen van een miljoen franc. De verdenking was gerezen dat dit eigenlijk een schenking van de zakenman aan de politicus was geweest. Na zijn dood werd Bérégovoy veelvuldig geprezen om zijn inspanningen voor de Franse economie. Maar zelfs zijn actie tegen Paretti en Théret kon Le Monde niet van de toevoeging weerhouden dat hij gefascineerd was door “weinig aanbevelenswaardige zakenmilieus”.