FNV wil looneis temperen met maatwerk

DEN HAAG, 15 SEPT. CAO-coördinator L. de Waal van de vakcentrale FNV schuwt een stevige binnenkomer niet. “Iedereen die ons verwijt dat we hoge looneisen stellen is gek.”

De vakcentrale heeft met de aangesloten bonden afgesproken voor volgend jaar nergens méér contractloonstijging te vragen dan 2,25 procent, de door het Centraal Planbureau voor dit jaar geraamde prijsstijging. “In bedrijven die kampen met winstexplosies moeten maar andere uitlaatkleppen worden gevonden dan initiële loonstijging. Ik denk dan aan spaarloon, winstdelings- en aandelenoptieregelingen, maar ook aan zaken als verzorgings- en studieverlof.”

De Waal kan zich ook voorstellen dat de werkgever een deel van de VUT-premie van de werknemers overneemt, of dat werknemers in elk geval geen premieverhoging voor de VUT krijgen doorberekend. “Als werkgevers meer geld kwijt willen dan die 2,25 procent, dan zijn daarvoor talloze creatieve mogelijkheden te vinden.”

Het is het tweede jaar in successie dat de FNV-bonden onderling zijn overeengekomen een maximum te stellen aan hun looneisen. Vorig jaar was dat een magere “naar 0 tenderende loonstijging”. Voor 1995 zet de FNV hoger in: 2,25 procent. “Het is dus ook niet zo dat wij een extreem loonmatigingsbeleid voeren”, zegt De Waal.

Een tweede coördinatiepunt betreft korter werken. Alle FNV-bonden streven verdere arbeidsduurverkorting na. Hoe dat gebeurt en in welke mate, dat bepalen de afzonderlijke bonden per af te sluiten CAO zelf. De successen die de vakbeweging vorig jaar met arbeidsduurverkorting boekte bij onder meer de grootwinkelbedrijven Vroom en Dreesmann en KBB (onder andere Bijenkorf en Hema) vormen een steun in de rug. “Ik heb de indruk dat de werkgevers in de op de binnenlandse vraag gerichte sectoren niet meer zo ageren tegen de wens tot verdergaande arbeidsduurverkorting. Dat geeft perspectief.”

Dat deze coördinatie van het arbeidsvoorwaardenbeleid 'ouderwets centralistisch' is, zoals de werkgevers suggeren, wil er bij De Waal niet in. “Wij zijn een vakorganisatie. Wij proberen iets te krijgen wat een ander - de werkgever - hetzij in de vorm van geld, hetzij in de vorm van zeggenschap, heeft. Onze ervaring van de afgelopen honderd jaar is dat er een zekere mate van coördinatie nodig is om dat wat wij willen ook te krijgen.” Er is volgens hem wel een verschil met vroeger. De FNV stelt geen uniforme, centrale eis, zoals bijvoorbeeld een vierdaagse werkweek voor iedereen. Daarvoor zijn de situaties in bijvoorbeeld het bankwezen en de kleinmetaal te verschillend. “We committeren ons op de vorm, niet op de uitwerking. Die kan overal verschillend zijn.”

Dat de looneis beperkt blijft tot maximaal 2,25 procent heeft ook te maken met de macht van de grootste bond binnen de FNV, de AbvaKabo. Deze bond voor overheidspersoneel opereert bepaald niet in een winstgevende sector. Integendeel. Het kabinet-Kok heeft aangekondigd dat het overheidspersoneel 1,8 miljard gulden moet inleveren. Riante loonsverhogingen zitten er voor de ambtenaren, voor wie de oude CAO's in maart aflopen, niet in. “Wij willen niet dat de loonsverhogingen in de marktsector ver uitgaan boven die in de overheidssector”, zegt De Waal.

In slecht renderende sectoren of bedrijfstakken waar de werkgelegenheid onder druk staat kan ook minder loonstijging worden overeengekomen, zegt De Waal. Dat geldt bijvoorbeeld voor de overheid, maar ook voor het goed florerende en tevens reorganiserende bankwezen, waar onderhandelaar H. Noten van de Dienstenbond FNV een driejarige nullijn in de aanbieding heeft in ruil voor tien procent arbeidsduurverkorting. “Wij leveren maatwerk”, zegt De Waal. Hij schat de 'onderhandelingsruimte' voor 1995 op 3,5 à 4,5 procent: een prijsstijging van produkten van 1 à 1,25 procent plus een produktiviteitsstijging van gemiddeld rond de 3 procent.

Ondanks de volgens De Waal gematigde maximale looneis van 2,25 procent plaatst de FNV het kabinet wel voor een groot probleem. Dat kabinet veronderstelt voor volgend jaar namelijk een CAO-loonstijging van 1 procent. “Met 1 procent zit het kabinet te laag”, beaamt De Waal. “Dan heeft de door ons gewenste loonstijging gevolgen voor de koopkrachtplaatjes van Kok”. Met name betekent het dat het verschil in koopkracht tussen enerzijds ambtenaren en uitkeringsgerechtigden en anderzijds werknemers in de particuliere sectoren groter wordt.

Over het door beleidsmedewerker C. Korevaar van de Industriebond FNV geopperde idee werknemers meer aan vermogensvorming te laten doen, heeft De Waal zo zijn twijfels. Hij verwacht niet dat aandelenbezit onder werknemers ook leidt tot het stichten van talrijke nieuwe ondernemingen door diezelfde werknemers. Bovendien is dit 'werknemerskapitalisme' zijns inziens slechts weggelegd voor een beperkte groep werknemers: de hoger gekwalificeerden. De Waal ziet meer in collectieve regelingen van vermogensoverheveling. “In Nederland zullen we altijd te maken hebben met het feit dat in sommige hoogwaardige segmenten van het bedrijfsleven veel geld wordt verdiend, terwijl daar niet de werkgelegenheidsgroei zit. Dat is een probleem. Dan moet je je vervolgens afvragen hoe je het teveel aan geld in die florerende, maar weinig arbeidsintensieve bedrijfstakken overhevelt naar andere sectoren, waar nog wel uitzicht op werkgelegenheidsgroei bestaat. Dat kan op verschillende manieren: via belastingheffing, via een vorm van vermogensaanwasdeling, of gewoon doordat gefortuneerde Nederlanders weer huishoudsters en tuinmannen in dienst nemen.”